Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB0591

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
27-07-2007
Zaaknummer
258899 / HA ZA 06-999
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

CMR-vervoer. Overval tijdens vervoer van 92 plasmaschermen van Agers, Frankrijk, naar Duisburg, Duitsland.

Geen overmacht: hoewel de chauffeur ontegenzeggelijk pogingen heeft gedaan om het verlies te voorkomen door te gaan kijken toen hij gestommel hoorde en te trachten de overval bij de politie te melden, kan niet worden gezegd dat hij door onder deze omstandigheden, op de openbare weg op een onbewaakte parkeerplaats, over te staan alle van hem te vergen maatregelen heeft genomen. ,

Art 39 lid 1 CMR staat niet in de weg aan toewijzing van de vordering, reeds omdat - naar niet in geschil is - in dezen (nog) geen sprake is (geweest) van ingevolge art 37 en 38 CMR op RRS uitgeoefend verhaal. Ook de in de toekomst wellicht bestaande mogelijkheid dat RRS dan ingevolge art 39 lid 1 CMR de gegrondheid van een betaling door de vervoerder die verhaal op haar uitoefent niet kan betwisten staat thans niet in de weg aan toewijzing van de thans voorliggende vordering tot verklaring voor recht.

Geen vrijwaringsplicht ivm gestelde niet doorgeven instructie, reeds omdat er onvoldoende grond is voor het oordeel de schade daar (mede) aan te wijten is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2008, 88
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 258899 / HA ZA 06-999

Uitspraak: 11 juli 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RAMBI’S ROAD SERVICE TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Bladel,

eiseres,

procureur mr. B.S. Janssen,

advocaat mr. J.A. Kruit,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid C. VREUGDENHIL INTERNATIONAAL TRANSPORT B.V.,

gevestigd te Poeldijk,

procureur mr. R.W.J.M. te Pas,

advocaat mr E.F.V. Vamlernerghe,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid K.E. FRANCE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. W.M. van Rossenberg.

Partijen worden hierna aangeduid als “RRS” respectievelijk “Vreugdenhil’en “KE”.

Het procesverloop blijkt uit het griffiedossier waar de rechtbank kennis van heeft genomen.

1 De vaststaande feiten

1.1 Op 23 november 2005 heeft KE van Dusolier opdracht gekregen tot het vervoer over de weg van 92 plasmaschermen (hierna: de zending) van Agers, Frankrijk, naar Duisburg, Duitsland. Zij heeft deze opdracht doorgegeven aan Vreugdenhil, die het vervoer heeft uitbesteed aan RRS. Op 23 november 2005 heeft RRS een CMR-vrachtbrief afgegeven voor het ten vervoer in ontvangst nemen van “92 couleur televisions”.

1.2 De schriftelijke transportopdracht van KE aan Vreugdenhil bevat de volgende instructie:

“(1)Indien het transport wordt onderbroken (overnachting etc) verplicht de vervoerder en/of de door hem ingeschakelde onder-/opvolgende vervoerder zich het vervoermiddel, respectievelijk de aan hem toevertrouwde zaken in een afgescheiden loods en/of bewaakt parkeer terrein op te slaan/te stallen.”

1.3 Vreugdenhil heeft de instructie niet gegeven aan RRS.

1.4 Tijdens overstaan tijdens het vervoer is de chauffeur overvallen en zijn 80 tot de zending behorende plasmaschermen ontvreemd.

2 Het geschil

2.1 RRS heeft gevorderd dat bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor recht wordt verklaard dat:

- Vreugdenhil cs althans Vreugdenhil en/of KE in een eventuele schadevergoeding jegens RRS niet ontvankelijk is,

- althans subsidiair, RRS niet aansprakelijk is voor de door Vreugdenhil cs, althans Vreugdenhil en/of KE geleden schade ter zake van de transportschade met betrekking tot de in deze dagvaarding genoemde zending;

- althans meer subsidiair RRS niet verder aansprakelijk is jegens Vreugdenhil cs althans Vreugdenhil en/of KE dan tot het bedrag van de CMR-beperking ex art 23 CMR en dat Vreugdenhil RRS dient te vrijwaren tegen aanspraken van derden die mede voortvloeien uit de omstandigheid dat een instructie zou zijn geschonden en mitsdien Vreugdenhil te veroordelen tot al datgene waartoe RRS terzake jegens derden gehouden zal blijken te zijn, ter vermeerderen met rente en kosten;

alles met veroordeling van Vreugdenhil cs althans Vreugdenhil en/of KE in de kosten.

2.2 Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft RRS gesteld dat haar een beroep op overmacht althans beperking van haar aansprakelijkheid toekomt en dat Vreugdenhil gehouden is haar te vrijwaren, omdat zij de instructie van KE bij de transportopdracht niet heeft doorgegeven.

2.3 KE en Vreugdenhil hebben de vordering ieder voor zich gemotiveerd betwist.

3 De beoordeling

3.1 Niet in geschil is dat de door RRS aangegane vervoerovereenkomst wordt beheerst door de CMR.

3.2 Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan Vreugdenhil en/of KE niet-ontvankelijk zouden zijn in een eventuele (vordering tot) schadevergoeding.

3.3 Niet in geschil is dat RRS in beginsel aansprakelijk is voor de schade als gevolg van het verlies van een deel van de zending tijdens het vervoer. Evenmin is in geschil dat RRS zich ten opzichte van Vreugdenhil en KE kan beroepen op contractuele vrijtekeningen.

3.4 RRS heeft zich beroepen op overmacht (art 17 lid 2 CMR). Dit kan slechts slagen indien RRS aantoont dat zij alle in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van een zorgvuldig vervoerder - daaronder begrepen de personen van wier hulp hij bij de uitvoering van de overeenkomst gebruikt maakt - te vergen maatregelen heeft genomen om het verlies te voorkomen.

3.5 RRS heeft de zending op 23 november 2005 in ontvangst genomen en moest deze op 24 november 2005 afleveren. Overstaan tijdens het vervoer lag dus voor de hand. De chauffeur heeft de vrachtwagencombinatie rond 22.55 uur geparkeerd op het, direct achter het servicestation gelegen, voor vrachtwagens bestemde parkeerdeel van de onbewaakte parkeerplaats Leroeulx, langs de A7 in België. Hij heeft zijn vrachtwagen achteruit tussen de andere vrachtwagens gezet. Er stond een vrachtwagen dwars achter hem geparkeerd. Hij heeft de maaltijd gebruikt in het aangrenzende restaurant en is gaan slapen in de cabine. Toen hij gestommel hoorde, is hij gaan kijken. Hij is onder schot genomen met een vuurwapen en is gesommeerd om terug te gaan naar zijn cabine en zich koest te houden. Met zijn mobiele telefoon, die tussen de stoelen lag, heeft hij 112 gebeld. Hij heeft geen melding kunnen doen van de overval, omdat de politie geen Vlaams/Nederlands bleek te verstaan.

3.6 Hoewel de chauffeur ontegenzeggelijk pogingen heeft gedaan om het verlies te voorkomen door te gaan kijken toen hij gestommel hoorde en te trachten de overval bij de politie te melden, kan niet worden gezegd dat (de chauffeur van) RRS door onder deze omstandigheden, op de openbare weg op een onbewaakte parkeerplaats over te staan alle maatregelen als bedoeld onder 3.4 heeft genomen. Het beroep van RRS op overmacht faalt dus. Zij is aansprakelijk voor de schade als gevolg van de diefstal van een deel van de zending.

3.7 Uitgangspunt is dat RRS beperkt aansprakelijk is (art 23 CMR). Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan zij onbeperkt aansprakelijk kan worden geacht.

3.8 Het verweer van Vreugdenhil dat art 39 lid 1 CMR in de weg staat aan toewijzing van de vordering faalt reeds omdat - naar niet in geschil is - in dezen (nog) geen sprake is (geweest) van ingevolge art 37 en 38 CMR op RRS uitgeoefend verhaal en dus niet aan de voorwaarden voor toepassing van deze bepaling is voldaan. Anders dan Vreugdenhil heeft betoogd, staat de in de toekomst wellicht bestaande mogelijkheid dat RRS dan ingevolge art 39 lid 1 CMR de gegrondheid van een betaling door de vervoerder die verhaal op haar uitoefent niet kan betwisten evenmin in de weg aan toewijzing van de thans voorliggende vordering van RRS tot verklaring voor recht.

3.9 Er is onvoldoende grond voor het oordeel de schade (mede) te wijten is aan het gestelde niet doorgeven van de instructie door Vreugdenhil. Dit staat in de weg aan het kunnen aannemen van de gestelde vrijwaringsplicht van Vreugdenhil ten aanzien van RRS op grond van het enkele niet doorgeven van de instructie. Het geschilpunt of de instructie niet is doorgegeven dan wel – zoals Vreugdenhil heeft betoogd – KE mondeling is teruggekomen op de instructie en een minder verstrekkende instructie heeft gegeven, kan onbesproken blijven.

3.10 Daar partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld worden de proceskosten gecompenseerd.

4 De beslissing

De rechtbank,

verklaart voor recht dat RRS niet verder aansprakelijk is jegens Vreugdenhil cs dan tot het bedrag van de CMR-beperking ex art 23 CMR,

compenseert de proceskosten in dier voege dat partijen ieder hun eigen kosten dragen,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. de Loor-Alwin.

Uitgesproken in het openbaar.

1548