Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB0582

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
27-07-2007
Zaaknummer
226498 / HA ZA 04-2972
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betwiste handtekening; bewijs en tegenbewijs door deskundigenberichten

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 226498 / HA ZA 04-2972

Uitspraak: 11 juli 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid VITRINA B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

eiseres,

procureur mr. J.R. Maas,

advocaat mr. M. Maasdam,

- tegen -

1. de vennootschap onder firma [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2], vennoot,

3. [gedaagde 3], vennoot,

4. [gedaagde 4], vennoot,

gevestigd/wonende te [vestiging/woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. D.J.R.M. Braakenburg.

Partijen blijven verder aangeduid als "Vitrina" respectievelijk "[gedaagden]" (gedaagden gezamenlijk).

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- vonnis van deze rechtbank d.d. 2 augustus 2006 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- deskundigenbericht, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 16 januari 2007;

- loonbepaling d.d. 7 maart 2007, waarbij de schadeloosstelling en het loon van de deskundige, de heer [deskundige], zijn bepaald op € 1.785,00;

- de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagden], met producties;

- de antwoordconclusie na deskundigenbericht.

2 De verdere beoordeling

2.1 In deze procedure heeft Vitrina zich beroepen op de dwingende bewijskracht van de als productie 1 bij conclusie van antwoord overgelegde reclameovereenkomst. [gedaagden] heeft stellig betwist dat de handtekening van de "opdrachtgever" op die reclameovereenkomst door haar is geplaatst.

2.2 Artikel 159 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bepaalt dat een onderhandse akte waarvan de ondertekening door de partij, tegen welke zij dwingend bewijs zou leveren, stellig wordt betwist, geen bewijs oplevert, zolang niet bewezen is van wie de ondertekening afkomstig is. De partij die zich in een dergelijk geval op de dwingende bewijskracht van de onderhandse akte beroept, draagt de bewijslast dat de ondertekening afkomstig is van de wederpartij. De stelling van Vitrina dat de bewijslast bij [gedaagden] ligt, is derhalve onjuist.

2.3 Bij vonnis van 17 december 2002 van deze rechtbank, sector kanton, is Vitrina toegelaten te bewijzen dat de handtekening op de overgelegde reclameovereenkomst waarop Vitrina zich in deze procedure beroept afkomstig is van gedaagde sub 2, sub 3 of sub 4, dan wel een andere persoon die daartoe bevoegd was namens gedaagden.

2.4 Op verzoek van Vitrina is bij vonnis van 8 april 2003 van deze rechtbank, sector kanton, [schriftkundigbureau] (hierna: "[schriftkundigbureau]") benoemd tot deskundige teneinde te onderzoeken of de handtekening op de reclameovereenkomst is geplaatst door gedaagde sub 2, sub 3 of sub 4.

2.5 [schriftkundigbureau] heeft in zijn rapport van 7 oktober 2003 verklaard dat de handtekening in kwestie met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig is van [gedaagde 3] (gedaagde sub 3).

2.6 Nadat de kantonrechter bij vonnis van 21 september 2004 heeft verstaan dat de zaak aangebracht had moeten worden bij de sector civiel van deze rechtbank en de zaak ter verdere berechting in de stand waarin de zaak zich op dat moment bevond naar de sector civiel heeft verwezen, heeft de rechtbank, sector civiel, bij vonnis van 16 maart 2005 zich voorshands geschaard achter de conclusie van [schriftkundigbureau]. De rechtbank heeft [gedaagden] vervolgens toegelaten tot tegenbewijs.

2.7 [gedaagden] heeft in enquête getuigen doen horen. Vitrina heeft in contra-enquête een getuige doen horen. Vervolgens heeft [gedaagden] - zoals reeds aangekondigd bij conclusie na bewijsopdracht van 13 januari 2004 (op pagina 12 onder 3) - de rechtbank verzocht haar in de gelegenheid te stellen (nader) tegenbewijs te leveren door middel van een deskundigen¬onderzoek.

2.8 Bij vonnis van 2 augustus 2006 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen ter beantwoording van de vraag of de handtekening onderaan de reclameovereenkomst geplaatst is door [gedaagde 3].

2.9 De conclusie van de deskundige, de heer [deskundige], zoals weergegeven in zijn rapport van 16 januari 2007 luidt als volgt:

"De handtekening in de rubriek "Opdrachtgever" op de reclameovereenkomst tussen de firma's Vitrina BV en [gedaagden] V.O.F., gedateerd 27.04.2001, is met zeer hoge waarschijnlijkheid niet door [gedaagde 3] vervaardigd, maar het product van nabootsing."

2.10 Nadat de deskundige zijn rapport ter griffie van de rechtbank had ingediend, hebben beide partijen nog een conclusie genomen. Bij antwoordconclusie na deskundigenbericht protesteert Vitrina ertegen dat [gedaagden] zich in haar conclusie na deskundigenbericht niet heeft beperkt tot een reactie op het rapport van de deskundige. De rechtbank acht dit bezwaar ongegrond. Nadat op 6 oktober 2005 het getuigenverhoor aan beide zijden was gesloten, hebben partijen afgesproken dat zij met elkaar in overleg zouden treden omtrent het door middel van een deskundigenonderzoek door [gedaagden] leveren van (nader) tegenbewijs. Partijen sprake voorts af dat zij bij akte na de gehouden enquête (slechts) verslag aan de rechtbank zouden doen van de uitkomst van dat overleg waarna de rechtbank bij tussenvonnis een deskundigenonderzoek zou kunnen gelasten. Het stond partijen vrij zich bij conclusie na deskundigenbericht en antwoordconclusie na deskundigenbericht uit te laten omtrent de bewijsvoering in haar totaliteit.

2.11 Nu de deskundigen die in deze zaak hebben gerapporteerd - enerzijds [schriftkundigbureau] en anderzijds [deskundige] - op basis van de resultaten van hun onderzoek conclusies hebben getrokken die niet met elkaar in overeenstemming zijn te brengen, dient de rechtbank bij de waardering van het bewijs de overtuigende kracht van elk van de deskundigenberichten te betrekken. Voor het oordeel van de rechtbank over de waarde van de deskundigenberichten is van belang over welke aantoonbare deskundigheid op het terrein van de schriftexpertise de deskundigen beschikken.

2.12 Nadat [schriftkundigbureau] zijn deskundigenbericht had uitgebracht heeft [gedaagden] bij conclusie na bewijsopdracht de deskundigheid van de aan dat bureau verbonden deskundigen, [deskundige 2] en [deskundige 3], in twijfel getrokken, zulks op grond van de gang van zaken tijdens het door [schriftkundigbureau] verrichte onderzoek en op grond van nadien aan de raadsman van [gedaagden] gebleken feiten en omstandigheden. De kantonrechter heeft vervolgens een comparitie van partijen gelast en ook [deskundige 2] en [deskundige 3] ter comparitie uitgenodigd. [deskundige 2] en [deskundige 3] hebben de kantonrechter laten weten om medische redenen geen van beiden in staat te zijn op een zitting van de kantonrechter te verschijnen. Op verzoek van de kantonrechter hebben [deskundige 2] en [deskundige 3] daarop bij brief van 15 april 2004 bewijsstukken omtrent hun deskundigheid aan de rechtbank, sector kanton, toegezonden.

2.13 De bij brief van 15 april 2004 door [schriftkundigbureau] toegezonden bewijsstukken betreffen kopieën van:

- diploma's van 31 oktober 1981 die vermelden dat [deskundige 2] en [deskundige 3] met goed gevolg alle onderdelen hebben afgelegd van een examen grafologie;

- notariële akten van 26 juni 1989 die vermelden dat [deskundige 2] en [deskundige 3] op die datum voor de in de akte genoemde notaris zijn verschenen en onder ede de in die akten opgenomen verklaringen hebben afgelegd;

- de vermelding van [deskundige 2] en [deskundige 3] in de Gids voor de Rechterlijke Macht als "overige erkende/notarieel beëdigde schriftexperts";

- een brief van 10 april 1990 waarin de rechter-commissaris in de rechtbank te Maastricht het volgende mededeelt aan "Bureau voor Psycho-Grafo techniek E & W [deskundige 3]":

"Recentelijk vroeg u mij telefonisch of het juist was, dat ik aan de griffier in mijn kabinet had verzocht de naam van U en Uw echtgenoot te plaatsen op de lijst van deskundigen.

U deelde mij mede, dat Uw echtgenoot dat bij de gelegenheid van de benoeming van U en Uw man tot deskundigen gehoord zou hebben.

Ik heb dit toen inderdaad tegen de griffier gezegd.

Op mijn kabinet wordt een lijst aangehouden van personen, die in voorkomende gevallen kunnen worden benoemd tot deskundigen.

Daarop is ook de naam van U en Uw echtgenoot geplaatst."

2.14 De door [deskundige 2] en [deskundige 3] overgelegde diploma's betreffen een examen grafologie. Grafologie is de kunst om aanleg en karaktereigenschappen van een persoon op te maken uit zijn handschrift. Schriftexpertise is deskundige beoordeling van handschrift ter identificering van de schrijver. Dat [deskundige 2] en [deskundige 3] met goed gevolg een examen grafologie hebben afgelegd, brengt niet zonder meer mee dat zij als schriftexperts kunnen worden beschouwd, ook niet indien het door hen afgelegde examen grafologie - zoals [deskundige 2] en [deskundige 3] op 26 juni 1989 ten overstaan van een notaris hebben verklaard - mede het vak schriftexpertise omvatte.

2.15 De door [deskundige 2] en [deskundige 3] genoemde "notariële beëdiging" houdt naar de kern niet meer in dan dat zij op 26 juni 1989 ten overstaan van een notaris onder ede verklaard hebben dat zij zichzelf op grond van gevolgde opleidingen en literatuurstudie (onder meer) schriftexperts achten.

2.16 Aan de opname van [deskundige 2] en [deskundige 3] in de Gids voor de Rechterlijke Macht komt geen zelfstandige betekenis toe. Hetzelfde geldt voor het feit dat zij in 1990 op een lijst van deskundigen van de rechter-commissaris in strafzaken in de rechtbank te Maastricht zijn geplaatst. Deskundigheid wordt niet verworven door opname in een gids of plaatsing op een lijst.

2.17 De rechtbank concludeert uit het vorenstaande dat de deskundigheid van [schriftkundigbureau] op het terrein van schriftexpertise niet is komen vast te staan.

2.18 De inhoud van het door [deskundige] als bijlage C bij zijn rapport overgelegde Curriculum Vitae is niet weersproken. Uit dat Curriculum Vitae blijkt dat [deskundige] een gedegen beroepsopleiding op het gebied van de schriftexpertise heeft gevolgd en dat hij een ruime beroepservaring heeft als forensisch schriftexpert. [deskundige] heeft op inzichtelijke wijze gerapporteerd over zijn onderzoek en zijn bevindingen. De door [deskundige] getrokken conclusie vloeit logisch voort uit de resultaten van zijn onderzoek.

2.19 De rechtbank acht het door [deskundige] uitgebrachte rapport overtuigend en maakt de door hem getrokken conclusie tot de hare.

2.20 Weliswaar is bij vonnis van 16 maart 2005 van deze rechtbank aan [gedaagden] het bewijs opgedragen van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de handtekening op de reclameovereenkomst niet afkomstig is van [gedaagde 3], maar dit brengt niet mee dat de bewijslast omtrent de vraag van wie de ondertekening afkomstig is op [gedaagden] kwam te rusten. De bewijsopdracht aan [gedaagden] betrof tegenbewijs. Immers, de rechtbank heeft bij genoemd vonnis (onder 2.4) slechts geoordeeld dat Vitrina op basis van de inhoud van het rapport van [schriftkundigbureau] "voorshands", dat wil zeggen behoudens door [gedaagden] te leveren tegenbewijs, in het te leveren bewijs - van wie de ondertekening afkomstig was - was geslaagd.

2.21 Gelet op de inhoud van het rapport van [deskundige] en de niet aannemelijk geworden deskundigheid van [schriftkundigbureau] op het terrein van de schriftexpertise komt bij de bewijswaardering geen gewicht toe aan het rapport van [schriftkundigbureau]. De rechtbank stelt verder vast dat geen van de gehoorde getuigen heeft verklaard aanwezig te zijn geweest bij de ondertekening van de reclameovereenkomst. De conclusie is dat de rechtbank [gedaagden] geslaagd acht in het door haar te leveren tegenbewijs. Vitrina is derhalve niet geslaagd in het bewijs waartoe zij bij vonnis van 17 december 2002 van deze rechtbank, sector kanton, was toegelaten.

2.22 De vordering van Vitrina dient te worden afgewezen. Vitrina heeft haar vordering immers gegrond op de reclameovereenkomst. De rechtbank neemt ter zake van die reclameovereenkomst echter het oordeel van de deskundige over dat de daarop in de rubriek "Opdrachtgever" geplaatste handtekening met zeer hoge waarschijnlijkheid niet door [gedaagde 3] is vervaardigd, maar het product is van nabootsing. Voorts is niet komen vast te staan dat de handtekening afkomstig is van gedaagde sub 2 of 4 dan wel een ander persoon die daartoe bevoegd was namens gedaagden.

2.23 Vitrina zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3 De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vordering van Vitrina;

veroordeelt Vitrina in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagden] bepaald op € 89,00 aan vast recht, op € 1.785,00 aan overige verschotten en op € 1.920,00 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis voor zover het de kostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

1729