Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB0526

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-07-2007
Datum publicatie
26-07-2007
Zaaknummer
10/640187-05 en 10/642298-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inn & Out. Drie maal levenslang voor medeplegen moord (op drie personen) en pogingen tot moord (op zeven personen). Vrijheidsberoving en gijzeling. Ook niet-schutters veroordeeld als medepleger.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector strafrecht

Parketnummers: 10/640187-05 en 10/642298-07 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 26 juli 2007

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[VERDACHTE 3],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

ten tijde van de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen [naam PI],

raadsman mr. P.M. Rombouts, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3, 9 en 12 juli 2007.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met parketnummer 10/642298-07 en in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging met parketnummer 10/640187-05, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

Van deze dagvaarding en deze vordering nadere omschrijving tenlastelegging zijn kopieën, aangeduid als A1 tot en met A6, als bijlagen aan dit vonnis gehecht. Deze bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van de Kragt heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van de op de dagvaarding met parketnummer 10/640182-05 onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde feiten en de op de dagvaarding met parketnummer 10/642297-07 onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten;

- veroordeling van de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de op de dagvaarding met parketnummer 10/640187-05 onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde feiten en de op de dagvaarding met parketnummer 10/642298-07 onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan op die wijze dat:

Dagvaarding met parketnummer 10/640187-05:

Feit 1.

hij, op 19 november 2005 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade, J.W. [Slachtoffer 2] en A.J. [Slachtoffer 1] en N.H.I. [Slachtoffer 3] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of één of meer van zijn mededaders, opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, die [Slachtoffer 2] en die [Slachtoffer 1] en die [Slachtoffer 3] met één vuurwapen in het hoofd en/of het lichaam geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [Slachtoffer 2] en [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 3] zijn overleden;

Feit 2.

hij en/of één of meer van zijn mededaders, op 19 november 2005 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade H.C. [Slachtoffer 10] en I. [Slachtoffer 7] en P.S. [Slachtoffer 5] en M.P. [Slachtoffer 9] en R. [Slachtoffer 6] en M. [Slachtoffer 8] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met één vuurwapen heeft geschoten op die [Slachtoffer 10] en die [Slachtoffer 7] en die [Slachtoffer 5] en die [Slachtoffer 9] en die [Slachtoffer 6] en die [Slachtoffer 8], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit 3.

één van zijn mededaders, op 19 november 2005 te Rotterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en met voorbedachten rade O. [Slachtoffer 4] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met één vuurwapen heeft geschoten op die [Slachtoffer 4], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Dagvaarding met parketnummer 10/642298-07:

1.

hij, op 19 november 2005 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk J.W. [Slachtoffer 2] en N.H.I. [Slachtoffer 3] en H.C. [Slachtoffer 10] en I. [Slachtoffer 7] en O. [Slachtoffer 4] en P.S. [Slachtoffer 5] en M.P. [Slachtoffer 9] en R. [Slachtoffer 6] en M. [Slachtoffer 8], wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, met het oogmerk een ander, te weten A.J. [Slachtoffer 1], te dwingen tot betaling van geld, immers hebben hij, verdachte en/of één of meer van zijn mededaders met dat opzet:

die [Slachtoffer 2] en die [Slachtoffer 3] en die [Slachtoffer 10] en die [Slachtoffer 7] en die [Slachtoffer 4] en die [Slachtoffer 5] en die [Slachtoffer 9] en die [Slachtoffer 6] en die [Slachtoffer 8] wederrechtelijk, in het cafe Inn & Out aan de Schiedamsesingel

- bij elkaar in een ruimte gedwongen en

- (de handen) vastgebonden en/of gekneveld en

- met één of meer vuurwapens bedreigd en

- met één vuurwapen beschoten

en het rolluik van dat cafe waarin die [Slachtoffer 2] en die [Slachtoffer 3] en die [Slachtoffer 10] en die [Slachtoffer 7] en die [Slachtoffer 4] en die [Slachtoffer 5] en die [Slachtoffer 9] en die [Slachtoffer 6] en die [Slachtoffer 8] zich bevonden, gesloten en (dusdoende) gedurende een aantal uren, die [Slachtoffer 2] en die [Slachtoffer 3] en die [Slachtoffer 10] en die [Slachtoffer 7] en die [Slachtoffer 4] en die [Slachtoffer 5] en die [Slachtoffer 9] en die [Slachtoffer 6] en die [Slachtoffer 8] belet dat cafe, te verlaten;

2.

hij, op 19 november 2005 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk A.J. [Slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en/of één of meer van zijn mededaders met dat opzet:

die [Slachtoffer 1] in het cafe Inn & Out aan de Schiedamsesingel

- samen met anderen in een ruimte gedwongen en

- (de handen) vastgebonden en/of gekneveld en

- met één of meer vuurwapens bedreigd en

- met één vuurwapen beschoten en

het rolluik van dat cafe waarin die [Slachtoffer 1] zich bevond, gesloten en (dusdoende) gedurende een aantal uren, die [Slachtoffer 1] belet dat cafe te verlaten.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging kennelijke verschrijvingen voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist, worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

BEWIJSOVERWEGINGEN TEN AANZIEN VAN DE DAGVAARDING MET PARKETNUMMER 10/640187-05

Verweren

Namens de verdachte is aangevoerd dat voldoende aannemelijk is dat hij niet het eerste salvo schoten in de toiletruimte heeft afgevuurd. Dit eerste salvo is gelost door een medeverdachte, niet met voorbedachte raad, maar in een opwelling. De gezamenlijke opzet was steeds gericht op afpersing en niet op het doden van mensen.

De verdachte heeft ook het tweede salvo schoten in de toiletruimte niet afgevuurd en de verdachte is ook niet degene die hierna slachtoffer [Slachtoffer 2] heeft doodgeschoten. De verdachte kan niet als medepleger van deze twee schiethandelingen worden aangemerkt, aangezien hier sprake was van een exces-situatie. Er was wat het schieten op slachtoffers betreft geen sprake van een gezamenlijk plan of een gezamenlijke uitvoering. Het is ook lastig voorstelbaar dat de verdachte zich van deze handelingen had kunnen distantiëren. Hetzelfde geldt voor de schoten die - evenmin door de verdachte - zijn afgevuurd op slachtoffer [Slachtoffer 4]. De verdachte moet volgens zijn raadsman dus worden vrijgesproken van de moorden en de pogingen tot moord.

Vaststelling van de feiten

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en de bewijsmiddelen af dat zich in de nacht van 19 november 2005 en in de periode daaraan voorafgaand het volgende heeft afgespeeld.

In het najaar van 2005 zijn er contacten geweest tussen de verdachten [Verdachte 1], [Verdachte 3], [Verdachte 2] en [naam]. Zij meenden nog een rekening te vereffenen te hebben met en/of geld tegoed te hebben van [Slachtoffer 1], de uitbater van café Inn & Out. [Verdachte 1] nam [Slachtoffer 1] namelijk kwalijk dat die hem onvoldoende had geholpen toen [Verdachte 1] werd vervolgd in verband met een eerdere schietpartij bij Inn & Out in 2003. [Slachtoffer 1] zou daarnaast geld en een auto ter waarde van samen ca. € 500.000,- onder zich hebben van een neef van [Verdachte 2], [naam], die in 2005 op Kaapverdië was doodgeschoten.

De verdachten waren aanvankelijk van plan om [Slachtoffer 1] te ontvoeren. Daartoe hadden zij een bestelbus gekocht en een houten kist gemaakt, die door hen was ingegraven in een natuurgebied in de omgeving van Zwolle. In die houten kist zou [Slachtoffer 1] worden verborgen en vastgehouden totdat de € 500.000,- zou zijn betaald. De uitvoering van dit plan is uiteindelijk niet doorgegaan, omdat de bestelbus waarin [Slachtoffer 1] vervoerd zou moeten worden kapot ging.

In de avond van 18 november 2005 ontmoeten de vier verdachten elkaar in de woning van [naam], een neef van [Verdachte 3]. In die woning gebruiken de verdachten naar eigen zeggen alcohol en drugs (cocaïne). Zij praten daarbij over de manier waarop zij van [Slachtoffer 1] geld zouden kunnen loskrijgen. De verdachten vermoeden dat [Slachtoffer 1] die avond in Inn & Out is en besluiten om tegen sluitingstijd naar het café te gaan. Alle vier de verdachten nemen één of meer wapens mee en gaan naar het pleintje voor Inn & Out. [Verdachte 1] en [naam] hebben ieder twee handvuurwapens, kaliber 6.35 mm, waarvan één of twee met geluiddemper. [Verdachte 3] heeft een machinepistool, type Scorpio en [Verdachte 2] draagt onder zijn jas een groot machinepistool, type MP5, kaliber 9 mm, eveneens met geluiddemper. Waarschijnlijk hebben de verdachten, toen zij merkten dat Inn & Out pas om 2.00 uur dicht zou gaan, nog enige tijd op het pleintje gewacht tot sluitingstijd.

Omstreeks 2.00 uur zijn de verdachten café Inn & Out binnen gegaan. Daar zijn op dat moment de slachtoffers [Slachtoffer 1], [Slachtoffer 10], [Slachtoffer 3], [Slachtoffer 6], [Slachtoffer 9], [Slachtoffer 2], [Slachtoffer 5] en [Slachtoffer 7] aanwezig. De verdachten hebben de aanwezigen direct met de vuurwapens bedreigd en hen bevolen al hun kostbaarheden, telefoons en geld af te geven.

Slachtoffer [Slachtoffer 4] ([Slachtoffer 4]) [Slachtoffer 4], die het café kort daarvoor had verlaten om zijn rijbewijs uit zijn auto te gaan halen, wordt bij terugkomst door de verdachten gedwongen Inn & Out weer binnen te gaan en daar te blijven. Eén van de slachtoffers ([Slachtoffer 2]) wordt door [Verdachte 3] in zijn gezicht gestompt en als hij op de grond ligt met de kolf van een vuurwapen op zijn hoofd geslagen. [Verdachte 3] slaat ook [Slachtoffer 5] met de kolf van de Scorpio. [Verdachte 2] lost met de MP5 een waarschuwingsschot. De slachtoffers worden gefouilleerd en - op [Slachtoffer 1] na - naar het voorportaal van de toiletruimte achter in het café gebracht. Daar binden [Verdachte 3] en [naam] hun handen met de door de verdachten meegenomen tie-rips en tape. Hun monden worden met tape dichtgeplakt. De slachtoffers moeten plaatsnemen op de naar het voorportaal gebrachte stoelen.

[Slachtoffer 4] hoort de verdachten zeggen: "We gaan ze vermoorden". [Verdachte 1] gaat met [Slachtoffer 1] in discussie. Hij maakt [Slachtoffer 1] daarbij duidelijk dat hij die avond € 500.000,- moet betalen. [Slachtoffer 10] hoort [Verdachte 1] tegen [Slachtoffer 1] zeggen: "Ik wil € 500.000 hebben. Ik wil het nu hebben, anders gaan jullie er aan. Als je geen geld geeft dan gaat iedereen die hier is eraan. We knallen iedereen af en daarna ben jij aan de beurt".

[Slachtoffer 8], een toevallige passant, wordt door [Verdachte 1] onder bedreiging van een vuurwapen naar binnen gehaald en met een vuurwapen op zijn hoofd geslagen. Ook hij wordt vastgebonden en bij de andere slachtoffers in het voorportaal gezet.

Met behulp van de afstandsbediening wordt het rolluik van het café gesloten.

[Verdachte 1] komt naar de toiletruimte en vraagt aan [Slachtoffer 10] of hij geld kan regelen.

[Slachtoffer 6] hoort [Verdachte 3] zeggen "dat ze ons eigenlijk niet moesten hebben, maar dat we dood geschoten zouden worden omdat we hun gezien hadden". Ook [Slachtoffer 10] en [Slachtoffer 5] horen [Verdachte 3] dergelijke uitlatingen doen. [Slachtoffer 5] hoort één van de verdachten, waarschijnlijk [Verdachte 3], tegen [Slachtoffer 2] zeggen: "Als het geld niet komt, gaan jullie er allemaal zo aan. Jij wordt de eerste."

[Verdachte 3] haalt vervolgens [Slachtoffer 2] uit de toiletruimte en brengt hem naar de keuken. [Slachtoffer 2] moet zich tot op zijn onderbroek uitkleden. In de keuken wordt met de MP5 een schot gelost, dat [Slachtoffer 2] niet raakt. De kogel doorboort wel een rijstkoker en raakt een waterleiding in de muur. De verdachten doen het vervolgens tegenover de andere slachtoffers voorkomen alsof [Slachtoffer 2] op dat moment al gedood is. [Slachtoffer 10] hoort [Verdachte 3] zeggen: "Ik heb toch gezegd dat wij geen grappen maken, ik heb jullie toch gewaarschuwd" en volgens [Slachtoffer 4] zegt [Verdachte 3] bij terugkomst in het voorportaal: "Zo, dat is de eerste die dood is" en kondigt hij nogmaals aan dat alle aanwezigen worden gedood als er geen geld komt. Ook [Slachtoffer 5] hoort uitlatingen als: "Nou jullie zien het, de eerste is al gegaan. Zo lang het geld niet komt neem ik jullie 1 voor 1". [Slachtoffer 6] hoort de verdachten zeggen dat er binnen een half uur nog iemand opgeruimd zou worden en tegen [Slachtoffer 8] wordt gezegd: "Jij, kom maar mee. Jij bent toch maar een asielzoeker". [Slachtoffer 8] kan uiteindelijk in het voorportaal blijven omdat [Verdachte 3] op dat moment door een medeverdachte wordt teruggeroepen. [Slachtoffer 8] hoort één van de verdachten nog wel zeggen dat [Slachtoffer 2] dood was en dat alle slachtoffers dood zouden gaan en zouden gaan branden.

Eén van de verdachten besprenkelt de aanwezigen in de toiletruimte met een brandbare vloeistof en door de verdachten wordt gevraagd om een aansteker. Volgens [Slachtoffer 5] maken de verdachten tijdens het besprenkelen spottende opmerkingen, als zouden de aanwezigen worden gedoopt. [Verdachte 3] biedt de aanwezigen in de toiletruimte iets te drinken en een sigaret aan, met de mededeling dat dit hun laatste sigaret en drinken zou zijn en dat zij allemaal doodgeschoten zouden worden. [Slachtoffer 6] hoort [Verdachte 3] tegen [Slachtoffer 9] zeggen dat zij niet naar de wc mocht, omdat ze toch doodgeschoten zou worden.

Als blijkt dat ook [Slachtoffer 10] niet voor geld kan zorgen, stelt [Slachtoffer 4] aan [Verdachte 1] voor dat hij zal proberen om bij een vriend geld los te krijgen. [Verdachte 1] probeert vervolgens om met behulp van de mobiele telefoons van de slachtoffers en het door [Slachtoffer 4] verstrekte telefoonnummer, contact te zoeken met die vriend. [Slachtoffer 4] hoort [Verdachte 1] zeggen: "Ik ga weg want ze gaan zo meteen schieten" en hij hoort [Verdachte 3] of [Verdachte 2] roepen: "We klaren ze gewoon allemaal". [Slachtoffer 4] wordt vervolgens door [Verdachte 1] uit het voorportaal van de toiletruimte gehaald en tegen hem wordt gezegd dat hij geld moet gaan regelen omdat hij er anders in het bos wel aan zal gaan.

[Slachtoffer 1] wordt vervolgens naar de toiletruimte gebracht en daar vastgebonden op de stoel van [Slachtoffer 4] gezet. Als [Verdachte 3] even later terugkeert en ziet dat [Slachtoffer 6], die naast [Slachtoffer 1] zit, probeert de tape rond de polsen van [Slachtoffer 1] los te maken, wordt hij woedend. Er volgt een woordenwisseling tussen [Slachtoffer 1] en [Verdachte 3]. [Verdachte 3] en [Verdachte 2] staan op dat moment samen in de deuropening van het voorportaal. [Slachtoffer 1] wordt beschoten met de MP5 en vrijwel direct daarna volgt een salvo schoten op de slachtoffers in het voorportaal met de MP5. Ook [Slachtoffer 3] en [Slachtoffer 7] worden daarbij geraakt.

Een aantal getuigen stelt met meer of minder zekerheid gezien te hebben dat [Verdachte 3] heeft geschoten. De rechtbank kan om die reden niet geheel uitsluiten dat [Verdachte 3] inderdaad de schutter is geweest. Zij acht echter het meest aannemelijk dat [Verdachte 2] deze schoten heeft gelost. De rechtbank hecht in dit verband veel waarde aan de getuigenverklaring van [Slachtoffer 4], die verklaart dat hij heeft gezien dat [Verdachte 2] deze schoten afvuurde, terwijl [Verdachte 3] de toegangsdeur naar de toiletruimte open hield.

Ook in een op 21 november 2005 opgenomen telefoongesprek met een derde wijst [Slachtoffer 4] [Verdachte 2] (alias "Slow") aan als schutter. De rechtbank gaat er vanuit dat [Slachtoffer 4] zich ten tijde van het eerste salvo in de eetruimte bevond en dus goed kon zien wie er schoot. De waarneming van de getuigen die zich in de toiletruimte bevonden, zal sterk beïnvloed zijn door angst en doordat zij zich - zoals meerdere getuigen verklaren - meteen lieten vallen. Bovendien heeft de rechtbank, gelet op de getuigenverklaringen, geen reden om aan te nemen dat de MP5 tot en met het eerste salvo in andere handen dan die van [Verdachte 2] is geweest. [Verdachte 2] heeft hierover niets willen verklaren. Ten slotte acht de rechtbank van belang dat [Slachtoffer 4] kort voor het eerste salvo [Verdachte 3] heeft horen zeggen: "Het is afgelopen, schiet hem in zijn hoofd" en "Kom schiet hem gelijk". Dergelijke aansporingen of opdrachten duiden er op dat niet [Verdachte 3], maar [Verdachte 2] op dat moment geschoten heeft.

[Slachtoffer 5] hoort één van de verdachten zeggen: "Kijk wie er nog leven" en [Slachtoffer 8] hoort twee van de verdachten vragen of iedereen dood is.

Na het eerste salvo heeft hoogstwaarschijnlijk [Verdachte 2] de Brito de MP5 op de bar gelegd. Na korte tijd pakt [naam] de MP5. Daarbij zegt hij volgens [Slachtoffer 4] en [Slachtoffer 5] woorden als: "Geef mij dat ding, ik wil ook even schieten". [naam] loopt vervolgens met de MP5 naar de toiletruimte en lost een tweede salvo schoten op de daar aanwezige slachtoffers. Naar alle waarschijnlijkheid is [Slachtoffer 10] bij dit tweede salvo geraakt. Na het tweede salvo schoten hoort [Slachtoffer 4] [naam] zeggen: "Die mensen willen niet dood, ik zie ze nog bewegen".

[Verdachte 1] en [naam] hebben vervolgens een brandbare vloeistof in het café gesprenkeld. [Verdachte 1] vraagt daarbij om een aansteker en vuur. Als [naam], nog steeds gewapend met de MP5, in de keuken naar een aansteker gaat zoeken, ziet hij daar [Slachtoffer 2]. Er worden twee schoten gelost en naar het oordeel van de rechtbank heeft [naam] op dát moment [Slachtoffer 2] met de MP5 door het hoofd geschoten. Volgens [Verdachte 1] zegt [naam] dan nog: "die Hollander waren we vergeten".

De verdachten hebben vervolgens brand gesticht in het café.

Als de verdachten het café willen verlaten ziet [Slachtoffer 4] kans om naar buiten te vluchten. Hij wordt achtervolgd door [naam] en [Verdachte 3] en door [naam] beschoten met een handvuurwapen, kaliber 6.35 mm.

Als de politie ter plaatse komt, treft zij [Slachtoffer 7] zwaargewond aan. Zij is door [Slachtoffer 5] en [Slachtoffer 10] naar buiten gedragen. Er wordt nog getracht [Slachtoffer 3], die ook door [Slachtoffer 10] naar buiten is gedragen, te reanimeren, maar die poging wordt na een aantal minuten gestaakt; [Slachtoffer 3] is overleden. Bij zowel [Slachtoffer 1] als [Slachtoffer 2] voelt één van de verbalisanten aanvankelijk nog een hartslag bij de pols, maar bij een tweede poging om deze slachtoffers uit het brandende café te halen wordt bij geen van beiden meer een polsslag gevoeld.

Juridische duiding

De rechtbank zal nu de feiten juridisch duiden.

Allereerst moet de vraag worden beantwoord of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de schutters op de verschillende schietmomenten met voorbedachten rade hebben gehandeld toen op de slachtoffers werd geschoten.

In dit verband is van belang dat alle verdachten zwaar bewapend naar Inn & Out zijn gegaan. De verdachten hebben de daar aanwezigen, nadat zij hen hadden vastgebonden en hun monden hadden afgeplakt, herhaaldelijk met de dood bedreigd. De verdachte heeft vele malen en met zoveel woorden gezegd dat er geen getuigen in leven zouden worden gelaten. Aan de slachtoffers is een laatste sigaret en drankje aangeboden en ze zijn besprenkeld met brandbare vloeistof waarbij tegen hen is gezegd dat de tent zou worden afgebrand met de slachtoffers erbij. De verdachte heeft, terwijl [Verdachte 2] met de MP5 naast hem stond, gezegd: "ik ben het zat, schiet hem neer". Vervolgens is het eerste salvo schoten in de toiletruimte gelost. Dit salvo lag geheel in lijn met de eerdere doodsbedreigingen. De schutter - waarschijnlijk [Verdachte 2] - heeft tevoren ruimschoots de gelegenheid gehad om zich te beraden. Ook na de door [Verdachte 3] geuite aansporingen had hij nog de keus om wel of niet de trekker over te halen. Het kan dan ook niet anders dan dat hij deze schoten na kalm beraad en rustig overleg heeft afgevuurd. Hij heeft, om het anders te zeggen, de daad bij het woord gevoegd.

Als er van wordt uitgegaan dat [Verdachte 3] heeft geschoten, dan heeft hij dit gedaan na kalm beraad en rustig overleg, ter uitvoering van de dreigementen die hij eerder zelf had geuit.

Ook de andere schoten, te weten het tweede salvo in te toiletruimte, de schoten op [Slachtoffer 2] in de keuken en het schieten op [Slachtoffer 4] buiten lagen geheel in lijn met de aankondiging dat geen getuigen in leven zouden worden gelaten.

Hierbij heeft te gelden dat die betreffende schutter ([naam]) nog meer tijd en gelegenheid heeft gehad om zich te beraden. Ook zijn uitlating: "laat mij ook even schieten" wijst er op dat hij het tweede salvo na kalm beraad en rustig overleg heeft gelost.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de verdachte heeft gehandeld in nauwe en bewuste samenwerking met de schutters, met andere woorden of hij kan worden aangemerkt als medepleger.

Daarbij stelt de rechtbank vast dat de verdachten die niet hebben geschoten, zich gelet op alles wat daaraan vooraf was gegaan, niet overvallen hebben kunnen voelen door het schieten. Zoals eerder aangehaald waren alle verdachten zwaar bewapend en hebben meerdere verdachten aangekondigd dat de vastgebonden slachtoffers zouden worden doodgeschoten. De verdachte heeft herhaaldelijk en duidelijk gezegd dat er geen getuigen in leven zouden worden gelaten. De slachtoffers zijn overgoten met brandbare vloeistof, waarbij is gezegd dat zij in brand zouden worden gestoken. [Verdachte 1] heeft vóór het eerste salvo gezegd: "Ik ga weg, want ze gaan straks schieten". Ook werd op dat moment gezegd: "We klaren ze gewoon allemaal". Gelet op de verklaringen van de slachtoffers blijkt voorts op geen enkele manier dat de verdachte zich op enigerlei wijze heeft gedistantieerd van het woordelijke en lichamelijke geweld dat zijn mededaders hebben gebruikt. Integendeel, hij heeft juist een belangrijke bijdrage geleverd aan de bedreigingen en geweldshandelingen.

Uit de gedragingen van de verdachten na het eerste salvo schoten kan bovendien worden afgeleid dat zij allemaal achteraf met het schieten hebben ingestemd, dan wel dat zij zich daar in ieder geval aan hebben geconformeerd. Voor de rechtbank staat, mede gelet op de verklaring van [Slachtoffer 4], vast dat alle verdachten bij het afvuren van het eerste salvo in de directe nabijheid waren. Ieder van hen moet de schoten hebben gehoord. Niemand van hen verlaat hierop het café. Niemand zegt het niet eens te zijn met het gericht schieten op mensen, of doet iets waaruit dat blijkt. Nergens blijkt uit dat één van de verdachten ook maar heeft geprobeerd zich te onttrekken aan de situatie, die steeds verder escaleerde. Zij hebben allen bijgedragen aan die escalatie door het uiten van dreigementen en het plegen van geweld. De verdachte houdt [naam] niet tegen wanneer die, één tot enkele minuten na het eerste salvo, zegt: "ik ga ook even schieten", de MP5 pakt en nog een salvo schoten op de slachtoffers lost.

Niemand verricht levensreddende handelingen. Integendeel: [Verdachte 1] en [naam] stichten brand in Inn & Out - in het verlengde van het eerder geuite voornemen om niemand in leven te laten of wellicht in een poging om sporen uit te wissen - en [Verdachte 3] en [Verdachte 2] houden hen niet tegen. De rechtbank stelt dan ook vast dat de verdachten - hoewel zij daartoe meer dan voldoende gelegenheid hebben gehad - zich op geen enkele wijze hebben gedistantieerd van elkaars handelingen. De verdachten verlaten het café pas wanneer zij in de veronderstelling verkeren dat alle slachtoffers (op [Slachtoffer 4] na, die buiten wordt beschoten) dood zijn of ten gevolge van de brandstichting alsnog zullen sterven. De verdachten nemen bij hun vertrek de waardevolle spullen en geldbedragen mee die zij op de slachtoffers hebben buitgemaakt en gebruiken deze buit voor de gezamenlijke vlucht naar Portugal.

De rechtbank is gelet op het bovenstaande van oordeel dat de verdachte, voor zover hij niet zelf heeft geschoten, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een mededader de daad bij het woord zou voegen en op de slachtoffers zou gaan schieten. Temeer nu het de verdachte is geweest die naar het oordeel van de rechtbank [Verdachte 2] heeft aangespoord tot schieten.

Ook voor de moord op [Slachtoffer 2] en de poging tot moord op [Slachtoffer 4] zijn alle verdachten, dus ook [Verdachte 3], strafrechtelijk aansprakelijk. Dit geweld lag immers evenzeer in lijn van de eerdere moorden op [Slachtoffer 1] en [Slachtoffer 3] en van het meermalen geuite voornemen om niemand in leven te laten.

Alle verdachten hebben in bewuste en nauwe samenwerking een geweldsspiraal ontketend, die welhaast móést leiden tot dodelijk geweld, tot de moord op [Slachtoffer 1], [Slachtoffer 3] en [Slachtoffer 2] en de pogingen moord op de andere slachtoffers. De verdachten hebben het gezamenlijk plan om alle aanwezigen te vermoorden tijdens de bewuste nacht gaandeweg ontwikkeld en hebben allen meegewerkt aan de uitvoering ervan.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat (ook) de verdachte de moorden op [Slachtoffer 1], [Slachtoffer 3] en [Slachtoffer 2] en de pogingen tot moord op de andere slachtoffers heeft medegepleegd.

Gelet op het voorgaande moeten de verweren, die namens de verdachte zijn aangevoerd, worden verworpen.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

Dagvaarding met parketnummer 10/640187-05:

1. medeplegen van moord, meermalen gepleegd;

2. medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd;

3. medeplegen van poging tot moord;

Dagvaarding met parketnummer 10/642298-07:

1. medeplegen van gijzeling, meermalen gepleegd;

2. medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Wat een verrassingsfeestje had moeten worden voor de op 18 november 2005 34 jaar oud geworden [Slachtoffer 1], mondt in de nacht van 19 november 2005 uit in een vreselijk drama. Rond de klok van 02.00 uur komen vier mannen, waaronder de drie verdachten, café Inn & Out binnen, de plek waar het feestje werd gehouden.

Gedurende ruim twee uur worden negen mensen vastgehouden - hun handen vastgebonden en hun monden afgeplakt - in het kleine voorportaal van de toiletten van het café. De slachtoffers wordt op alle mogelijke manieren voorgehouden dat hun laatste uur heeft geslagen indien er (door [Slachtoffer 1]) niet snel geld geregeld wordt. Uit de in scène gezette liquidatie van [Slachtoffer 2], het besprenkelen van de slachtoffers met brandbare vloeistof, het daarbij vragen om een aansteker en het aanbieden van een laatste sigaretje en drankje spreekt de intensiteit van de vele doodsbedreigingen aan het adres van de willekeurige en weerloos gemaakte slachtoffers.

Niet lang nadat [Slachtoffer 1], van en via wie geen geld lijkt te komen, is gekneveld en op de plaats van [Slachtoffer 4] in het voorportaal is gezet, valt het eerste schot waardoor [Slachtoffer 1] wordt geraakt. Het schot wordt gevolgd door een eerste salvo schoten met de MP5-mitrailleur op de dicht op elkaar zittende slachtoffers in het voorportaal en op een afstand van niet meer dan één meter. De slachtoffers vallen over elkaar heen en sommigen voelen het bloed van degenen die zijn geraakt over hun gezicht en/of kleding lopen. De slachtoffers die niet (dodelijk) zijn geraakt houden zich dood en na één tot enkele minuten volgt een tweede salvo schoten, even later gevolgd door twee schoten in de keuken en de schoten buiten op de vluchtende [Slachtoffer 4].

Pas minuten nadat de verdachten het café hebben verlaten en wanneer een brandlucht het voorportaal van de toiletten binnendringt, durft één van de slachtoffers die daartoe nog in staat is ([Slachtoffer 10]) op te staan en hulp te gaan halen.

Hoe immens de paniek bij de slachtoffers moet zijn geweest, blijkt wel uit het feit dat [Slachtoffer 10] op dat moment in staat is geweest het dichte rolluik bij de achterdeur te forceren, over een hoge stenen schutting te klimmen en vervolgens dwars door twee houten schuttingen te rennen op zoek naar hulp. Eén slachtoffer wist zich bij het arriveren van de politie niet eens meer naam en adres te herinneren en over drie van de andere aangetroffen slachtoffers wordt gezegd dat zij apathisch leken en in een kennelijke staat van shock verkeerden.

De hiervoor (bij de vaststelling van de feiten) reeds geschetste gang van zaken tart elk voorstellingsvermogen, waarbij woorden als bizar, barbaars en weerzinwekkend nog te kort schieten. De verdachten hebben hun slachtoffers ruim twee en een half uur van hun vrijheid beroofd gehouden om zodoende (via [Slachtoffer 1]) geld los te krijgen. Gedurende al die tijd hebben de verdachten vele malen gedreigd hun slachtoffers te doden, hetgeen uiteindelijk ook is geprobeerd. In drie gevallen is dit helaas gelukt en in één geval heeft het tot blijvende invaliditeit van het slachtoffer geleid. De verdachten hebben zich daarmee (onder meer) schuldig gemaakt aan moord op drie personen en meerdere pogingen daartoe op degenen die de beide kogelregens hebben overleefd.

Het opzettelijk en met voorbedachten rade benemen van het leven van een ander behoort tot de zwaarste categorie strafbare feiten die de wet kent. Dat het hier gaat om drie dodelijke slachtoffers, met twee waarvan de verdachten geen enkele relatie hadden en die zij ook nog eens volstrekt hulpeloos hadden gemaakt door hen vast te binden en in een kleine ruimte bij elkaar te zetten, maakt dat de impact die deze feiten op de samenleving hebben gehad (en nog steeds hebben), enorm is. Zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaringen die ter zitting zijn voorgedragen en voorgelezen, zullen de overlevenden naar alle waarschijnlijkheid nog vele jaren, zo niet hun verdere leven, lijden onder de psychische en lichamelijke gevolgen van het geweld dat de verdachten hebben gepleegd. De nabestaanden van de dodelijke slachtoffers zullen verder moeten leven met de wetenschap dat hun naasten als gevolg van bruut en zinloos geweld zijn omgekomen.

De verdachte schuwt gelet op het voorgaande geweld en het daarbij gebruik maken van vuurwapens kennelijk niet. Dit blijkt ook uit zijn strafblad.

De verdachte is blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 22 februari 2006 eerder veroordeeld, onder meer tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk ter zake van bedreiging met een vuurwapen en zware mishandeling.

Door zijn optreden in de nacht van 19 november 2005 heeft hij tevens laten blijken er niet voor terug te deinzen volstrekt willekeurige slachtoffers te doden.

Bij het bepalen van de op te leggen straf acht de rechtbank het niet van belang dat de verdachte waarschijnlijk niet zelf heeft geschoten. De verdachte heeft immers, zoals reeds is overwogen, gehandeld in nauwe en bewuste samenwerking met degenen die wel hebben geschoten.

De rechtbank houdt hem als medepleger evenzeer verantwoordelijk voor de gepleegde feiten als de schutters.

Gelet op al het voorgaande doet alleen een levenslange gevangenisstraf recht aan de feiten zoals die thans bewezen zijn verklaard. Slechts die straf kan een adequate vergelding vormen voor het onherstelbare leed wat de slachtoffers en nabestaanden is aangedaan en kan dienen tot vereffening van de schade die de verdachte door de bewezenverklaarde feiten aan de rechtsorde hebben toegebracht. Daarnaast maakt ook een effectieve bescherming van de samenleving tegen deze verdachte een levenslange gevangenisstraf noodzakelijk.

VORDERINGEN BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Namens de verdachte zijn de vorderingen van de benadeelde partijen niet betwist. De rechtbank heeft echter ambtshalve de vorderingen getoetst en komt daarbij tot de navolgende beslissingen.

Benadeelde partij [Nabestaande/Benadeelde partij 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [Nabestaande/Benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], ter zake van feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 5.514,09, waaronder € 1.465,85 aan advocaatkosten.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet heeft betwist, zal de vordering als voorschot worden toegewezen tot een bedrag van € 3.516,24.

De rechtbank matigt de gevraagde schadevergoeding voor de post 'telefoonkosten' (gelet ook op de op dit punt door de overige benadeelde partijen gevorderde en toe te wijzen bedragen), tot een bedrag van € 100,-. Voor het overige gedeelte van deze post zal de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk worden verklaard, nu niet onwaarschijnlijk is dat terzake nog bewijsmateriaal kan worden geproduceerd.

In het verlengde van het door de benadeelde partij laten vervallen van de post 'overnachting hotel Rotterdam' in verband met het vervallen van een zittingsdag, zal de rechtbank de gevorderde reiskosten voor die dag ad. € 32,- in mindering brengen op het toe te wijzen bedrag van de post 'reiskosten [woonplaats]-Rotterdam'. Dit gedeelte van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij nagenoeg geheel zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden volgens het in het civiele procesrecht geldende liquidatietarief begroot op € 540,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken. De overige gevorderde advocaatkosten zullen worden afgewezen.

Benadeelde partij [Nabestaande/Benadeelde partij 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [Nabestaande/Benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], ter zake van feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 4.336,45.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet heeft betwist, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [Slachtoffer 4]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [Slachtoffer 4], wonende te [woonplaats], ter zake van feit 3 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05 en feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/642296-07. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 2.267,50 en immateriële schade tot een bedrag van voorlopig € 3.500,-.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de onder 3 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05 en 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/642296-07 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet heeft betwist, zal de vordering als voorschot worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [Slachtoffer 5]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [Slachtoffer 5], wonende te [woonplaats], ter zake van feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05 en feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/642296-07. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 800,- en immateriële schade tot een bedrag van voorlopig € 4.000,-.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de onder 2 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05 en onder 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/642296-07 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet heeft betwist, zal de vordering als voorschot worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [Slachtoffer 6]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [Slachtoffer 6], wonende te [woonplaats], ter zake van feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05 en feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/642296-07. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 907,50 en immateriële schade tot een bedrag van voorlopig € 4.000,-.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de onder 2 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05 en onder 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/642296-07 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet heeft betwist, zal de vordering als voorschot worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [Slachtoffer 7]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [Slachtoffer 7], domicilie kiezende te Rotterdam, ter zake van feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05 en feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/642296-07. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 11.195,- en immateriële schade tot een bedrag van voorlopig € 30.000,-.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de onder 2 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05 en onder 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/642296-07 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet heeft betwist, zal de vordering als voorschot worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Benadeelde partij [Slachtoffer 8]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [Slachtoffer 8], wonende te [woonplaats], ter zake van feit 2 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05 en feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/642296-07. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 320,- en immateriële schade tot een bedrag van voorlopig € 3000,-.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de onder 2 op de dagvaarding met parketnummer 10/640178-05 en onder 1 op de dagvaarding met parketnummer 10/642296-07 bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht en de verdachte de hoogte van de gevorderde schadevergoeding niet heeft betwist, zal de vordering als voorschot worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Maatregel 36f

Tevens wordt voor elk van de hiervoor vermelde vorderingen oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

Gelet op de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf zal de rechtbank de vervangende hechtenis daarbij telkens vaststellen op één dag.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 282, 282a en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart bewezen, dat de verdachte de op de dagvaarding met parketnummer 10/640187-05 onder 1 primair, 2 primair en 3 primair tenlastegelegde feiten en de op de dagvaarding met parketnummer 10/642298-07 onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een levenslange gevangenisstraf;

- verklaart de benadeelde partij [Nabestaande/Benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering voor wat betreft een gedeelte ad. € 500,- van de post 'telefoonkosten' en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

- wijst af een gedeelte ad. € 32,- van de door de benadeelde partij gevorderde post 'reiskosten [woonplaats]-Rotterdam';

- wijst de vordering van de benadeelde partij als voorschot toe tot een bedrag van

€ 3.516,24 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [Nabestaande/Benadeelde partij 1], wonende te [woonplaats], te betalen;

- bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 540,-, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 3.516,24 (zegge: drieduizend vijfhonderd zestien euro en vierentwintig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [Nabestaande/Benadeelde partij 2] toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [Nabestaande/Benadeelde partij 2], wonende te [woonplaats], te betalen € 4.336,45;

- bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 4.336,45 (zegge: vierduizend driehonderd zesendertig euro en vijfenveertig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 4] als voorschot toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [Slachtoffer 4], wonende te [woonplaats], te betalen € 5.767,50;

- bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 5.767,50 (zegge: vijfduizend zevenhonderd zevenenzestig euro en vijftig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 5] als voorschot toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [Slachtoffer 5], wonende te [woonplaats], te betalen € 4.800,-;

- bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 4.800,- (zegge: vierduizend achthonderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 6] als voorschot toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [Slachtoffer 6], wonende te [woonplaats], te betalen € 4.907,50;

- bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 4.907,50 (zegge: vierduizend negenhonderdenzeven euro en vijftig eurocent), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 7] als voorschot toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [Slachtoffer 7], domicilie kiezende te Rotterdam, te betalen € 41.195,-;

- bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 41.195,- (zegge: éénenveertigduizend honderdvijfennegentig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [Slachtoffer 8] als voorschot toe en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [Slachtoffer 8], wonende te [woonplaats], te betalen € 3.320,-;

- bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 3.320,- (zegge: drieduizend driehonderdtwintig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van der Kolk, voorzitter,

en mrs. Buizer en Havik, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Gijzen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juli 2007.