Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB0280

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
286578 HA RK 07-118
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer : 286578

Rekestnummer : HA RK 07-118

Uitspraak : 20 juli 2007

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [adres en woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: H. Zijlstra, Zijlstra Juridisch Advies Buro te Zoetermeer,

strekkende tot wraking van [de rechter], kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht (hierna: “de rechter”).

1. Het procesverloop en de processtukken

Bij beschikking d.d. 26 april 2007 heeft [rechter 1], kinderrechter te Rotterdam, de behandeling van het verzoek van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering met kenmerk 268308 / J2 RK 06-964, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing van [het kind], het minderjarige kind van verzoeker en [de moeder], aangehouden tot 26 juni 2007 te 11.00 uur, alwaar de zaak. behoudens onvoorziene omstandigheden, zou worden behandeld door de rechter.

Op 8 juni 2007 is ter griffie van de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht, het verzoek ontvangen van de Raad voor de Kinderbescherming om verzoeker gedwongen te ontheffen van het ouderlijk gezag over [het kind]. De mondelinge behandeling van dit verzoek met kenmerk 285694 / F2 RK 07-1276 is eveneens bepaald op 26 juni 2007 te 11.00 uur.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van deze verzoeken heeft de gemachtigde van verzoeker de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van de griffiedossiers van de hiervoor genoemde verzoekschriftprocedures.

Verzoeker, zijn gemachtigde, de rechter, [de moeder], de gezinsvoogdes [medewerker 1], [medewerker 2] van de Raad voor de Kinderbescherming en het Bureau Jeugdzorg te Rotterdam zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld.

Verzoeker, zijn gemachtigde, alsmede de rechter zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij brief d.d. 6 juli 2007.

Behalve de hiervoor genoemde stukken heeft de wrakingskamer nog kennis genomen van het faxbericht van de gemachtigde van verzoeker d.d. 12 juli 2007, waarin hij een toelichting geeft op het wrakingsverzoek en mededeelt om dringende redenen niet ter zitting aanwezig te kunnen zijn.

Ter zitting van 13 juli 2007, alwaar de gedane wraking is behandeld, is niemand verschenen.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

In het proces-verbaal van de zitting van 26 juni 2007 ontbreken wederom cruciale uitspraken van de rechter. In het proces-verbaal is niet opgenomen dat de rechter heeft aangegeven dat een stuk, waarop de gemachtigde van verzoeker zich heeft willen beroepen, niet van toepassing was in de procedure. Dit komt de onpartijdigheid en onafhankelijkheid niet ten goede.

2.1.2

De rechter heeft voorafgaand aan de zitting besloten dat de partner van verzoeker niet bij de behandeling aanwezig mocht zijn. Dit dient eerst na de opening van de zitting te worden bepaald, omdat de partner van verzoeker op grond van artikel 802 Rv een verklaring zou kunnen afleggen die van betekenis zou kunnen zijn voor de beoordeling van de zaak. Door voorafgaand aan de zitting al te besluiten dat de partner van verzoeker geen belanghebbende is, zonder een afweging te maken omtrent de mogelijkheid van een zodanige verklaring, heeft de rechter blijk gegegeven van vooringenomenheid.

Uit het oogpunt van hoor en wederhoor is het van belang dat procespartijen voldoende inbreng hebben gehad. De partner van verzoeker staat in een familierechtelijke band met [het kind]. In de onderzoeken en rapportages hebben de instanties de partner volledig meegenomen, waardoor de partner van verzoeker als belanghebbende zou kunnen worden aangemerkt. Omdat de rechter al deze feiten niet heeft meegewogen, is bij verzoeker een gerechtvaardigde vrees ontstaan dat de rechter partijdig is.

2.1.3

Voorts kan getwijfeld worden aan de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter omdat zij, zo blijkt uit het proces-verbaal dat na de zitting is opgemaakt, twee zaken heeft gevoegd zonder dat de gemachtigde of verzoeker daarvan op de hoogte zijn gesteld. Conform de oproep bestond de zitting uit één zaak; slechts het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zou worden behandeld.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de - beweerdelijk - bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

3.4

Het is aan de rechter om de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 26 juni 2007 vast te stellen. Niet gebleken is dat het proces-verbaal zodanige omissies bevat dat het standpunt van verzoeker daaruit onvoldoende kan worden afgeleid of dat verzoeker op een andere wijze in zijn belangen is geschaad. Dit onderdeel van het verzoek leidt dan ook niet tot het oordeel dat sprake is van een gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.

3.5

Op grond van artikel 798 Rv beslist de rechter wie als rechtstreek belanghebbende in zaken, zoals de twee zaken die dienden op 26 juni 2007, moet worden aangemerkt. Het enkele feit dat de rechter heeft beslist dat de partner van verzoeker niet als belanghebbende in die procedures kan worden aangemerkt, levert dan ook geen zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat een bij verzoeker eventueel bestaande vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

3.6

Uit de griffiedossiers blijkt dat de brief aan verzoeker, waarin wordt gemeld dat de behandeling van het op 8 juni 2007 door de Raad voor de Kinderbescherming ingediende verzoek (met kenmerk 285694 / F2 RK 07-1276) eveneens op 26 juni 2007 zou plaatsvinden, aangetekend is verzonden naar het adres [adres en woonplaats]. Deze oproep is een dag na de behandeling, op 27 juni 2007, retour gekomen ter griffie van de sector civiel recht met het stempel van TNT Post “vertrokken/onbewoond”.

Aannemelijk is dat de rechter er ten tijde van de behandeling op 26 juni 2007 dan ook niet mee bekend was dat voornoemde oproep verzoeker niet had bereikt en dat verzoeker daarom niet op de hoogte was van de gelijktijdige behandeling van het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming. Bovendien blijkt uit het proces-verbaal dat er geen gelegenheid is geweest om inhoudelijk over de zaken te praten, omdat de rechter bij de aanvang van de zitting al werd gewraakt wegens het niet toelaten van de partner van verzoeker tot de zitting. Er is dus geen gelegenheid geweest om te bespreken welke zaken zouden worden behandeld. Het feit dat in het proces-verbaal van de zitting van 26 juni 2007 beide procedures worden vermeld, kan dan ook niet leiden tot het oordeel dat een bij verzoeker eventueel bestaande vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

Ten overvloede wordt overwogen dat verzoeker, hoewel hij niet op de hoogte was dat beide verzoeken die dag behandeld zouden worden, niet in enig belang is geschaad, nu beide verzoeken vanwege het wrakingsverzoek niet inhoudelijk zijn behandeld ter zitting van

26 juni 2007.

3.7

Het verzoek is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

3.8

Inmiddels zijn er vanaf september 2006 meerdere zittingen bepaald teneinde tot een inhoudelijke behandeling te komen van het verzoek van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering met kenmerk 268308 / J2 RK 06-964. Telkenmale is het niet tot (een afronding) van die behandeling kunnen komen, omdat verzoeker tot op heden tot driemaal toe de wraking van de behandelend rechter heeft verzocht.

Het eerste wrakingsverzoek is dan wel gegrond verklaard, maar de twee volgende verzoeken zijn afgewezen. In die twee gevallen heeft verzoeker ten aanzien van de behandelende rechters aan het begin van de zitting, voordat aan een inhoudelijke behandeling werd toegekomen, en zelfs voordat de zitting was aangevangen een wrakingsverzoek ingediend. De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat er aan de zijde van verzoeker sprake is van misbruik van het middel wraking, als bedoeld in artikel 39 lid 4 Rv.

Op grond van artikel 6 EVRM dient binnen een redelijke termijn een beslissing op een verzoek te worden genomen. Voorts is het in het belang van de minderjarige [het kind] dat zo spoedig mogelijk een beslissing in beide verzoekschriftprocedures wordt genomen. Een volgend verzoek tot wraking in beide procedures wordt derhalve niet in behandeling genomen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van [de rechter].

bepaalt dat een volgend verzoek van verzoeker tot wraking van de behandelend rechter niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven op 27 juli 2007 door mr. H.L. de Gruijl-van Benthem, voorzitter, mr. S.W. Kuip en mr. L.A.C. van Nifterick, rechters. Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van mr. K. Aagaard, griffier.

Verzonden op:

aan:

-

-

-

-