Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BB0275

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-07-2007
Datum publicatie
24-07-2007
Zaaknummer
253338 / HA ZA 06-99
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Strijd met goede procesorde door groot aantal producties zonder toelichting in het geding te brengen. Huurrelatie tussen partijen is niet komen vast te staan. Geen onrechtmatige daad verhuurder jegens feitelijk gebruiker bedrijfsruimte wegens profiteren wanprestatie. Verhuurder heeft zich immers altijd verzet tegen indeplaatsstelling door gebruiker.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak: 11 juli 2007

VONNIS VAN DE RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Civiel Recht

inzake:

de besloten vennootschap

TED’S GRINDVLOEREN B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres in conventie bij dagvaarding d.d. 21 december 2005,

verweerster in reconventie,

procureur: mr. A.T. Bol,

advocaat: mr. W.G.H. van de Wetering,

t e g e n :

de besloten vennootschap

[Y] EXPLOITATIE EN BEHEER B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur: mr. J.H.A.M. Scheiffers,

advocaat: mr. J.A.A. Diederen.

Partijen worden respectievelijk aangeduid als “Ted’s B.V.” en “[Y]”, tenzij anders wordt vermeld.

1. De procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

1. dagvaarding met producties,

2. conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties,

3. tussenvonnis d.d. 5 april 2006,

4. akte overlegging producties ter comparitie van

5. proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 7 september 2006,

6. conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie met producties,

7. conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie met producties.

Ted’s B.V. heeft afgezien van de conclusie van dupliek in reconventie.

Deze procedure is gevoegd met de procedure met nummer 253339. Daarin wordt heden ook vonnis gewezen.

2. De vaststaande feiten

Tussen [Y] als verhuurder en de vennootschap onder firma Ted’s Grinthandel (verder te noemen: “Ted’s v.o.f.”) als huurster is op 12 november 1999 een huurovereenkomst tot stand gekomen betreffende de bedrijfsruimte aan de Jac. Dutilhweg 193-205 te Rotterdam. De heer [X] en mevrouw [X] zijn de vennoten van Ted’s v.o.f.

Bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam, Sector Kanton, d.d. 18 december 2003 is het verzoek van Ted’s v.o.f., strekkende tot indeplaatsstelling van de v.o.f. J&H Grindhandel, althans een nieuw op te richten vennootschap, als huurster betreffende voormelde bedrijfsruimte, afgewezen. In reconventie heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen [Y] en Ted’s v.o.f. ontbonden. Dit vonnis is in kracht van gewijsde gegaan.

3. De vordering in conventie

3.1. De rechtbank dient voor recht te verklaren dat [Y] onrechtmatig jegens Ted’s B.V. heeft gehandeld en dus schadeplichtig is. Voorts wordt gevorderd dat [Y] wordt veroordeeld tot vergoeding van de door Ted’s B.V. ondervonden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge de wet.

3.2. Hieraan legt Ted’s B.V. in de dagvaarding de volgende, kort en zakelijk weer te geven, stellingen ten grondslag. Zij is sedert einde 2001 de “feitelijk huurster” van voormelde bedrijfsruimte. Zij exploiteerde daarin een groothandel in grindvloeren, kurkpakket en laminaat. Zij betaalde de huur aan [Y] die van haar feitelijk gebruik afwist. [Y] heeft dan ook nooit, voormeld vonnis van de kantonrechter ten spijt, op ontruiming aangedrongen en deze heeft ook nooit plaatsgevonden.

3.3. In de periode tussen 19 november 2005 en 22 november 2005 is de groothandel door “[X]” leeggehaald. [Y] heeft hem kennelijk de toegang verschaft. Ted’s B.V. heeft hiervan aangifte bij de politie gedaan.

3.4. [Y] is hierdoor uit hoofde van de feitelijke huurrelatie jegens Ted’s B.V. te kort geschoten, althans heeft zij jegens haar onrechtmatig gehandeld. [Y] maakt willens en wetens gebruik van de toerekenbare tekortkoming van Ted’s v.o.f. jegens haar. Zij begroot de schade op circa €. 400.000,--, met name nu zij haar bedrijf niet meer kan exploiteren.

3.5. Bij repliek voert Ted’s B.V. verder aan dat alleen de heer [Y], naast haar medewerkers, over een sleutel beschikte zodat hij wel degene moet zijn geweest die de deur heeft geopend. Daarna is de ruimte vol gezet met handelswaar van [Y]. [Y] is met Ted’s v.o.f. gaan samenspannen, zodat partijen het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter hebben geroyeerd. In dat kader hebben zij kennelijk ook afgesproken dat het gehuurde zou worden ontruimd. [X] gebruikte het gehuurde niet zelf meer, hetgeen [Y] wist.

4. Het verweer in conventie

4.1. [Y] concludeert dat de vordering van Ted’s B.V. dient te worden afgewezen. Kort en zakelijk weergegeven voert zij daartoe het volgende aan. Zij is met haar huurder Ted’s v.o.f. een minnelijke regeling overeengekomen op 21 november 2005, inhoudende dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd en dat het gehuurde leeg ter beschikking komt. Zij heeft geen handelingen verricht met betrekking tot de uitvoering van deze afspraak. De schade wordt betwist.

4.2. Nooit heeft [Y] zich zodanig gedragen dat Ted’s B.V. daaruit kon afleiden dat er tussen hen “feitelijk” een huurovereenkomst tot stand is gekomen. [Y] wijst erop dat zij altijd Ted’s v.o.f. heeft gefactureerd en zij heeft in de procedure bij de kantonrechter in reconventie juist met succes verweer gevoerd, zodanig dat Ted’s B.V. niet haar huurder zou worden.

4.3. Bij dupliek voert [Y] nog aan dat meerdere personen de sleutel hadden. Bovendien heeft de heer [X] bij brief bevestigd dat hij het slot heeft uitgeboord. In het proces-verbaal van aangifte zegt Ted’s B.V. zelf dat [X] de spullen heeft weggehaald, want “hij vind ook dat de spullen van hem zijn.”

4.4. [Y] zegt voorts dat Ted’s B.V. zich niet kan beroepen op de vele processtukken uit andere procedures die hij bij repliek in het geding heeft gebracht. Ted’s B.V. was immers geen partij bij deze procedures.

5. De vordering in reconventie

Deze strekt ertoe dat het door Ted’s B.V. ten laste van [Y] gelegde conservatoire beslag wordt opgeheven en dat zij wordt veroordeeld een bedrag van €. 225,00 aan kosten betreffende dit beslag aan [Y] te vergoeden.

Hieraan legt [Y] ten grondslag dat de conventionele vordering dient te worden afgewezen, zodat er ook geen grond is voor het handhaven van het beslag.

6. Het verweer in reconventie

Dit strekt ertoe dat de vordering wordt afgewezen, nu de vordering van Ted’s B.V. in conventie dient te worden toegewezen.

7. De beoordeling

7.1. Door Ted’s B.V. wordt bij repliek in conventie een dik pakket producties overgelegd. In deze conclusie wordt hierover het volgende gesteld (pagina 3):

“… Maar ook uit de conclusie van antwoord van [Y] blijkt van diens betrokkenheid bij de ontruiming. Om dit in te zien is kennis van de voorgeschiedenis noodzakelijk, in verband waarmee eiseres als productie 3 overlegt:…”

7.2. Vervolgens worden acht processtukken uit andere procedures (waarin Ted’s B.V. overigens geen partij blijkt) met daarbij weer bijlagen in het geding gebracht, met een doorsnee van ruim drie centimeter, waarop in de conclusie nauwelijks tot geen toelichting wordt verstrekt. De rechtbank acht dit in strijd met een goede procesorde. Processtukken dienen zodanig te zijn ingericht dat de tegenpartij en de rechter daaruit kunnen begrijpen welke feiten naar voren worden gebracht en welke rechtsgevolgen deze volgens de indiener van het processtuk zouden moeten hebben, zulks geïllustreerd aan de hand van de producties. De tegenpartij kan dan zijn verweer hierop toespitsen zodat de rechter vervolgens een oordeel kan vormen. Nu dit niet is geschied zal de rechtbank geen acht slaan op deze producties.

7.3. Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een contractuele rechtsverhouding tussen Ted’s B.V. en [Y]. Uit het in kracht van gewijsde gegane vonnis van de kantonrechter blijkt dat [Y] categorisch het standpunt heeft ingenomen dat zij hecht aan de huurovereenkomst met Ted’s v.o.f. Er blijkt ook van andere procedures waarin dit standpunt is ingenomen. Onbetwist is dat [Y] de huurpenningen altijd heeft gefactureerd aan Ted’s v.o.f. Niet is relevant dat [Y], naar aanleiding van het voormelde uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van de kantonrechter, geen stappen tot ontruiming heeft genomen. Immers, er liep een appèlprocedure zodat dergelijke stappen potentieel onrechtmatig zouden kunnen zijn jegens Ted’s v.o.f. terwijl zij bovendien niet is veroordeeld tot ontruiming.

7.4. Niet is gebleken van gedragingen van [Y] waaruit volgt dat zij Ted’s B.V. als huurder heeft beschouwd. Evenmin wordt door Ted’s B.V. enig concreet bewijs hiervan aangeboden. Geoordeeld wordt dat tussen Ted’s B.V. en [Y] geen contractuele relatie heeft bestaan, zodat de vorderingen niet op een toerekenbare tekortkoming kunnen worden gebaseerd.

7.5. Beoordeeld dient te worden of [Y] een onrechtmatige daad heeft begaan. Bij dagvaarding gaat Ted’s B.V. er nog vanuit dat in hoger beroep het voormelde vonnis van de kantonrechter wordt vernietigd en dat zij uiteindelijk als huurder zal hebben te gelden. Bij repliek is Ted’s B.V. inmiddels gebleken dat [Y] en Ted’s v.o.f. tot overeenstemming zijn geraakt, inhoudende dat de appèlprocedure is geroyeerd, met als gevolg dat het vonnis van de kantonrechter onherroepelijk is geworden. Voorts blijken zij te hebben afgesproken dat Ted’s v.o.f. de bedrijfsruimte zou ontruimen, nu zij zijn overeengekomen de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden te beëindigen.

7.6. Ted’s B.V. ontwikkelt daarop de stelling dat een dergelijke overeenstemming niet mogelijk is, omdat de kantonrechter bij vonnis d.d. 18 december 2003 de huurovereenkomst reeds heeft ontbonden. De rechtbank onderschrijft dit niet. Partijen bij een procedure zijn immers vrij om, al dan niet hangende een appèlprocedure, andersluidende afspraken te maken teneinde hun geschil te schikken, behoudens strijd met de openbare orde. Zie artikelen 7:900 e.v. BW. Deze stelling kan Ted’s B.V. dus niet als onderbouwing van haar vordering uit hoofde van onrechtmatige daad gebruiken.

7.7. De vordering op grond van onrechtmatige daad kan enkel worden toegewezen indien [Y] wist dat de overeenstemming met Ted’s v.o.f., strekkende tot royement van de appèlprocedure, beëindiging van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde, schade zou toebrengen aan Ted’s B.V., rekening houdende met alle omstandigheden van het geval.

7.8. Uit de stukken kan worden afgeleid dat [Y] wist dat een andere partij dan Ted’s v.o.f. het gehuurde feitelijk in gebruik had (zie 4.3.4. van voormeld vonnis van de kantonrechter). In die zin wist zij dus dat een dergelijke overeenstemming tot gevolg zou kunnen hebben dat dit gebruik tot een einde zou komen. Echter, overduidelijk is dat [Y] (zie alinea 7.3.) nooit heeft ingestemd met dit gebruik door een derde. Dit is voor haar juist de reden geweest om de kantonrechter te verzoeken de huurovereenkomst met Ted’s v.o.f. te ontbinden. Genoegzaam is gebleken dat Ted’s B.V. van dit standpunt van [Y] op de hoogte was, nu zij immers beoogde in de plaats van Ted’s v.o.f. als huurder te worden gesteld. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat [Y] jegens Ted’s B.V. onrechtmatig heeft gehandeld door met Ted’s v.o.f. een minnelijke regeling aan te gaan. Het is veeleer zo dat Ted’s B.V. het risico heeft genomen de bedrijfsexploitatie te blijven voortzetten in de wetenschap dat om deze reden de huurovereenkomst was ontbonden.

7.9. Ter beoordeling resteert of [Y] zich onrechtmatig heeft gedragen door zelf actief de ontruiming ter hand te hebben genomen. Hiervan kan niet worden uitgegaan. [X] schrijft dat hij het heeft gedaan en uit de aangifte bij de politie volgt dat Ted’s B.V. ook deze mening is toegedaan. [Y] weerlegt gedetailleerd de stellingen van Ted’s B.V. betreffende alarmmeldingen en sleutel, waarop zij onvoldoende reageert. Ted’s B.V. doet geen concreet bewijsaanbod, zodat aan verder onderzoek niet wordt toegekomen. Een en ander nog daargelaten de vraag of het onrechtmatig van verhuurder [Y] zou zijn om huurder Ted’s v.o.f. in het gehuurde toe te laten.

7.10. De vorderingen in conventie worden afgewezen.

7.11. Ten aanzien van de reconventionele vorderingen geldt dat op grond van artikel 705 lid 1 Rv de rechtbank bevoegd is het beslag op te heffen. Nu de conventionele vordering wordt afgewezen is (overigens meer dan) summierlijk van de ondeugdelijkheid van de vordering van Ted’s B.V. gebleken. Dit betekent dat het beslag wordt opgeheven.

7.12. Anders dan [Y] bepleit wordt de opheffing niet gesanctioneerd met dwangsommen. De beslissing zelf, die uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, is constituerend.

7.13. [Y] vordert een bedrag van €. 225,00 wegens schade. Dit betreft bankkosten naar aanleiding van het beslag onder de Rabobank. Deze worden aangetoond middels een bankafschrift. Nu het reële schade blijkt die in direct verband staat met het beslag wordt dit bedrag toegewezen.

7.14. Als in het ongelijk gestelde partij wordt Ted’s B.V. veroordeeld in de kosten van de procedure.

8. De beslissing

De rechtbank:

in conventie:

wijst de vorderingen af,

in reconventie:

heft op de door Ted’s B.V. ten laste van [Y] onder de coöperatie Coöperatieve Rabobank Rotterdam U.A., gevestigd te Rotterdam, en onder de naamloze vennootschap ING Bank N.V., gevestigd te Amsterdam, gelegde beslagen,

veroordeelt Ted’s B.V. om aan [Y] te betalen een bedrag van €. 225,--,

in conventie en in reconventie:

veroordeelt Ted’s B.V. in de kosten van de procedure, aan de zijde van [Y] begroot op €. 244,00 aan verschotten en op €. 1.356,00 aan salaris procureur,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.