Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA9923

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
268394 / HA ZA 06-2462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op arbitraal beding in algemene voorwaarden. Voldaan is aan het vereiste dat het beroep "voor alle weren" dient te geschieden. Rechtbank verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 268394 / HA ZA 06-2462

Uitspraak: 27 juni 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HUISMAN HOLDING B.V., h.o.d.n. GTC-Nederland,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. G.A. Krol,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HOLLAND SCHERM B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaat mr. H.W.R.A.M. Janssen.

Partijen worden hierna aangeduid als "GTC" respectievelijk "Holland Scherm".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 4 september 2006;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 8 november 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 21 december 2006.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 Tussen partijen is in januari 2006 een overeenkomst gesloten waaronder GTC twee partijen glaspanelen diende te leveren voor de prijs van in totaal € 10.387,- exclusief BTW. De betreffende, door beide partijen ondertekende, opdrachtbevestiging van 27 januari 2006 bevat onder meer de volgende bepalingen:

“Op onderhavige opdracht zijn de navolgende voorwaarden van kracht, een en ander aanvullend op het in deze opdracht overigens gestelde:

• De bijgevoegde Algemene Voorwaarden van Inkoop en Uitbesteding.”

en

“Bijlage(n): Algemene Onderaannemings- en Inkoopvoorwaarden Holland Scherm b.v.”

2.2 Artikel 8.1 sub B van de Algemene Onderaannemings- en Inkoopvoorwaarden Holland Scherm luidt:

“Alle geschillen, voor zover deze voortvloeien uit de OVEREENKOMST, ook daaronder begrepen die welke slechts door één der partijen als zodanig worden beschouwd, zullen middels arbitrage worden beslecht door de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland overeenkomstig de statuten van genoemde Raad zoals deze gelden op de dag van de OVEREENKOMST.”

2.3 De naam van de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland is gewijzigd in Raad van Arbitrage voor de Bouw.

3 Het geschil

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad Holland Scherm te veroordelen tot betaling van € 11.371,66 met rente en kosten.

GTC legt de volgende stellingen ten grondslag aan haar vordering:

3.1 GTC heeft onder de overeenkomst van 27 januari 2006 aan Holland Scherm glaspanelen verkocht voor een totaalbedrag van € 12.360,53. Holland Scherm heeft alleen de eerste factuur die in dit kader is verstuurd betaald. De tweede factuur ter grootte van € 9.888,42 heeft zij, ondanks aanmaning en sommatie, onbetaald gelaten.

3.2 GTC heeft ter incassering van haar vordering buitengerechtelijke incassokosten gemaakt, bepaald op 15% van de hoofdsom, zijnde € 1.483,26. Holland Scherm dient deze kosten te vergoeden.

3.3 Holland Scherm heeft de vordering van GTC gemotiveerd betwist. Primair concludeert zij tot onbevoegdverklaring van de rechtbank omdat tussen partijen arbitrage is overeengekomen en subsidiair tot afwijzing van de vordering, met in ieder geval veroordeling van GTC in de kosten van het geding.

4 De beoordeling

4.1 Partijen twisten primair over de vraag of de rechtbank bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. Volgens Holland Scherm is op grond van artikel 8.1 sub B van de door haar van toepassing verklaarde Algemene Onderaannemings- en Inkoopvoorwaarden de Raad van Arbitrage voor de Bouw bevoegd en niet de rechtbank.

4.2 De reactie van GTC op dit verweer is allereerst dat een beroep op de onbevoegdheid van de rechtbank op grond van artikel 11 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) moet worden gedaan vóór alle weren en bij incidentele conclusie, hetgeen Holland Scherm niet heeft gedaan. Voorts beroept GTC zich erop dat Holland Scherm de Algemene Onderaannemings- en Inkoopvoorwaarden niet voor of bij het aangaan van de overeenkomst ter hand heeft gesteld of meegestuurd. Bovendien voert GTC aan dat uit de overeenkomst van 27 januari 2006 niet blijkt welke algemene voorwaarden van toepassing zijn.

4.3 De exceptie van onbevoegdheid bedoeld in artikel 11 Rv ziet op het verweer van de gedaagde die in een procedure ten overstaan van de Nederlandse rechter wordt betrokken, dat niet de Nederlandse, maar een rechter buiten Nederland rechtsmacht toekomt. Dat is in deze zaak niet aan de orde. Holland Scherm doet een beroep op de overeenkomst tot arbitrage, hetgeen is geregeld in artikel 1022 Rv. Holland Scherm heeft voldaan aan het vereiste dat dit beroep “voor alle weren” dient te geschieden. De Hoge Raad heeft immers geoordeeld in zijn arrest van 29 april 1994 (NJ 1994, 488; Edelsyndicaat/Van Hout) dat daaraan is voldaan wanneer het beroep wordt gedaan in het eerste genomen processtuk. Het eerste door Holland Scherm genomen processtuk was de conclusie van antwoord. Daarin heeft Holland Scherm een beroep op het arbitraal beding gedaan. Niet nodig is dat het beroep in de conclusie van antwoord wordt aangevoerd vóór de overige weren, evenmin dat het bij incidentele conclusie wordt gedaan.

4.4 Voor de beoordeling of het arbitraal beding van artikel 8.1 sub B van de Algemene Onderaannemings- en Inkoopvoorwaarden van Holland Scherm geldig tussen partijen is overeengekomen zoals bedoeld in artikel 1022 Rv, dient onderzocht te worden of die algemene voorwaarden tussen partijen gelding hebben gekregen.

De vraag of algemene voorwaarden van toepassing zijn, moet worden beoordeeld aan de hand van de regels van aanbod en aanvaarding. In de door beide partijen ondertekende bevestiging van 27 januari 2006 staat dat daarop de “bijgevoegde Algemene Voorwaarden van Inkoop en Uitbesteding” van toepassing zijn terwijl blijkens dezelfde bevestiging de “Algemene Onderaannemings- en Inkoopvoorwaarden Holland Scherm b.v.” als bijlage waren bijgevoegd. Door de overeenkomst met deze clausules voor akkoord te ondertekenen wordt GTC geacht te hebben aanvaard dat de Algemene Onderaannemings- en Inkoopvoorwaarden van Holland Scherm op de overeenkomst van toepassing werden. De titel “Algemene Voorwaarden van Inkoop en Uitbesteding” verschilt immers niet wezenlijk van de titel “Algemene Onderaannemings- en Inkoopvoorwaarden”. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Algemene Onderaannemings- en Inkoopvoorwaarden Holland Scherm van toepassing zijn geworden.

4.5 Onder verwijzing naar hetgeen zij onder 4.4 heeft overwogen, verwerpt de rechtbank de stelling van GTC dat de algemene voorwaarden niet zijn meegestuurd of ter hand gesteld. Met de door GTC ondertekende bevestiging van de overeenkomst van 27 januari 2006 is in beginsel bewezen dat GTC die voorwaarden als erbij gevoegd heeft ontvangen. GTC heeft geen feiten of omstandigheden gesteld – laat staan te bewijzen aangeboden – waaruit valt af te leiden dat zij desalniettemin de Algemene Onderaannemings- en Inkoopvoorwaarden Holland Scherm niet had ontvangen, zodat zij niet zal worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling. Daarom gaat het beroep van GTC op het rechtsgevolg van het niet overhandigen of meesturen van de algemene voorwaarden niet op.

4.6 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de Algemene Onderaannemings- en Inkoopvoorwaarden Holland Scherm tussen partijen gelding hebben. Op grond van artikel 8.1 van die algemene voorwaarden dient elk geschil dat voortvloeit uit de onderhavige overeenkomst middels arbitrage te worden beslecht door de Raad van Arbitrage voor de Bouw. Op grond hiervan zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

5 De beslissing

De rechtbank,

verklaart zich onbevoegd om van de vordering van GTC kennis te nemen;

veroordeelt GTC in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Holland Scherm bepaald op € 300,- aan vast recht op € 904,- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger.

Uitgesproken in het openbaar.

615/1928