Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA9921

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-06-2007
Datum publicatie
18-07-2007
Zaaknummer
222266/ HA ZA 04-2257
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Waterschade aan lading fosfaat door gat in ballasttank van zeeschip. Ladingbelanghebbende spreekt stuwadoor aan tot vergoeding van de schade. Genoegzaam is komen vast te staan dat het gat is veroorzaakt doordat de grijper van de kraan waarmee de loswerkzaamheden zijn verricht ter plaatse de scheepshuid heeft geraakt. De algemene voorwaarden van de stuwadoor zijn van toepassing. Geen vernietiging van de algemene voorwaarden op de grond dat deze niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand zouden zijn gesteld, nu de wederpartij van de stuwadoor dient te worden aangemerkt als "grote ondernemer" in de zin van art. 6:235 BW. Stuwadoor doet met succes beroep op exoneratieclausule in algemene voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2008, 81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 222266/ HA ZA 04-2257

Uitspraak: 27 juni 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HYDRO AGRI ROTTERDAM B.V.,

gevestigd te Vlaardingen,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

INDUSTRIFORSIKRING A.S.,

gevestigd te Oslo, Noorwegen,

eiseressen,

procureur: mr J.F van der Stelt,

advocaat: mr. R.L. Latten,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EUROPEAN BULK SERVICES (EBS) B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur: mr. W.M. van Rossenberg.

Partijen worden hierna aangeduid als "Hydro Agri", “Industriforsikring” en "EBS".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 3 juni 2004;

- akte overlegging producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek met productie.

Partijen hebben de zaak door hun raadslieden doen bepleiten op 20 november 2006. De pleitnotities van de raadslieden behoren tot de processtukken. Overeenkomstig de tijdens het pleidooi gemaakte afspraak behoren ook de na pleidooi door mr. Van Rossenberg in overleg met mr. Latten aan de rechtbank gezonden bescheiden (een afschrift van een brief d.d. 11 december 2000 van Hydro Agri aan de Kamer van Koophandel te Rotterdam, met bijlagen) tot de processtukken.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast.

2.1 In april/mei 1998 hebben Hydro Agri en EBS een raamovereenkomst gesloten ter zake van het door EBS in opdracht van Hydro Agri overslaan, opslaan en vletten van circa 500.000 ton fosfaat per jaar. Deze overeenkomst is vastgelegd in een door Hydro Agri voor akkoord ondertekende brief van EBS van 16 april 1998, waarin onder het kopje “Condities” onder meer is opgenomen:

“Contractperiode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2001

(…)

Voor deze overeenkomst zijn de Rotterdamse Vletvoorwaarden laatste editie van toepassing.

(…)

European Bulk Services (E.B.S.) B.V. General Conditions 1996 zijn van toepassing.

(….)”.

De overeenkomst is gesteld op briefpapier waarop onderdaan de volgende verwijzing voorkomt:

“Op al onze werkzaamheden zijn van toepassing de Algemene Op- en Overslagvoorwaarden van European Bulk Services (E.B.S.) B.V., zoals laatstelijk gedeponeerd ter griffie van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam”.

Deze verwijzing staat ook vermeld op facturen die EBS aan Hydro Agri heeft verzonden.

2.2 Op 4 november 1998 is bij het stuwadoorsbedrijf van EBS in de St. Laurenshaven te Rotterdam afgemeerd het ms. “Stoikos” met aan boord 54.290 ton fosfaat. Deze zending was verscheept van Aqaba (Jordanië), vanwaar het ms. “Stoikos” op 21 oktober 1998 was vertrokken. In het kader van de onder 2.1 bedoelde overeenkomst heeft Hydro Agri EBS opdracht gegeven het fosfaat uit het ms. “Stoikos” te lossen en deels te over te slaan in lichters en deels in een silo (in afwachting van latere overslag in lichters).

2.3 De lossing uit ruim 1 van het schip is aangevangen op 5 november 1998 omstreeks 02.05 uur. In overeenstemming met de planning is de lossing diezelfde dag gestaakt om 16.47 uur. Tijdens het lossen is met het oog op de stabiliteit van het schip ballastwater ingenomen in de bodemtanks die zich onder ruim 1 bevinden. Na stopzetting van de lossing zijn de luiken van ruim 1 gesloten. Op 6 en 7 november 1998 is geen lading meer uit ruim 1 gelost. Op 7 november is vanaf 16.40 uur water gepompt in de zijballasttank aan stuurboordzijde van ruim 1. Omstreeks 20.00 uur die dag heeft de bemanning van de “Stoikos” gehoord dat er geluiden van klotsend en sproeiend water uit ruim 1 kwamen. Bij het openleggen van de luiken is gebleken dat er een aanzienlijke hoeveelheid water in het ruim was gelopen. Nadere inspectie heeft uitgewezen dat dit water via een gat in de zijballasttank aan stuurboordzijde in het ruim is gestroomd. Hierdoor is schade ontstaan aan de nog in ruim 1 aanwezige lading fosfaat.

3. De vordering

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad EBS te veroordelen om aan (een der) eiseressen te betalen € 112.151, 65, vermeerderd met rente en kosten, met veroordeling van EBS in de proceskosten, de kosten van het voorlopig getuigenverhoor daaronder begrepen.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben eiseressen aan de vordering, verkort weergegeven, de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

3.1 Het gat in de ballasttank in ruim 1, waaruit het water in dit ruim is gelekt, is tijdens het lossen/overslaan door EBS ontstaan doordat de bak van de grijper waarmee de werkzaamheden zijn verricht op die plaats de scheepshuid heeft geraakt. Nu als gevolg van een en ander waterschade aan de lading is veroorzaakt, is EBS voor die schade aansprakelijk. EBS is als opdrachtnemer immers gehouden haar werkzaamheden zo te verrichten dat daarbij geen schade aan de lading ontstaat. In de nakoming van die verplichting is zij tekortgeschoten.

3.2 De totale schade, zoals nader gespecificeerd in de dagvaarding, bedraagt € 112.151,65. Van dit bedrag is door de ladingverzekeraar € 104.526,33 en door Industriforsikring € 7.625,33 aan Hydro Agri uitgekeerd. De ladingverzekeraar heeft Industriforsikring last en volmacht gegeven op eigen naam, doch ten behoeve van ladingverzekeraar ter zake van deze schade rechtsmaatregelen te treffen en schadevergoeding te incasseren, dit ter nadere verrekening. Bovendien heeft de ladingverzekeraar bij overeenkomst van 27 oktober 2000 alle activiteiten, verplichtingen, vorderingen en rechten voortvloeiende uit verzekeringsactiviteiten per 1 januari 2001 aan Industriforsikring overgedragen. Voor het geval dat Industriforsikring niet vorderingsgerechtigd mocht blijken te zijn, wordt de vordering mede namens Hydro Agri ingesteld.

4. Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, kosten rechtens.

EBS heeft daartoe, verkort weergegeven en voor zover van belang, het volgende aangevoerd.

4.1 De stelling van eiseressen dat het gat in de ballasttank is ontstaan tijdens en is veroorzaakt door de lossingwerkzaamheden die EBS heeft verricht, wordt betwist.

4.2 Zelfs indien geoordeeld mocht worden dat bedoeld gat wel is ontstaan tijdens en door de door EBS uitgevoerde loswerkzaamheden, is EBS voor de schade niet (volledig) aansprakelijk, nu haar een beroep toekomt op het bepaalde in art. 21 van haar Algemene Op- en Overslagvoorwaarden. Ingevolge deze bepaling is EBS voor de schade niet althans niet verder dan tot een bedrag van NLG 50.0000,-aansprakelijk.

4.3 EBS erkent dat de minderwaarde van het nat geworden fosfaat NLG 131.497,59 bedroeg. De overige schadeposten worden betwist.

4.4 EBS betwist voorts de stellingen van eiseressen met betrekking tot de verzekeringsovereenkomst, de betaling daaronder en de subrogatie.

5. De beoordeling

5.1 Blijkens de door eiseressen overgelegde processen-verbaal van de voorlopige getuigenverhoren zijn de volgende getuigen gehoord:

[getuige 1] (17 mei 2000)

[getuige 2 en getuige 3] (6 september 2000)

[getuige 4 en getuige 5] (29 november 2000)

De [heer] Westerman en [getuige 7] (14 maart 2001)

[getuige 8 en getuige 9] (10 oktober 2001)

[getuige 10 en getuige 11] (20 maart 2002)

[getuige 12] (19 juni 2002)

[getuige 13] (12 februari 2003)

[getuige 14 en getuige 15] (21 mei 2003)

De heer D. van der Werf (12 september 2003)

Nu alle partijen in deze procedure bij de verhoren aanwezig of vertegenwoordigd zijn geweest, hebben deze in een voorlopig getuigenverhoor afgelegde getuigenverklaringen ingevolge art. 192 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering dezelfde bewijskracht als die, welke op gewone wijze in een aanhangig geding zijn afgelegd.

5.2 Over de schadeoorzaak heeft de expert van het door belanghebbenden bij het schip ingeschakelde expertisebureau Van Ameyde B.V. in zijn rapport d.d. 21 juli 1999 het volgende vermeld:

“Inspection of the inside of the top wing tank showed the following:

(…)

- the hole was triangular shaped, with the top of the triangle directed starboard.

- The triangle was about 60 cms wide and the shell plating (of about 10 mms thick) was set in for about 20 to 30 cms.

- Most likely a sharp pointed object had penetrated the shell plating of the top side wing tank with great force, for which it is assumed that the grab is the likely cause.

(…)

A closer inspection of the damage to the top side ballast tank revealed that the steel plates were damaged of a very recent date, since corrosion was only marginal to none.”

Deze expert acht het uitgesloten dat het gat in de ballasttank reeds bij of voorafgaand aan de belading van het fosfaat in Aqaba aanwezig is geweest. Hij heeft “vessel’s ballasting operations” gecontroleerd en daaruit opgemaakt dat voorafgaand aan de belading op 20 oktober 1998 de zijballasttank volledig met water gevuld is geweest zonder dat van enige lekkage is gebleken. Voorts heeft hij opgemerkt:

“Damage to the ballast tank plating upon loading can be eliminated, since the cargo was loaded by conveyor belt, with no further assistance of bulldozers in the hold for trimming. Therefore the ballast tank plating was still intact at this stage.”

En verder:

“In view of the above, it is justified to conclude that the ballast tank became damaged during the discharge handlings at Rotterdam. It is justified to assume that the top side part of a grab had struck the top wing tank starboard, with considerable force, as a result of which, the plating was penetrated.

No serious deformations were observed on the grab used by the shore crane, but this does not eliminate the grab from having penetrated the ship’s top wing tank. It must be considered that the grabs are constructed in such a manner that the chance of damage tot the grab is negligible.”

5.3 De door de aansprakelijkheidsverzekeraar van EBS ingeschakelde expert van Tech Nautic Surveys – Van der Werf – heeft blijkens zijn rapport van 26 juli 1999 geconstateerd:

“The damage proved to be of a very recent origin and in our opinion may reasonably considered consistent with grab impact”.

Deze expert komt tot de conclusie:

“From the facts established during survey, it stands to reason that the hole in no. 1 starboard top wing tank, in all probability was brought about by grab impact during the discharge operations on 5 November 1998.”

Als getuige heeft Van der Werf verklaard:

“U vraagt mij of de schade ook bij belading te Aqaba kan zijn ontstaan (…). Ik acht dat niet aannemelijk. De belading in Jordanië zal zo’n 10 dagen tot 2 weken voor mijn expertise hebben plaatsgevonden, en dan zou in het door u veronderstelde geval, denk ik een beginstadium van roest aanwezig geweest moeten zijn, en dat heb ik niet kunnen constateren. Het is niet meer dan een theoretische mogelijkheid dat de schade in Jordanië is ontstaan.”

5.4 In het rapport d.d. 20 mei 1999 van de door ladingbelanghebbenden ingeschakelde expert van B.V. Marine Surveyors “MS-74” – Westerman – wordt over de schadeoorzaak vermeld:

“From the damage pattern to the plating and chipped of paint present in the area inside the tank, it could be concluded that the damage was caused by impact very recently.

(…)

Damage to the plating was apparently caused by stevedores’ grab, during discharging on the 5 th November 1998 (…)”.

Als getuige heeft Westerman verklaard:

“Op uw vraag hoe ik tot deze conclusie ben gekomen, antwoord ik voor zover nodig in aanvulling op hetgeen in het rapport is vermeld, als volgt. Tijdens het laden in Aqaba zijn de ballastwatertanks leeggepompt. Bij aanvang van de lossing te Rotterdam is geen schade waargenomen. Deze gegevens ontleen ik aan de verklaring van de kapitein, die zich daarbij baseerde op de aantekeningen in het scheepsjournaal. Ik heb geconstateerd dat het gat in de ballastwatertank een verse schade betrof. De verfbladdertjes rond de wond waren nog aanwezig. Indien de schade oud zou zijn, dan zouden de bladdertjes allang zijn weggespoeld. Overigens moet ik opmerken dat ik op grond van de versheid van de wond niet kan zeggen dat de schade niet in Aqaba ontstaan kan zijn, omdat de belading in Aqaba toen ook vrij recent had plaatsgevonden. Ik zie in mijn rapport dat de belading op 20 en 21 oktober heeft plaatsgevonden. Je zou wel verwachten dat na enkele weken meer corrosie rond de beschadiging aanwezig zou zijn geweest, dan ik te Rotterdam heb waargenomen. Te Rotterdam was het staal nagenoeg blank.”

Uit de verklaring van Westerman volgt voorts dat de schade aan het ms. Stoikos in opdracht en voor rekening van EBS is hersteld.

5.3 Vrijwel alle daarnaar gevraagde getuigen hebben verklaard dat de schade, wat betreft het schadebeeld en plaats waar deze is opgetreden, kan zijn veroorzaakt doordat de grijper van de kraan tijdens de loswerkzaamheden ter plaatse de scheepshuid heeft geraakt.

5.4 Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat het gat in de zijballasttank aan stuurboordzijde in ruim 1 tijdens en als gevolg van de loswerkzaamheden door EBS is ontstaan. Niet tot een ander oordeel leidt dat de werknemers van EBS die bij de lossing uit ruim 1 van het ms. Stoikos betrokken zijn geweest, allen hebben verklaard dat zij niets van het ontstaan van de schade hebben gemerkt. Zoals ook door diverse getuigen is verklaard, kan het zijn dat de werknemers de aanraking van de bak met de scheepshuid niet hebben gehoord of gevoeld. In dit verband is de verklaring van Van der Werf, die door EBS veelvuldig als expert bij schadegevallen werd ingeschakeld en dus goed van de situatie ter plaatse op de hoogte is, illustratief:

“U moet weten dat de knijper met inhoud een massa heeft van 30 tot 35 ton en dat de plaatdikte van de ballasttank 13 millimeter bedroeg. Door die plaatdikte gaat een knijper met die massa zó heen, bijna als een mes door een papier. (…) Ik denk wel dat bij de aanraking het nodige geluid zal zijn geproduceerd, maar volgens mij kan het zo zijn geweest dat de kraanmachinist dat niet heeft gehoord. U moet weten dat de machinist zit in een dichte cabine, zo’n 20 meter boven het luikhoofd en dat er sprake is van veel omgevingsgeluid, zoals van de draden die tegen elkaar klappen en van alle dingen die mechanisch bij het lossen in beweging zijn. (…) Bij de aanraking van de bak met de tank, zal ook een beweging zijn ontstaan in de cabine van de kraan. Maar deze beweging zal niet zodanig zijn geweest dat de kraanmachinist daardoor moet hebben bemerkt dat de bak met de tank in aanraking kwam. De cabine beweegt voortdurend, zelfs door de wind.”

5.5 Dat geen der werknemers, ook niet de bootsmannen van EBS die tot taak hebben aan het begin van hun shift het ruim waaruit wordt gelost, globaal op de aanwezigheid van schade te inspecteren, de beschadiging heeft waargenomen vóórdat deze door de bemanning van het schip in de avond van 7 november werd ontdekt, is opmerkelijk. Daaruit is evenwel niet af te leiden, dat de beschadiging niet tijdens de loswerkzaamheden door EBS is veroorzaakt. Integendeel, indien de beschadiging reeds vóór de lossing van het ms. Stoikos aanwezig zou zijn geweest, zou het des te meer bevreemden dat de bootsmannen van de opeenvolgende shifts deze niet hebben waargenomen.

5.6 Uit het voorgaande volgt dat EBS in beginsel jegens Hydro Agri aansprakelijk is voor de schade die is veroorzaakt doordat ballastwater uit het gat in de ballasttank in ruim 1 is gestroomd.

5.7 Eiseressen hebben met betrekking tot het beroep dat EBS heeft gedaan op de hierna te noemen exoneratieclausule die is vervat in de Algemene- Op- en overslagvoorwaarden van European Bulks Services (E.B.S.) B.V. (hierna: de Algemene Voorwaarden), in de eerste plaats aangevoerd dat deze voorwaarden niet zijn overeengekomen. Volgens eiseressen zijn de “European Bulk Services (E.B.S.) B.V. General Conditions 1996” (hierna: de General Conditions), waarnaar in de tekst van de onder 2.1 bedoelde overeenkomst wordt verwezen, andere algemene voorwaarden dan de Algemene Voorwaarden en zij hebben EBS uitgenodigd de General Conditons over te leggen. In reactie hierop heeft EBS gesteld dat de Algemene Voorwaarden en de General Conditions een en dezelfde zijn (zij het dat laatstgenoemde een vertaling betreffen). Nu eiseressen hebben volstaan met een niet nader geadstrueerde ontkenning dat dit zo is, terwijl onderaan het briefpapier waarop de overeenkomst is gesteld, een verwijzing naar de Algemene Voorwaarden is opgenomen, verwerpt de rechtbank dit standpunt van eiseressen. Indien bij Hydro Agri twijfel had bestaan over de vraag op welke voorwaarden werd gedoeld, had het op haar weg gelegen daar bij de totstandkoming van de overeenkomst, waaraan, zo begrijpt de rechtbank uit de overgelegde brief van 15 mei 1998 van Hydro Agri aan EBS, serieuze onderhandelingen zijn voorafgegaan, uitsluitsel te vragen.

5.8 Voorts hebben eiseressen aangevoerd dat, nu in de overeenkomst wordt verwezen naar de Algemene Voorwaarden en naar de Rotterdamse Vletvoorwaarden, zonder dat duidelijk is welke van deze twee sets voorwaarden in dit geval van toepassing zijn, het er op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad voor moet worden gehouden dat geen van beide sets algemene voorwaarden van toepassing is. Dit betoog snijdt echter geen hout. De overeenkomst heeft betrekking op de op- en overslag en tevens het vletten van fosfaat. Onder vletten wordt verstaan de activiteit waarbij de schipper zich verplicht naar een of meer laadplekken te varen, daar te laden en de goederen te vervoeren naar één of meer in hetzelfde havencomplex gelegen losplekken (art. 2 Rotterdamse Vletvoorwaarden) Het moet voor Hydro Agri als professionele partij, zoals EBS terecht heeft gesteld, reeds door de naam die aan deze voorwaarden is gegeven volstrekt duidelijk zijn geweest dat het de bedoeling was de Rotterdamse Vletvoorwaarden van toepassing te verklaren op het in het kader van de overeenkomst door EBS te verrichten vletwerk en in elk geval niet op de door EBS te verrichten los- en overslagwerkzaamheden in respectievelijk uit het zeeschip. Deze werkzaamheden vallen wél binnen het toepassingsgebied van de Algemene Voorwaarden van EBS, zoals dit in art. 1 is omschreven.

5.9 Eiseressen hebben onder verwijzing naar het bepaalde in de artt. 6:233 aanhef en sub b en 6:234 aanhef en sub a BW een beroep gedaan op de nietigheid van de Algemene Voorwaarden. Volgens hen zijn de Algemene Voorwaarden Hydro Agri niet voor of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand gesteld. EBS heeft dit gemotiveerd betwist. Voorts heeft EBS aangevoerd dat Hydro Agri geen beroep kan doen op de in de artt. 6: 233 en 234 BW bedoelde vernietigingsgronden omdat Hydro Agri ten tijde van het sluiten van de overeenkomst dient te worden aangemerkt als een “grote ondernemer” in de zin van art. 6:235 BW. Hier heeft EBS het gelijk aan haar zijde. Uit de brief van Hydro Agri van 11 december 2000 aan de Kamer van Koophandel te Rotterdam blijkt niet dat Hydro Agri toen moest worden aangemerkt als een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:360 BW die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst in 1998 laatstelijk de jaarrekening openbaar had gemaakt. Aannemende dat dit niet het geval was (al was Hydro Agri toen waarschijnlijk wel publicatieplichtig), dan geldt dat Hydro Agri op grond van art. 6:235 lid 1 sub b BW geen beroep op bedoelde vernietigingsgronden kan doen omdat bij haar ten tijde van het sluiten van de overeenkomst meer dan vijftig personen werkzaam waren. Dit blijkt uit het jaarverslag van Hydro Agri over 1998 (“The average personel strength in 1998 amounted to 169 (…). At year-end personel strength was 168.”)

5.10 Art. 21 van de Algemene Voorwaarden luidt, voor zover van belang:

21.1 EBS is niet aansprakelijk voor enigerlei schade, tenzij de opdrachtgever bewijst dat de schade is ontstaan door schuld van EBS of diens leidinggevende ondergeschikten.

21.2 Indien schuld zou komen vast te staan, dan is de aansprakelijkheid beperkt tot NLG 50.000,- per opdracht.

Met partijen is de rechtbank van oordeel dat deze exoneratie meebrengt dat EBS niet aansprakelijk is voor de schade indien deze is veroorzaakt door een of meer niet-leidinggevende ondergeschikte(n) van EBS. De kraanmachinisten en de bootsmannen die bij de lossing van het fosfaat uit ruim 1 betrokken zijn geweest, zijn niet aan te merken als leidinggevende ondergeschikten. Of de bij die lossing dienstdoende, zogenoemde proco’s (productie-coördinatoren), als leidinggevende ondergeschikten dienen te worden beschouwd, zal de rechtbank in het midden laten, nu niet althans onvoldoende gemotiveerd is gesteld noch is gebleken dat één van hen enig verwijt treft aan het ontstaan van de schade. Nu niet voldoende gemotiveerd gesteld is of gebleken is dat EBS of één van haar leidinggevende ondergeschikten schuld heeft aan het ontstaan van de schade, slaagt het beroep van EBS op de exoneratieclausule. Eiseressen hebben nog aangevoerd dat EBS “schuld” heeft erkend door de schade aan het ms. Stoikos voor haar rekening te laten herstellen en “dat het toch niet zo kan zijn dat EBS, daar waar tegenover het schip schuld erkend wordt”, op grond van de Algemene Voorwaarden geen “schuld” jegens Hydro Agri zou hebben. Deze redenering gaat niet op. Het enkele feit dat EBS voor haar rekening de schade aan het schip heeft laten herstellen, brengt niet mee dat sprake zou zijn van “schuld” van EBS in de zin van de exoneratieclausule. De slotsom is dan ook dat EBS niet voor de schade aansprakelijk is.

5.11 Eiseressen hebben nog aangevoerd dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn het beroep van EBS op de exoneratieclausule te honoreren. De rechtbank begrijpt dit aldus dat zij daarmee bedoelen te stellen dat honorering van dit beroep achterwege dient te blijven, omdat anders een resultaat zou worden bereikt dat in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daartoe voeren eiseressen in essentie aan dat werknemers van EBS ten onrechte hebben verklaard, ook als getuigen, dat zij niet hebben waargenomen dat en hoe de beschadiging van de ballastank is ontstaan, en, samengevat, dat van de zijde van EBS er alles aan gedaan is om de ware toedracht te verdoezelen. EBS zou haar “ophelderingsplicht” hebben verzaakt. Noch het een, noch het ander is echter vast komen te staan, zodat reeds om die reden dit betoog, wat daar verder van zij, wordt verworpen.

5.12 Uit het voorgaande volgt dat de vordering zal worden afgewezen. Hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd, behoeft geen behandeling. Eiseressen zullen worden veroordeeld in de proceskosten, als na te melden.

6. De beslissing

De rechtbank,

- wijst af de vordering van eiseressen;

- veroordeelt eiseressen in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van EBS vastgesteld op € 2.520,- aan vast recht en nihil aan overige verschotten, alsmede op € 12.789,- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

559