Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA8328

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-06-2007
Datum publicatie
28-06-2007
Zaaknummer
BC 06/3412-HAM1
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2008:BE9662, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pensioen- en spaarfondsenwet. Aanwijzing die ertoe strekt dat de gewezen deelnemers niet alleen het totaal aan stortingen, maar tevens het toegezegde rentepercentage en dat het fonds dienaangaande de financiële dekking aanpast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: BC 06/3412-HAM1

Uitspraak in het geding tussen

Stichting Voorzieningsfonds Getronics, te Amsterdam, eiseres,

gemachtigde prof. dr. E. Lutjens, advocaat te Amsterdam,

en

De Nederlandsche Bank N.V., verweerster,

gemachtigde mr. C.M. Bitter, advocaat te Den Haag.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft verweerster het bezwaar van eiseres tegen haar besluit van 26 april 2006, houdende een aanwijzing uit hoofde van artikel 23 van de Pensioen- en spaarfondsenwet (hierna: PSW), ongegrond verklaard. De gehandhaafde aanwijzing strekt ertoe dat het bestuur van eiseres binnen 20 dagen te rekenen vanaf 3 augustus 2006:

1. de pensioenregeling met de daarin opgenomen rendementsgarantie zodanig aanpast dat hieruit duidelijk blijkt dat voldaan wordt aan artikel 8, tweede lid, van de PSW, wat in dit verband inhoudt dat de gewezen deelnemer die tijdens het actieve deelnemerschap nimmer anders heeft belegd dan in de Collectieve Portefeuille bij beëindiging van de deelneming een premievrije aanspraak verkrijgt op een kapitaal met pensioenbestemming dat op de pensioendatum ten minste gelijk is aan de som van de tot de ontslagdatum gedane jaarlijkse stortingen in de Collectieve Portefeuille vermeerderd met een per storting te berekenen cumulatieve vergoeding vanaf de datum van storting tot de pensioendatum van 4% op jaarbasis;

2. indien een gewezen deelnemer ervoor kiest om het in de Collectieve Portefeuille opgebouwde kapitaal over te dragen naar de pensioenuitvoerder van de nieuwe werkgever ten minste de waarde van de premievrije aanspraak zal meegeven, wat eiseres schriftelijk aan verweerster dient te bevestigen;

3. een gewaarmerkt exemplaar van het gewijzigde pensioenreglement en de bijbehorende wijzigingsnota(‘s) aan verweerster toe zendt;

4. documentatie aan verweerster verstrekt over de wijze waarop de deelnemers over de aanpassingen van de pensioenregeling zijn geïnformeerd;

5. haar financiële opzet in overeenstemming brengt met de artikelen 7a en 9a, eerste lid, van de PSW en met de uitgangspunten die zijn verwoord in verweersters brieven van 30 september 2002 en 17 maart 2004, hetgeen betekent dat bij de vaststelling van de voorziening pensioenverplichtingen rekening moet worden gehouden met het feit dat de waarde van de premievrije aanspraak als bedoeld in punt 1 ook moet worden meegegeven bij tussentijds ontslag en dat aan het eind van ieder kalenderjaar voor de voorziening pensioenverplichtingen toereikende financiële dekking aanwezig moet zijn;

6. rekeninghoudend met de uitgangspunten zoals verwoord in de onder punt 5 genoemde brieven zal moeten beschikken over een reserve beleggingsrisico’s van zodanige omvang dat ook in geval van waardedaling van de beleggingen als beschreven in voornoemde brieven wordt voldaan aan de in punt 5 genoemde eis dat aan het eind van ieder kalenderjaar voor de voorziening pensioenverplichtingen toereikende financiële dekking aanwezig is en zij na invoering van de Pensioenwet zal moeten beschikken overeenkomstig de eisen die in de Pensioenwet gesteld worden, wat naar verwachting inhoudt dat een zodanig eigen vermogen moet worden vastgesteld dat met een zekerheid van 97,5 % wordt voorkomen dat het fonds binnen een periode van een jaar over minder waarden beschikt dan de hoogte van de technische voorzieningen;

7. voor wat betreft de reserve algemene risico’s uit hoofde van de regeling vooralsnog kan volstaan met een reserve ter grootte van 1 % van de verplichtingen uit hoofde van de regeling, welke reserve in de financiële opzet dient te worden verwerkt;

8. verweerster een door haar vastgesteld exemplaar van de aangepaste actuariële en bedrijfstechnische nota toe zendt waarin de financiële opzet van het fonds overeenkomstig bovenstaande punten is aangepast.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 18 augustus 2006, aangevuld bij brief van 20 september 2006, beroep ingesteld.

Verweerster heeft bij brief van 27 april 2007 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2007. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts zijn namens eiseres verschenen [X] en [Y], respectievelijk adviseur van het fonds van eiseres en hoofd pensioenbureau Getronics. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts zijn namens verweerster verschenen mr. K. van Emmerik, drs. K.M. Keemink en mr. J.G.C. Kok CPL, allen werkzaam bij verweerster.

2 Overwegingen

2.1 Wettelijk kader en relevante feiten

Ingevolge de artikelen 1 en 2 van de op 30 oktober 2004 in werking getreden Fusiewet De Nederlandsche Bank N.V. en de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer is de Stichting Pensioen- & Verzekeringskamer (hierna ook: PVK) opgegaan in verweerster en oefent verweerster alle taken en bevoegdheden uit die bij of krachtens enige wet aan de PVK zijn toegekend.

Ingevolge artikel 7a van de PSW, zoals dit luidde tot 1 januari 2007, vinden de opbouw en de financiering van de pensioenaanspraken gedurende het deelnemerschap ten minste evenredig in de tijd plaats.

Artikel 8, tweede lid, van de PSW luidde:

“De gewezen deelnemer verkrijgt bij beëindiging van de deelneming ten minste een premievrije aanspraak op een evenredig ouderdomspensioen. Daaronder wordt verstaan het verschil tussen het ouderdomspensioen dat de gewezen deelnemer zou hebben gekregen als hij zou hebben deelgenomen tot de pensioengerechtigde leeftijd en het ouderdomspensioen dat hij zou hebben gekregen als hij zou hebben deelgenomen vanaf het tijdstip waarop zijn deelneming eindigde tot de pensioengerechtigde leeftijd. Bij de berekening bedoeld in de vorige volzin wordt, voor wat betreft de gegevens die voor de vaststelling van de pensioenaanspraken van belang zijn, uitgegaan van die gegevens, zoals deze gelden op het tijdstip waarop de deelneming is geëindigd.”

Artikel 8, tiende lid, van de PSW luidde:

“Indien een pensioenregeling van een pensioenfonds kan worden beschouwd als alleen te worden bepaald door de door de werkgever of de deelnemer beschikbaar gestelde premies of bijdragen, is het tweede lid niet van toepassing en geldt dat de gewezen deelnemer bij beëindiging van de deelneming ten minste een premievrije aanspraak op ouderdomspensioen verkrijgt op de voet van de tot dan door hem en voor hem betaalde en uit hoofde van artikel 2, zesde lid, nog verschuldigde bijdragen naarmate de voor pensioeningang vereiste duur van de deelneming is verstreken.”.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de PSW, zoals die bepaling destijds luidde, dient de aanspraak, bedoeld in artikel 8, tweede lid, voor de deelnemer in elk geval steeds aan het einde van ieder kalenderjaar dan wel, indien dat eerder is, bij beëindiging van de deelneming, volledig te zijn gefinancierd en kan de PVK op grond van bijzondere omstandigheden een langere termijn, van ten hoogste dertien weken, toestaan voor financiering als bedoeld in dit lid.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel, zoals dit destijds luidde en voorzover hier van belang, dient het pensioenfonds toereikende technische voorzieningen vast te stellen met betrekking tot het geheel van uit de statuten en reglementen voortvloeiende pensioenverplichtingen en te allen tijde te beschikken over voldoende en passende activa om deze technische voorzieningen te dekken.

Krachtens artikel 23, eerste en tweede lid, van de PSW, zoals dit destijds luidde:

1. kan de PVK indien zij dat noodzakelijk acht in het belang van de deelnemers, de gewezen deelnemers, of andere belanghebbenden, aan het bestuur van een pensioenfonds of een spaarfonds een aanwijzing geven;

2. volgt het bestuur een aanwijzing binnen de door de PVK gestelde termijn op.

Het bestuur van eiseres had ten tijde in geding een Pensioenreglement vastgesteld, dat laatstelijk is gewijzigd per 1 januari 2006.

Artikel 5, vijfde lid, van het Pensioenreglement luidt als volgt:

“5. De bedragen die uit hoofde van voorgaande leden van dit artikel op de spaarrekening met pensioenbestemming worden gestort, zullen worden belegd overeenkomstig de in Bijlage I omschreven Richtlijnen ‘Spaarrekening met Pensioenbestemming’. Op 1 januari van ieder jaar zal het saldo op die rekening worden aangepast op basis van de waardeontwikkeling in het achterliggende jaar van de onderliggende beleggingen overeenkomstig de in Bijlage 1 omschreven Richtlijnen ‘Spaarrekening met Pensioenbestemming’.”.

De eerste richtlijn van Bijlage 1 als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het Pensioenreglement bevat de mogelijkheid voor de deelnemer om te kiezen voor een zogenoemde beleggingsmix. Bij het achterwege laten van die keus geldt de hoofdregel dat de beleggingen worden ondergebracht in een zogenoemde Collectieve Portefeuille.

De zesde richtlijn van voornoemde Bijlage I luidt als volgt:

“Voor de (gewezen) deelnemers die nimmer hebben gekozen voor een beleggingsmix, zal op de pensioendatum het saldo op de spaarrekening met pensioenbestemming ten minste gelijk zijn aan de som van de spaarbedragen, vermeerderd met een vergoeding van 4 % op jaarbasis, rekening houdend met de vermindering voor administratieve kosten zoals hierboven beschreven.”.

De PVK heeft bij brief van 30 september 2002 de besturen van de pensioenfondsen -waaronder eiseres - geïnformeerd met betrekking tot de uitgangspunten voor de financiële opzet en positie van pensioenfondsen. Die circulaire is gericht op het wegnemen van situaties van onderdekking en op het in de daaropvolgende jaren weer op peil brengen van de financiële ruimte die nodig is om het door de fondsen voorgestane beleid en beheer uit voeren. Deze aanpak heeft tot doel het Nederlandse pensioenstelsel ook op de langere termijn betaalbaar te houden.

Bij brief van 24 december 2003 heeft de PVK eiseres onder meer bericht dat het gewijzigde Pensioenreglement van het fonds van eiseres geen aanleiding geeft tot het maken van opmerkingen.

Bij brief van 17 maart 2004 heeft de PVK de besturen van de pensioenfondsen - waaronder het bestuur van eiseres - verzocht een evaluatieformulier betreffende de voortgang met betrekking tot de in de circulaire van 30 september 2002 genoemde onderwerpen in te vullen.

In juli 2004 heeft de PVK een onderzoek bij het fonds van eiseres ingesteld. Bij brief van 20 juli 2004 heeft de PVK eiseres naar aanleiding hiervan onder meer bericht dat onvoldoende inzicht is verkregen in de verplichtingenstructuur van het fonds en de hiermee samenhangende risico’s voor het fonds. Vervolgens heeft eiseres schriftelijk gereageerd en heeft op 17 februari en 24 mei 2005 mondeling overleg plaatsgehad waarbij afspraken zijn gemaakt over een aanpassing van de opstelling en onderbouwing van de financiële positie per eind 2003 en waarbij voorts de rendementsgarantie van 4 % aan bod is geweest.

Verweerster heeft in haar brief van 2 juni 2005 de gemaakte afspraken onder de aandacht gebracht van eiseres, die eruit bestaan dat eiseres:

- verweerster voor 25 juli 2005 een nieuwe opstelling van de financiële positie ultimo 2003 toezendt;

- dat in die opstelling bij het vaststellen van de benodigde beleggingsbuffer voor de beleggingen waarover door het fonds een rendementsgarantie is afgegeven rekening moet worden gehouden met de bepalingen uit artikel 8, tweede lid, van de PSW;

- een reserve algemene risico’s opneemt van 4 %; en

- indien uit de door eiseres op te stellen vermogensopstelling blijkt dat het pensioenfonds ultimo 2003 in een situatie van reservetekort is komen te verkeren, voor eerder genoemde datum daarbij een plan van aanpak met maatregelen voegt waarmee het reservetekort uiterlijk binnen 8 jaar na deze peildatum wordt beëindigd.

Bij brief van 24 augustus 2005 heeft verweerster eiseres op de hoogte gesteld dat eiseres de gemaakte afspraken niet is nagekomen en zij alsnog een vermogensopstelling ultimo 2003 binnen vier weken dient toe te zenden. Na verlenging van deze termijn heeft eiseres een actuarieel rapport voor het boekjaar 2004 aan verweerster gestuurd en een vermogensopstelling.

Bij brief van 29 december 2005 heeft verweerster de op 22 december 2005 met eiseres gemaakte afspraken bevestigd. Daarin is ondermeer uiteengezet dat eiseres ter voorkoming van een mogelijk aanwijzing uit hoofde van artikel 23 van de PSW uiterlijk op 1 maart 2006:

- de rendementsgarantie zodanig aanpast dat duidelijk blijkt dat voldaan wordt aan artikel 8, tweede lid, van de PSW;

- een gewaarmerkt exemplaar van het gewijzigde pensioenreglement en de bijbehorende wijzigingsnota(‘s) aan verweerster dient toe te zenden;

- documentatie aan verweerster dient te verstrekken over de wijze waarop de deelnemers over de aanpassingen van de pensioenregeling zijn geïnformeerd;

- de financiële opzet zodanig aanpast dat wordt voldaan aan de artikelen 7a en 9a van de PSW en de uitgangspunten van de brieven 30 september 2002 en 17 maart 2004;

- voor wat betreft de reserve algemene risico’s uit hoofde van de regeling vooralsnog kan volstaan met een reserve ter grootte van 1 % van deze verplichtingen, welke reserve in de financiële opzet dient te worden verwerkt.

Eiseres heeft bij brief van 24 februari 2006 verweerster bericht dat zij vasthoudt aan haar standpunt dat de 4 %-garantie alleen op de pensioendatum van toepassing is op de deelnemers die hun saldo op de pensioenbestemmingsrekening nimmer in een mix en altijd in de collectieve portefeuille hebben belegd.

Verweerster heeft het bestuur van eiseres vervolgens bij besluit van 26 april 2006 een aanwijzing gegeven. Hangende het bezwaar heeft verweerster de in de aanwijzing gegeven termijn van 2 maanden opgeschort met dien verstande dat de termijn afloopt 20 dagen na dagtekening van de beslissing op bezwaar. Met het bestreden besluit is de aanwijzing gehandhaafd.

2.2 Standpunten van partijen

De kern van het bestreden besluit komt er op neer dat het fonds van eiseres gelet op richtlijn 6 van Bijlage I bij artikel 5, vijfde lid, van het Pensioenreglement aan de (gewezen) deelnemers een rendement van 4 % op jaarbasis op hun belegging in de zogenoemde Collectieve Portefeuille, rekening houdend met een vermindering voor administratieve kosten zoals eveneens in Bijlage I omschreven, toezegt, zodat de pensioenregeling niet uitsluitend wordt bepaald door beschikbaar gestelde premies of bijdragen, maar ook door de rendementsgarantie. Daarom wordt niet voldaan aan de uitzondering van artikel 8, tiende lid, van de PSW en is artikel 8, tweede lid, van de PSW op het fonds van eiseres van toepassing. Deze constatering werkt ook door voor de opbouw en financiering als bedoeld in de artikelen 7a en 9a van de PSW. Gelet op één en ander is eiseres in overtreding van deze bepalingen nu zij handelt alsof artikel 8, tiende lid, van de PSW van toepassing is op de pensioentoezeggingen aan degenen die beleggen via de zogenoemde Collectieve Portefeuille.

Verweerster heeft voorts overwogen dat het in het belang van de deelnemers en gewezen deelnemers is dat eiseres een aanwijzing krijgt die er op is gericht dat het fonds haar pensioentoezeggingen daadwerkelijk nakomt. Naar het oordeel van verweerster dient het algemeen belang bij het veiligstellen van de pensioenrechten en het daarmee verbonden belang de overtredingen van de PSW te doen beëindigen zwaarder te wegen dan de mogelijkheid dat een en ander kan leiden tot lagere pensioenaanspraken voor de deelnemers.

In het aanvullend beroepschrift heeft eiseres op grond van de volgende argumenten aangevoerd dat artikel 8, tweede lid, van de PSW niet van toepassing is:

- blijkens artikel 10 van het Pensioenreglement worden de pensioenaanspraken uitsluitend bepaald door het saldo op de pensioenspaarrekening;

- het karakter van de spaarrekening impliceert dat het rendementspercentage alleen maar bij belegging op lange termijn gewaarborgd kan worden. In zoverre kan het vaste percentage op één lijn worden gesteld met producten waarbij op de pensioeningangsdatum sprake is van een winstbijschrijving of een alleen op die datum gegarandeerd kapitaal;

- de toezegging van 4 % is een voorwaardelijke, namelijk op de pensioendatum. Er is geen sprake van evenredige financiering of van verwerving van dat rendement in de periode daaraan voorafgaand, omdat dit niet is toegezegd.

Voorts is door eiseres aangevoerd dat de norm van de evenredige opbouw en financiering als bedoeld in artikel 7a van de PSW in het geheel niet van toepassing is op beschikbare premieregelingen als de onderhavige. Die norm is geschreven voor regelingen waar aanspraken in relatie tot de diensttijd worden opgebouwd, niet voor beschikbare premieregelingen.

Verder heeft zij aangevoerd dat verweerster handelt in strijd met opgewekt vertrouwen nu de PVK eerder bij brieven van 3 april 2002 en 24 december 2003, waarbij werd gereageerd op het Pensioenreglement inclusief bijlagen, geen opmerkingen heeft gemaakt over strijdigheid met de PSW.

Verder is van de zijde van eiseres gesteld dat de financiële gevolgen aanzienlijk zijn. Daar eiseres een buffer zal moeten aanhouden die gevormd zal moeten worden uit betaalde pensioenspaarpremies, zullen deze niet volledig maar slechts voor 85 % een pensioenbestemming kunnen krijgen. De deelnemers worden hierdoor direct benadeeld.

Ter zitting is van de zijde van eisers ten slotte nog aangevoerd dat, ingeval van dalende koersen, uitdiensttreders die hun pensioenaanspraken overdragen aan een nieuwe werkgever door de uitleg van verweerster in een bevoorrechte positie komen te verkeren ten opzichte van degenen die in het pensioenfonds deelnemen tot hun pensioen.

Het verweerschrift strekt tot ongegrondverklaring van het beroep.

2.3 Beoordeling

Op 1 januari 2007 zijn de Pensioenwet en de Invoerings- een aanpassingswet Pensioenwet in werking getreden en is de PSW ingetrokken. Gelet op artikel 61 van de Invoerings- een aanpassingswet Pensioenwet is de rechtbank bevoegd kennis te nemen van het aanhangige beroep en gelet op de strekking van artikel 52 van die wet moet de op grond van de PSW gegeven aanwijzing worden beoordeeld aan de hand van de voor 1 januari 2007 geldende wetgeving.

Met betrekking tot de partijstelling overweegt de rechtbank het volgende. Hoewel de aanwijzing zich, gelet op het bepaalde in artikel 23, eerste en tweede lid, van de PSW, richt tot het bestuur van eiseres, is de Stichting Voorzieningsfonds Getronics in het bezwaar- en het beroepschrift als aanlegger genoemd. Daar de beslissing tot het maken van bezwaar en het instellen van beroep slechts door het bestuur van eiseres kan zijn genomen houdt de rechtbank het ervoor dat blijkbaar is beoogd de onderhavige rechtsmiddelen in te stellen (mede) namens haar bestuur. Gelet op de correspondentie zal de rechtbank de Stichting Voorzieningsfonds Getronics aanduiden als partij, maar daaronder moet gelet op het vorenstaande tevens haar bestuur worden begrepen.

Met betrekking tot de partijen primair verdeeld houdende vraag ter zake de betekenis van de rendementsgarantie van 4 % overweegt de rechtbank het volgende.

De zesde richtlijn van Bijlage I als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, van het Reglement bepaalt dat voor de (gewezen) deelnemers die nimmer hebben gekozen voor een beleggingsmix, op de pensioendatum het saldo op de spaarrekening met pensioenbestemming ten minste gelijk is aan de som van de spaarbedragen, vermeerderd met een vergoeding van 4 % op jaarbasis, rekening houdend met de vermindering voor administratieve kosten.

De rechtbank kan dit met verweerster niet anders opvatten dan een onverkorte pensioentoezegging die, ten aanzien van de (gewezen) deelnemers voorzover die de spaarbedragen nimmer anders hebben laten beleggen dan in de zogenoemde Collectieve Portefeuille, meer bevat dan enkel door de werkgever of de deelnemer beschikbaar gestelde premies of bijdragen als bedoeld in artikel 8, tiende lid, van de PSW.

Met verweerster vermag de rechtbank niet in te zien dat hier sprake kan zijn van een voorwaardelijke toezegging die niet verder gaat dan dat slechts de pensioengerechtigde deelnemer eerst aanspraak kan maken op dit rendement van 4 % op jaarbasis bovenop de ingelegde spaarbedragen. Anders dan eiseres suggereert behelst voornoemde zesde richtlijn naar tekst en strekking niet het voorbehoud dat de genoemde 4 % afhankelijk is van behaalde rendementen. Voorts kan eiseres niet worden gevolg in haar uitleg van artikel 7a van de PSW. De strekking van die bepaling is geen andere dan de duidelijke wettekst.

Nu verweerster is gebleken dat eiseres gewezen deelnemers bij beëindiging van de deelneming niet ten minste een premievrije aanspraak op een evenredig ouderdomspensioen gaf als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de PSW, maar enkel de betaalde premies, overtrad eiseres deze bepaling. Voorts is zij tekort geschoten in het aanhouden van een voldoende financiering als bedoeld in de artikelen 7a en 9a van de PSW nu zij haar dekking afstemde op een onjuiste regeluitleg. Gelet hierop kwam verweerster de bevoegdheid toe eiseres een aanwijzing te geven gericht op de naleving van de artikelen 7a, 8 en 9a van de PSW.

Anders dan eiseres, is de rechtbank met verweerster van oordeel dat geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel die in de weg staat aan het geven van een aanwijzing gericht op regelnaleving. Dat de PVK eerder geen opmerkingen had bij het (aangepaste) Reglement met de daarbij behorende Bijlage I, maakt niet dat bij eiseres het vertrouwen kan zijn gewekt dat artikel 8, tiende lid, van de PSW op haar fonds onverkort van toepassing was. De PVK heeft zich daar immers niet over uitgelaten, terwijl uit het Reglement en de daarbij behorende Bijlage I zelf niet valt af te leiden dat eiseres haar pensioenregeling uitvoerde alsof daar wel sprake van was. Het doen van een voorwaardelijke pensioentoezegging zoals eiseres die voorstaat, zou immers in strijd komen met de tekst en de strekking van de PSW. De PVK mocht er daarom van uit gaan dat eiseres haar reglement conform de al in het overleg op 17 februari 2005 door verweerster voorgestane uitleg zou toepassen. Nu eiseres een andere uitleg gaf aan haar pensioenregeling acht de rechtbank het niet onredelijk dat de aanwijzing mede strekt tot aanpassing van het Reglement als vervat in het eerste onderdeel van de aanwijzing.

Ten slotte zijn de rechtbank geen andere zwaarwegende argumenten gebleken die maken dat de aanwijzing, als gehandhaafd met het bestreden besluit, in strijd komt met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde evenredigheidsbeginsel. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat het mogelijke gevolg van de aanwijzing dat eiseres toekomstige pensioenaanspraken neerwaarts zal moeten bijstellen met het oog op de financiering, niet met zich kan brengen dat verweerster in redelijkheid had moeten afzien van het geven van onderhavige aanwijzing. Verweerster heeft in redelijkheid een zwaarder gewicht mogen toekennen aan regelnaleving met betrekking tot de nakoming van pensioentoezeggingen door het fonds evenals aan het door het fonds aanhouden van een voldoende dekkingsgraad om die nakoming te blijven verzekeren.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzitter en mr. P. van Zwieten en mr. M. Jurgens, leden, en ondertekend door de voorzitter en mr. drs. R. Stijnen, griffier.

De griffier: De voorzitter:

Uitgesproken in het openbaar op 20 juni 2007.

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.