Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA7949

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
25-06-2007
Zaaknummer
235902 / HA ZA 05-1007
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vallen reconditioneringskosten van electronica onder het begrip opruimingskosten als bedoeld in de Nederlandse Beurs Brandpolis?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 458
RAV 2007, 44
S&S 2009, 94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 235902 / HA ZA 05-1007

Uitspraak: 13 juni 2007

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

de vennootschap naar Duits recht GERLING-KONZERN ALLGEMEINE VERSICHERUNGS-AG, tevens in Nederland handelend onder de naam Gerling-Konzern Allgemeine Versicherungs-AG Directie voor Nederland,

gevestigd te Keulen, Duitsland,

eiseres,

procureur mr. J. Kneppelhout,

advocaat mr. J.H. Tuit te Almere,

- tegen -

1. de naamloze vennootschap AXA SCHADE N.V.,

gevestigd te Utrecht,

2. de naamloze vennootschap ALLIANZ NEDERLAND SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

3. de vennootschap naar Zwitsers recht “ZURICH” VERSICHERUNGS-GESELLSCHAFT,

gevestigd te Zurich, Zwitserland,

4. de naamloze vennootschap HDI VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaten mrs. B.M. Jonk-Van Wijk en F.Y. van Schaik te Rotterdam.

Eiseres wordt hierna aangeduid als “Gerling” en gedaagden gezamenlijk als “Verzekeraars”. Gedaagden worden afzonderlijk ook aangeduid als “Axa”, “Allianz”, “Zurich” en “HDI”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaardingen d.d. 27 december 2004 en de door Gerling overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek, met producties;

- conclusie van dupliek, met producties;

- de bij gelegenheid van de pleidooien overgelegde pleitaantekeningen en -notities.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 In de nacht van 16 op 17 februari 1999 is er door blikseminslag in een zend- en ontvangstgebouw van N.V. Castel (verder: Castel) gelegen aan de [adres] te [woonplaats] brand ontstaan. Castel is een dochteronderneming van N.V. Edon, thans Edon Groep B.V. (verder: Edon).

2.2 In het zend- en ontvangstgebouw waren zowel apparatuur ten behoeve van het kabelnetwerk als apparatuur voor het datacommunicatieverkeer van N.V. Edon West, eveneens een dochteronderneming van Edon, ondergebracht. Deze apparatuur bestond in feite uit een reeks kasten waarin diverse modules, radio- en televisieontvangers, modulatoren, versterkers e.d. waren geplaatst. Ook was er optische apparatuur in het gebouw geplaatst, alsmede zogenaamde SDH-apparatuur.

2.3 Tengevolge van de brand diende de elektronische apparatuur gereinigd te worden. Er heeft eerst een grove (uitwendige) reiniging plaatsgevonden. Vervolgens is de elektronica inwendig gereinigd (ook wel reconditionering genoemd). Hiertoe is diverse apparatuur losgenomen, getransporteerd en elders ontmanteld, waarna de inwendige reiniging is uitgevoerd. Vervolgens is de apparatuur weer samengebouwd en getest.

2.4 Edon had ten tijde van de brand, mede ten behoeve van haar dochtermaatschappijen, bij Gerling een elektronicaverzekering (verder: de elektronicaverzekering) afgesloten.

2.5 In de toelichting op de algemene voorwaarden behorende bij de elektronicaverzekering is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

4. Omvang van de dekking/Verzekeringsvoorwaarden

(…) dekking bestaat voor:

- een plotselinge onvoorziene materiële beschadiging van de verzekerde zaak (…)

In de verzekeringsvoorwaarden wordt verstaan onder:

* Onvoorziene materiële beschadiging

Een onvoorziene materiële beschadiging is een materiële beschadiging welke de verzekeringnemer noch op tijd heeft voorzien noch met de voor de bedrijfsuitoefening benodigde vakkennis, zonder grove nalatigheid had kunnen voorzien.

(…)

6. Uitsluiting van brand, ontploffing en blikseminslag

Standaard is in de dekkingsomvang van de Elektronica Verzekering (…) o.a. medeverzekerd schade ten gevolge van brand, ontploffing en blikseminslag.

Indien verzekeringnemer de hierboven genoemde gevaren uitgesloten wil hebben, dient de clausule 25 in de polis opgenomen en de van toepassing zijnde korting op de premie toegekend te worden.

Indien de volle dekking van de Elektronica Verzekering behouden dient te blijven, is het aan te bevelen de op de Elektronica Verzekering gedekte zaken uit te laten sluiten op de bestaande brandverzekering.”

2.6 De algemene voorwaarden behorende bij de elektronicaverzekering houden – voor zover hier van belang – het volgende in:

“1.10. BEREDDINGSKOSTEN

kosten door verzekeringnemer bij of na een gedekte gebeurtenis gemaakt in verband met maatregelen ter voorkoming of vermindering van schade aan de verzekerde zaak.

(…)”.

2.7 Edon had ten tijde van de brand, mede ten behoeve van haar dochtermaatschappijen, bij (onder meer) Verzekeraars een brandverzekering afgesloten (verder: de brandverzekering), waarbij elektronica expliciet van dekking was uitgesloten.

2.8 In de verzekeringsvoorwaarden Nederlandse Beurs Brandpolis behorende bij deze verzekering is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

1 Begripsomschrijvingen

In deze polis wordt verstaan onder:

(…)

1.9 Opruimingskosten

de kosten voor afbraak, wegruimen en afvoeren van de verzekerde zaken, die (…) het noodzakelijk gevolg zijn van een voorval waartegen verzekerd is.

(…)

9. Verval van Rechten

Elk recht op schadevergoeding vervalt door verloop van 5 jaren na het voorval.

(…)”.

2.9 In de aanvullende voorwaarden behorende bij de brandverzekering is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

1.1 Verzekeringnemer

Diegene, die deze verzekering met verzekeraars is aangegaan en de premies en kosten is verschuldigd.

1.2 Verzekerde

- Verzekeringnemer.

- Voorts iedere derde met betrekking tot wie verzekeringnemer op zich heeft genomen diens belang te verzekeren.

(…) Aanspraken op schadevergoeding onder deze verzekering zijn aan de verzekeringnemer voorbehouden. Voor andere verzekerden ontstaan aanspraken op schade vergoeding eerst door een daartoe strekkende verklaring, door de verzekeringnemer tegenover de verzekeraars afgelegd.

(…)”.

2.10 De verdeling van Verzekeraars op de brandpolis is als volgt: Axa 22,5%, Allianz 17,5%, Zurich en HDI ieder 15%. De overige 30% werd gehouden door Gerling en een rechtspersoon die geen verhaal meer biedt.

2.11 Tussen Gerling en Verzekeraars is een geschil ontstaan over de vraag onder welke verzekering de reconditioneringskosten van de elektronica uitgekeerd dienen te worden. Gerling heeft aan Edon ter zake de reconditioneringskosten een bedrag ad fl. 139.707,50, zijnde € 63.396,50 uitgekeerd, waarna Edon haar vordering op Verzekeraars bij akte heeft verkocht en gecedeerd aan Gerling.

2.12 Op 12 februari 2004 is de vervaltermijn opgenomen in artikel 9 van de verzekeringsvoorwaarden Nederlandse Beurs Brandpolis behorende bij de brandverzekering (hiervoor vermeld onder 2.8) op verzoek van de raadsman van Gerling door alle verzekeraars verlengd tot 16 juni 2004. De betreffende brief d.d. 10 februari 2004 is gericht aan Axa, per adres Allianz. In deze brief staat – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“(…)

Voor dit moment verzoek ik u, alsmede Allianz, deze telefax voor akkoord aan mij te retourneren. Nu beide bovenstaande verzekeraars bevoegd zijn namens overige volgverzekeraars in een dergelijk uitstel te bewilligen, zal ik, na ontvangst van (toevoeging rb) een door u ondertekend exemplaar de betrokken makelaar informeren met het verzoek volgverzekeraars te informeren.

(…)”.

De brief is op 12 februari 2004 (abusievelijk is bij de ondertekening in het slot van de brief 2003 vermeld) voor akkoord getekend door Axa en Allianz met de vermelding “mede namens overige ondertekenaars”.

2.13 Een brief van 27 oktober 2004 van de raadsman van Gerling aan Axa, per adres Allianz, houdt – voor zover hier van belang – het volgende in:

“(…)

Bij brief van 10 februari 2004 heeft u reeds bewilligd in een verlenging van de vervaltermijn, mede namens de overige ondertekenaars van de polis, in verlenging van de vervaltermijn tot 16 juni 2004.

Bij brief van 28 mei 2004, heeft u bewilligd in een nadere verlenging tot 1 augustus 2004. (…)

Bij mailbericht van 15 juli 2004 heeft u vervolgens bewilligd in een nadere verlenging tot 1 september 2004 (…).

(…) spraken wij af dat, (…), u namens beide bovenstaande verzekeraars, Allianz en Axa, mede namens de overige ondertekenaars van de polis kunt bewilligen (onderstreping rechtbank) in een nadere verlenging van de vervaltermijn tot 1 januari 2005.

Ter bevestiging van deze verlenging verzoek ik u vriendelijk een “voor akkoord” ondertekende telefax uiterlijk 29 oktober a.s. aan mij te retourneren. Tevens verzoek ik u volgverzekeraars van de brandverzekering over de verdere verlenging te informeren.

(…)”.

De brief is op 27 oktober 2004 voor akkoord getekend door Axa en Allianz, waarbij de hiervoor door de rechtbank onderstreepte woorden door Axa en Allianz zijn weggestreept. Achter de ondertekening zijn de woorden “mede namens overige ondertekenaars” vermeld.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. Axa te veroordelen tot betaling aan Gerling van een bedrag van € 14.264,21 te vermeerderen met de wettelijke rente;

2. Allianz te veroordelen tot betaling aan Gerling van een bedrag van € 11.094,39 te vermeerderen met de wettelijke rente;

3. Zurich te veroordelen tot betaling aan Gerling van een bedrag van € 9.509,48, te vermeerderen met de wettelijke rente;

4. HDI te veroordelen tot betaling aan Gerling van een bedrag van € 9.509,48, te vermeerderen met de wettelijke rente;

5. Verzekeraars hoofdelijk, althans pro rata, te veroordelen tot betaling aan Gerling van een bedrag van € 1.542,- te vermeerderen met de wettelijke rente;

6. Verzekeraars hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten met rente.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Gerling aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 De brand heeft zich beperkt tot de elektraverdeelinrichting en (enige schade) aan de airconditioningsinstallatie. Het vrijkomende roet is in de in het gebouw aanwezige kasten binnengedrongen en ook in de hierin opgestelde elektronische apparatuur, waardoor deze apparatuur zwaar met roet en rook werd verontreinigd.

De reconditionering van de elektronica was derhalve nodig als gevolg van de brand in onder de brandverzekering gedekte zaken. De roetdeeltjes, afkomstig van de op de brandverzekering verzekerde zaken en derhalve te beschouwen als verbrandingsresten van de verzekerde zaken, dienden te worden verwijderd. Het betreft dan ook opruimingskosten van (delen van) onder de brandpolis gedekte zaken. De opruimingskosten zijn meeverzekerd onder de brandpolis. Het criterium voor de vraag of er sprake is van onder de brandpolis vallende opruimingskosten is dat het kosten betreft die het gevolg zijn van een door de brandverzekering gedekt evenement aan een door de brandverzekering gedekte zaak. Nu de gemaakte reconditioneringskosten ad € 63.396,50 als opruimingskosten in deze zin dienen te worden beschouwd, dienen deze kosten door Verzekeraars te worden gedekt.

3.2 Dekking onder de elektronicaverzekering is uitgesloten omdat verontreiniging niet een materiële beschadiging is van de verzekerde zaak als omschreven in de polisvoorwaarden. Er is geen wijziging van de stoffelijke structuur, er heeft geen hechting plaatsgevonden tussen de roetdeeltjes en de verzekerde elektronica.

3.3 Voor het geval samenloop zou worden aangenomen, dient voor de beantwoording van de vraag welke verzekering secundair is aan de ander het chronologisch beginsel ex artikel 277 WvK te worden toegepast. De elektronicaverzekering is van latere datum dan de brandverzekering, zodat deze laatste voor dient te gaan.

3.4 Wettelijke rente is tenminste verschuldigd vanaf 9 februari 2000, nu uit een fax van die datum duidelijk was dat Verzekeraars niet zouden gaan presteren en zij krachtens artikel 6:83c BW zonder ingebrekestelling in verzuim waren.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van Gerling in de kosten van het geding.

Verzekeraars hebben daartoe het volgende aangevoerd:

Rechten onjuiste partij gecedeerd

4.1 De onderhavige schade is ontstaan in een zend- en ontvangstgebouw van Castel. Castel is ook de verzekerde voor dit zend- en ontvangstgebouw op de polis van de brandverzekering. Niet Edon, doch Castel heeft de schade geleden. Mitsdien is slechts Castel de (eventueel) rechthebbende onder de verzekering. Nu Gerling slechts in de rechten is getreden van Edon en niet in die van Castel, heeft zij geen vordering op Verzekeraars.

Verval en verjaring vordering jegens Zurich en HDI

4.2 Primair: Nu de dagvaarding op 27 december 2004 is uitgebracht, zijnde meer dan 5 jaar na het schadeveroorzakende voorval, is de vordering, gezien artikel 9 van de algemene voorwaarden Nederlandse Beurs Brandpolis behorende bij de brandverzekering (hiervoor vermeld onder 2.8), vervallen, tenzij Verzekeraars uitdrukkelijk hebben ingestemd met een verlenging van de vervaltermijn. Axa en Allianz hebben ingestemd met uiteindelijk een verlenging tot 1 januari 2005, doch niet mede namens de andere verzekeraars. Zurich en HDI hebben slechts ingestemd met een verlenging tot 16 juni 2004, zodat de vordering jegens hen is vervallen.

4.3 Subsidiair: De verjaringstermijn is gaan lopen op 16 februari 1999, althans 12 november 1999, het moment waarop het definitieve expertiserapport van de door Gerling ingeschakelde expert met daarin de begroting van de schade beschikbaar was. Naar Zurich en HDI zijn geen stuitingsbrieven gezonden, zodat de vordering jegens hen is verjaard.

Dekking onder de elektronicaverzekering

4.4 In de toelichting op de algemene voorwaarden van de elektronicaverzekering (hiervoor vermeld onder 2.5) is onder 6. uitdrukkelijk bepaald dat schade ten gevolge van brand standaard in de dekking van verzekering is meeverzekerd. Hiermee is de dekking uitgebreid tot elke schade, ongeacht of sprake is van een materiële beschadiging.

4.5 Er was sprake van een materiële beschadiging aan de elektronica. Er was sprake van hechting tussen de roetdeeltjes en de apparatuur, welke hechting niet alleen extern maar ook intern tot verkleuring heeft geleid en die, zonder (serieuze) schoonmaakmaatregelen, van blijvende aard was. De elektronische apparatuur is uit elkaar gehaald, intern gereinigd en weer in elkaar gezet, een aanmerkelijke ingreep die hoge kosten meebracht. Bovendien is er niet slechts sprake geweest van reiniging, maar zijn ook onderdelen gerepareerd en vervangen.

4.6 Er is sprake van bereddingskosten als bedoeld in artikel 1.10 van de algemene voorwaarden behorende bij de elektronicaverzekering (hiervoor vermeld onder 2.6).

Geen dekking onder de brandverzekering

4.7 De elektronica is expliciet van de dekking van de brandverzekering uitgesloten omdat het gaat om specifieke en grote risico’s die Verzekeraars niet wilden verzekeren. Een redelijke uitleg van de uitsluiting van de dekking van de elektronica onder de brandverzekering staat eraan in de weg dat deze risico’s via het begrip opruimingskosten onder de dekking van deze verzekering wordt gebracht.

4.8 De kosten waarvan Gerling vergoeding vordert zijn het gevolg van reconditionering van de beschadigde elektronica. Reconditionering is iets anders dan opruimen. De kosten voldoen ook niet aan de definitie van het begrip opruimingskosten in de brandverzekering, althans zoals Verzekeraars die hebben bedoeld.

In de jurisprudentie is op basis van een taalkundige uitleg van de definitie van opruimingskosten een ruimere betekenis gegeven aan het begrip opruimingskosten dan Verzekeraars beoogden. Gerling komt evenwel geen beroep toe op deze ruime uitleg, aangezien zij als verzekeraar bekend is althans bekend moet worden geacht met de bedoeling van Verzekeraars bij de definitie van opruimingskosten.

Hoogte gevorderde opruimingskosten

4.9 De brandverzekering beperkt de dekking voor opruimingskosten tot 10% van de ten tijde van het voorval ten aanzien van de locatie verzekerde som. In casu is dat € 10.301,-.

4.10 Betwist wordt dat er tot een bedrag ad € 63.396,50 reconditioneringskosten zijn gemaakt.

Samenloop

4.11 In geval van samenloop dient Gerling tot uitkering over te gaan, aangezien zij in de toelichting bij de polisvoorwaarden adviseert de onder de elektronicaverzekering gedekte zaken uit te sluiten op de brandverzekering, waarmee zij de dekking van de elektronicaverzekering primair heeft gemaakt.

4.12 Nu Verzekeraars er bewust voor hebben gekozen de elektronica op de locatie te Assen van dekking uit te sluiten en de elektronicaverzekering specifiek is afgesloten om deze elektronische apparatuur te verzekeren, brengen de redelijkheid en billijkheid mee dat de onderhavige schade ten laste van de elektronicaverzekering moet worden gebracht.

4.13 De elektronicaverzekering is op 1 september 1992 ingegaan. De brandverzekering is op 1 april 1992 ingegaan, doch het zend- en ontvangststation te Assen is pas na 1 september 1992 op de brandverzekering meeverzekerd. Dit brengt mee dat de elektronicaverzekering als oudste verzekering moet voorgaan.

4.14 Er zou gezien de samenloopbepalingen in beide polissen geanticipeerd moeten worden op het huidige artikel 7:961 BW.

Wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en hoofdelijkheid

4.15 De wettelijke rente is pas verschuldigd vanaf het moment van de dagvaarding. Betwist wordt dat Gerling buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt tot een bedrag van € 1.542,-. Voorts ontbreekt een grondslag voor een hoofdelijke veroordeling.

5 De beoordeling

5.1 Rechten onjuiste partij gecedeerd?

Verzekeraars hebben zich primair op het standpunt gesteld dat Gerling in de rechten van de verkeerde rechtspersoon is getreden, namelijk Edon, terwijl de rechthebbende onder de verzekering niet Edon zelf maar een van haar dochterondernemingen is. Gerling heeft hiertegen primair aangevoerd dat gezien de artikelen 1.1 en 1.2 van de aanvullende verzekeringsvoorwaarden behorende bij de brandverzekering (hiervoor vermeld onder 2.9) Edon als verzekeringnemer dient te worden beschouwd en haar dochteronderneming als verzekerde. Nu Edon geen verklaring heeft afgelegd dat haar dochteronderneming rechten kan ontlenen aan de polis, is Edon als verzekeringnemer de rechtspersoon die aanspraak kan maken op schadevergoeding onder de polis.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Weliswaar staat vast dat Edon de verzekeringnemer onder de brandverzekering is en als verzekeringnemer tevens verzekerde is, maar vast staat eveneens dat Edon niet degene is die daadwerkelijk de schade heeft geleden en daardoor strikt genomen geen rechthebbende is op een schadeuitkering onder de verzekering. Vast staat echter tevens dat de schade wel is geleden binnen het concern waarvan Edon de moeder is. Blijkens de polis had Edon het op zich genomen de belangen van het gehele concern te verzekeren via de brandverzekering. De rechtbank is van oordeel dat artikel 1.2 van de aanvullende verzekeringsvoorwaarden (hiervoor vermeld onder 2.9) voor zover dit bepaalt dat aanspraken op schadevergoeding onder de verzekering aan Edon als verzekeringnemer zijn voorbehouden, mede tegen die achtergrond dient te worden bezien. Nu Verzekeraars akkoord zijn gegaan met dit artikel 1.2, is de rechtbank van oordeel dat in het geval Edon ook de belangen van het gehele concern aan zich trekt en zich opwerpt om de door haar dochtermaatschappij(en) geleden schade onder de verzekering uitgekeerd te krijgen, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Verzekeraars zich er vervolgens op beroepen dat Edon niet zelf de schade heeft geleden. Dit verweer van Verzekeraars wordt derhalve verworpen.

5.2 Terecht beroep op vervaltermijn?

Zurich en HDI hebben zich beroepen op de vervaltermijn opgenomen in artikel 9 van de verzekeringsvoorwaarden Nederlandse Beurs Brandpolis behorende bij de brandverzekering (hiervoor vermeld onder 2.8). Gerling heeft hiertegen onder meer aangevoerd dat zij, gezien de correspondentie omtrent de verlenging van de vervaltermijn, erop mocht vertrouwen dat Axa niet alleen namens Allianz, maar ook namens Zurich en HDI optrad.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Verzekeraars hebben erkend dat met de brief van de raadsman van Gerling d.d. 10 februari 2004, hiervoor vermeld onder 2.12, alle gedaagden akkoord zijn gegaan met een verlenging van de vervaltermijn tot 16 juni 2004. Op dat moment was Axa kennelijk bevoegd de overige gedaagden rechtsgeldig te vertegenwoordigen. De rechtbank is van oordeel dat, mede gezien de onder 2.12 vermelde inhoud van deze brief, Gerling er vervolgens op mocht vertrouwen dat dit ook in de toekomst zo zou blijven totdat haar expliciet zou worden medegedeeld dat dit niet (langer) het geval was. Het enkele feit dat bij de akkoordverklaring van de hiervoor onder 2.13 vermelde brief van 27 oktober 2007 in de tekst de woorden “mede namens de overige ondertekenaars van de polis” zijn weggestreept is, gezien de zwaarwegende consequenties, niet aan te merken als een dergelijke mededeling. Dit geldt zeker nu in het slot van deze brief wordt verzocht de vervolgverzekeraars over de verdere verlenging te informeren, zodat zonder expliciet afwijzende reactie hierop Gerling erop mocht vertrouwen dat Axa dit ook zou doen, en voorts bij de ondertekening de woorden “mede namens overige ondertekenaars” wel door Axa en Allianz zijn gehandhaafd.

Ook onderhavig verweer wordt derhalve verworpen.

5.3 Terecht beroep op verjaring?

Zurich en HDI hebben zich subsidiair beroepen op verjaring. Ook dit verweer wordt verworpen. Gerling heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de correspondentie inzake de verlenging van de vervaltermijn mede beschouwd dient te worden als een stuitingshandeling. Indien een partij schriftelijk verzoekt een vervaltermijn te verlengen, kan hieruit niet anders worden afgeleid dan dat deze partij zich zijn recht op nakoming voorbehoudt, dat is immers juist de reden om verlenging van de vervaltermijn te verzoeken. Een dergelijk verzoek is derhalve een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 3:317 lid 1 BW.

5.4 Is er sprake van opruimingskosten?

Tussen partijen is in geschil of de reconditioneringskosten van de elektronica onder het begrip opruimingskosten als bedoeld in artikel 1.9 van de verzekeringsvoorwaarden Nederlandse Beurs Brandpolis behorende bij de brandverzekering (hiervoor vermeld onder 2.8) vallen.

De rechtbank stelt voorop dat het vanuit het oogpunt van verzekerden een zeer onwenselijke situatie zou zijn indien de begrippen materiële beschadiging (in de zin van de elektronicaverzekering) en opruimingskosten (in de zin van de brandverzekering) niet op elkaar aan zouden sluiten. Het is van maatschappelijk belang te voorkomen dat er tussen deze twee begrippen een leemte bestaat waardoor bepaalde schadeposten die ontstaan als gevolg van een brand noch door de ene verzekering noch door de andere verzekering zouden worden gedekt (een en ander uiteraard behoudens expliciete afspraken van die strekking, waarvan in dit geval echter geen sprake is). Gelet op de beide polissen moet worden aangenomen dat aansluiting tussen de brandverzekering enerzijds en de elektronicaverzekering anderzijds werd beoogd. Mede gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het begrip opruimingskosten in beginsel in overeenstemming met de op dit bestaande jurisprudentie ruim uitgelegd dient te worden.

Volgens de algemene voorwaarden dient onder opruimingskosten onder meer te worden verstaan “de kosten voor wegruimen van de verzekerde zaken”. De rechtbank is van oordeel dat roet, zijnde zeer kleine deeltjes afkomstig van de verzekerde zaken, beschouwd dient te worden als onderdelen van die verzekerde zaken, zodat de kosten die gemoeid zijn met het verwijderen van het roet in beginsel onder het begrip opruimingskosten vallen.

In onderhavige zaak acht de rechtbank echter zodanige omstandigheden aanwezig dat de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan het begrip opruimingskosten zo ruim uit te leggen dat ook de in casu gemaakte reconditioneringskosten hieronder vallen. Allereerst staat vast dat schade aan de elektronica expliciet was uitgesloten onder de brandverzekering en dat juist daarom de elektronicaverzekering bij Gerling is afgesloten. Gerling heeft niet dan wel onvoldoende betwist dat de elektronica door Verzekeraars was uitgesloten omdat het ging om specifieke en grote risico’s die Verzekeraars niet wilden verzekeren. Gezien de bewuste uitsluiting door Verzekeraars dient niet te snel aangenomen te worden dat schade aan de elektronica toch onder de brandverzekering is gedekt.

Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat de elektronica slechts met ingrijpende schoonmaakmaatregelen gereinigd kon worden. Vast staat dat de apparatuur uit elkaar gehaald, intern gereinigd en weer in elkaar gezet diende te worden. Uit de stukken blijkt dat aan een dergelijke reiniging hoge kosten zijn verbonden en dat het resultaat niet in alle gevallen 100% betrouwbaar is.

De rechtbank is voorts van oordeel dat in een situatie waarin dergelijke kwetsbare apparatuur op zodanige wijze is verontreinigd dat ingrijpende, kostbare schoonmaakmaatregelen noodzakelijk zijn, gesproken kan worden van een materiële beschadiging van deze apparatuur. Dit betekent dat deze schade in beginsel gedekt is onder de elektronicaverzekering, zodat de verzekerde niet in zijn belang wordt geschaad indien in een geval als het onderhavige de kosten niet vallen onder het begrip opruimingskosten.

Al het voorgaande overziend brengt dit de rechtbank tot de conclusie dat de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan in casu het begrip opruimingskosten dermate ruim uit te leggen dat de door Gerling gevorderde reconditioneringskosten hieronder vallen. De vordering van Gerling ligt om die reden voor afwijzing gereed, zodat de overige verweren van Verzekeraars geen bespreking behoeven.

5.5 Proceskosten

Gerling zal als de geheel in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vordering van Gerling;

veroordeelt Gerling in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Verzekeraars bepaald op € 975,- aan vast recht en op € 3.576,- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, mr. M. Fiege en mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

204/106/1729