Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA7880

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
25-06-2007
Zaaknummer
271089 / HA ZA 06-2902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gemeente vordert ontruiming van openbare gronden die door particulieren zijn toegevoegd aan hun achtertuinen. Het handelen van de gemeente is gericht op de handhaving van haar eigendomsrecht, is niet in strijd met fungerend gemeentebeleid en vormt ook overigens geen misbruik van recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 271089 / HA ZA 06-2902

Uitspraak: 23 mei 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE CAPELLE AAN DEN IJSSEL,

zetelend te Capelle aan den IJssel,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. A.T. Baarsma,

- tegen -

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

4. [gedaagde 4],

5. [gedaagde 5],

6. [gedaagde 6],

7. [gedaagde 7],

8. [gedaagde 8],

allen wonende te [woonplaats],

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. A.P.M. Henket.

Partijen worden verder aangeduid als “de gemeente” respectievelijk “de bewoners”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 28 september 2006 en de door de gemeente overgelegde producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 20 december 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- brief van mr. Baarsma d.d. 13 maart 2007, met producties;

- conclusie van antwoord in reconventie;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 30 maart 2007, met bijlagen.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 De bewoners zijn de respectieve eigenaars van de huizen, gelegen aan de [adressen] te [woonplaats]. Achter de achtertuinen van deze huizen ligt de Keerkring, een openbare weg. Tussen de achtertuinen en de Keerkring ligt het perceel kadastraal bekend gemeente Capelle aan den IJssel, sectie C, nummer 5402 (hierna: het perceel). Het perceel is eigendom van de gemeente.

2.2 De bewoners hebben, ieder voor zich, een deel van het perceel in gebruik en hebben dit toegevoegd aan hun achtertuinen. Hierdoor zijn de achtertuinen verlengd met 2.00 à 2.40 meter en resteert tussen de achtertuinen en de Keerkring een groenstrook met een diepte variërend van 1.00 tot 2.90 meter. De gemeente heeft hiervoor geen toestemming gegeven.

2.3 Op 17 december 2004 is door de gemeente de notitie “Grenzen stellen aan groen” vast¬gesteld. Daarin is beleid geformuleerd ten aanzien van het terugvorderen van gemeente¬grond die zonder toestemming van de gemeente door derden wordt gebruikt. Ten aanzien van grond die door huiseigenaren in gebruik is, bepaalt de notitie:

“Eigenaren van koopwoningen moeten hun tuin terugbrengen tot de kadastrale grens, tenzij het Groenstructuur¬plan ruimte biedt voor aankoop. (..) Ook geldt dat in situaties waarbij in hetzelfde blok al eerder is gekocht en dat nu niet meer mogelijk is vanwege de groenstatus, de bewoners toch kunnen kopen. Voorwaarde is ook hier dat voldaan wordt aan de overige verkoopcriteria. In hetzelfde blok houdt in dat dit uitsluitend geldt in dezelfde rij aaneengesloten woningen en dus niet aan de overkant van de straat of in de naastgelegen rij woningen.”

2.4 De regel dat verkoop mogelijk is indien in hetzelfde blok al eerder is gekocht, wordt aangeduid als de beleidsregel “Eerder verkocht in hetzelfde blok”. Deze beleidsregel is aangepast bij besluit d.d. 22 november 2005:

“(..) Voorwaarde is hierbij wel dat het uitsluitend gaat om situaties waarbij aan de achterzijde is bijgekocht. (..) Is in hetzelfde blok nog niet tot de verharding (..) gekocht dan geldt een groenbuffer van minimaal 2.50 meter. Tevens mogen de overige verkoopcriteria, zoals de aanwezigheid van kabels en leidingen, stedenbouwkundige aspecten etc. verkoop niet in de weg staan. (..)”

2.5 De verwijzing naar de “overige verkoopcriteria” in de beleidsregel is een verwijzing naar de criteria die de gemeente hanteert voor de verkoop van openbare gronden. Deze criteria zijn (onder meer) neergelegd in de notitie “Uitgifte openbaar groen” uit 1999:

“Op 2 mei 1983 heeft de raad besloten tot het uitgeven van groen in de meest ruime zin. In dit besluit zijn onder andere voor de verkoop een aantal criteria opgenomen. Deze criteria zijn uitgewerkt in uw besluit van 17 maart 1987 (…). Een aantal van de in deze besluiten genoemde criteria kunnen onverkort worden gehandhaafd:

- er wordt slechts verkocht aan eigenaren, niet aan huurders;

- (..)

- er wordt slechts verkocht vanuit de hoek van een rijtje woningen; de daarna te verkopen groenstroken dienen daarop aan te sluiten.

Andere criteria dienen (..) opnieuw geformuleerd te worden. Het gaat hier met name om:

a. (..)

b. de groenstructuur en stedenbouwkundige aspecten;

c. (..)”

2.6 De gemeente heeft bij brieven d.d. 1 september 2005 de bewoners bericht dat de gemeente de ontruiming wenst van gemeentegrond die één of meerderen van hen in gebruik hebben. De gemeente en de bewoners hebben vervolgens gecorrespondeerd over de weige¬ring van de bewoners om het perceel te ontruimen en het – door de gemeente afgewezen – verzoek van de bewoners om het perceel te kopen.

2.7 Bij brieven d.d. 28 maart 2006 heeft de gemeente de bewoners gesommeerd om binnen vier weken het perceel te ontruimen. Hieraan hebben de bewoners geen gehoor gegeven.

2.8 Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente heeft op 20 juni 2006 overeenkomstig art. 160 lid 1 sub f van de Gemeentewet besloten om tot dagvaarding over te gaan.

3 Het geschil in conventie en reconventie

3.1 De gemeente vordert in conventie - verkort weergegeven – om bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoer¬baar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de bewoners inbreuk maken op het eigendoms¬recht van de gemeente en om de bewoners te gebieden het perceel te ontruimen en ontruimd te houden, zulks op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de bewoners in de proceskosten.

3.2 De gemeente legt aan haar vordering ten grondslag dat het gebruik van het perceel door de bewoners onrechtmatig is omdat de grond haar eigendom is en zij geen toestemming heeft gegeven voor het gebruik ervan. Als eigenaar is zij, overeenkomstig artikel 5:2 BW, gerechtigd de ontruiming te vorderen en is zij niet gehouden tot verkoop van delen van het perceel. Ook past de door de bewoners gewenste verkoop niet binnen het door de gemeente gehanteerde beleid. De betreffende grond heeft de status “structuurbepalend groen”, hetgeen ingevolge de notitie “Uitgifte openbaar groen” betekent dat verkoop niet is toegestaan op grond van het criterium “groenstatus”. De uitzondering als vervat in de beleidsregel “Eerder verkocht in hetzelfde blok” is in dit geval niet van toepassing en als deze al van toepassing zou zijn, dan verzetten de overige verkoopcriteria zich tegen verkoop, aldus de gemeente.

3.3 De bewoners betwisten niet dat de gemeente eigenaar is van het perceel en dat het perceel is aangewezen als “structuurbepalend groen”, waarvan het beleid is dat dit niet wordt verkocht. De bewoners doen echter een beroep op de uitzondering “Eerder verkocht in hetzelfde blok”. Aan de overige verkoopcriteria wordt volgens de bewoners voldaan. Zij concluderen daarom dat de vordering van de gemeente in conventie dient te worden afgewezen en vorderen in reconventie – verkort weergegeven – dat de gemeente wordt bevolen de in gebruik zijnde grond aan de bewoners te verkopen en te leveren.

4 De beoordeling

In conventie en reconventie

4.1 Het uitgangspunt voor de beoordeling van het geschil is het eigendomsrecht van de gemeente. Als eigenaar heeft de gemeente het recht om ontruiming te vorderen van het perceel en om verkoop te weigeren. Dit zou anders kunnen zijn indien de gemeente misbruik maakt van haar eigendomsrecht danwel anderszins onrechtmatig handelt jegens de bewoners. Bij de beoordeling of hiervan sprake is, dienen mede de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in aanmerking genomen te worden; in het bijzonder dient te worden beoordeeld of de gemeente handelt in strijd met het gelijkheids- en het vertrouwensbeginsel door, zoals de bewoners stellen, ontruiming te vorderen en verkoop te weigeren in strijd met de beleidsregel “Eerder verkocht in hetzelfde blok”.

4.2 De bewoners stellen dat zij onder voornoemde beleidsregel aanspraak kunnen maken op koop van (delen van) het perceel. Zij voeren in dit verband aan dat de gemeente in 1990 in hetzelfde blok grond heeft verkocht aan de bewoner van [adres]. Het ging daarbij om grond gelegen aan de zijkant van de woning. Volgens de bewoners betekent dit dat de beleidsregel “Eerder verkocht in hetzelfde blok” van toepassing is. Immers, in de oorspronkelijke versie uit 2004 maakt de beleidsregel geen onderscheid tussen grond aan de zijkant en grond aan de achterzijde van de woningen. Voorzover hierover al onduidelijkheid zou zijn – de wijziging van de beleidsregel in 2005 geeft volgens de bewoners aan dat de gemeente verduidelijking nodig vond – komt dit volgens de bewoners voor rekening van de gemeente.

4.3 De rechtbank deelt het standpunt van de bewoners niet. Naar de gemeente onbetwist stelt, is de gedachte achter de beleidsregel “Eerder verkocht in hetzelfde blok” dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden behandeld. De achtergrond hiervan is dat de gemeente jarenlang oogluikend heeft toegestaan dat particulieren openbare grond gebruikten en dat in sommige gevallen aan particulieren grond is verkocht. Aan de bewoners kan worden toe¬gegeven dat de beleidsregel in de versie van 2004 niet expliciet tot uitdrukking brengt dat grond aan de zijkant en grond aan de achterkant van de woningen niet gelijk behandeld zullen worden. Uit het gelijkheidsprincipe dat aan de beleidregel ten grondslag ligt, volgt echter dat de gemeente zich redelijkerwijs op het standpunt kan stellen dat de beleidsregel niet bedoeld is voor de huidige situatie. De grond aan de zijkant van [adres] maakt geen onderdeel uit van het aanzicht van de Keerkring en kan derhalve redelijkerwijs door de gemeente als een andere situatie worden beschouwd. Daarbij komt dat de gemeente in 1990 heeft geweigerd om aan de bewoner van [adres] grond aan de achterzijde van de woning te verkopen, althans een deel van de strook grenzend aan de Keerkring, hetgeen consequent is ten opzichte van haar weigering om thans (delen van) het perceel aan de bewoners te verkopen. Anders dan de bewoners is de rechtbank niet van oordeel dat onduidelijkheden in de beleidsregel “Eerder verkocht in hetzelfde blok” in hun voordeel moeten worden uitgelegd. Het komt bij de toepassing van de beleidsregel aan op een redelijke uitleg van deze beleidsregel, waarbij de gemeente een ruime beoordelings¬vrijheid toekomt nu het gaat over de voorwaarden waaronder de gemeente bereid is haar eigendommen te verkopen. De door de gemeente gegeven uitleg van de beleidsregel is niet onredelijk en valt daarom binnen deze beoordelingsvrijheid.

4.4 Ook de verkoop van grond door de gemeente aan de bewoners van [adressen], verderop in de straat, leidt niet tot de toepasselijkheid van de beleidsregel “Eerder verkocht in hetzelfde blok”. Immers, deze huizen vormen geen onderdeel van hetzelfde blok als [adressen]. Voorzover de bewoners met hun verwijzing naar [adressen] betogen dat de gemeente onredelijk handelt door [adressen] anders te behandelen dan [adressen], slaagt dit betoog niet, nog daargelaten of een dergelijk verschil in behandeling zou rechtvaardigen dat de gemeente haar eigendomsrecht zou moeten opgeven. Tussen de achtertuinen van [adressen] en de Keerkring resteert na de verkoop een schuin toelopende strook gemeentegrond met een diepte die varieert van 2.15 meter tot circa 12.5 meter. Deze groenstrook is, gemiddeld genomen, aanzienlijk dieper dan de groenstrook die zou resteren indien de gemeente tegemoet zou (moeten) komen aan de wensen van de bewoners van [adressen]. In dat geval zou tussen hun achtertuinen en de Keerkring een groenstrook resteren met een diepte variërend van 1.00 tot 2.90 meter. Blijkens de toelichting van de gemeente hanteert zij uit stedenbouwkundig oogpunt – het aanzicht van de buurt en de Keerkring – als uitgangspunt dat er in ieder geval een groenstrook van 3 meter nodig is om er voor te zorgen dat de Keerkring een groen aanzicht heeft. Hoewel het stellen van een grens van 3 meter tot op zekere hoogte arbitrair is, kan niet gezegd worden dat de gemeente in redelijkheid niet kan beslissen dat zij geen gronden wenst te verkopen indien er een groenstrook van 3 meter of minder resteert. Een dergelijke keuze komt de gemeente als eigenaar van de grond toe. Hieraan doet niet af dat bij [adressen] een beperkt deel van de (schuin toelopende) groenstrook een diepte van minder dan 3 meter heeft, nu dat – naar de gemeente onbetwist stelt – is ingegeven door de overweging dat dit gecompenseerd wordt door de gemiddelde diepte van de betreffende groenstrook.

4.5 Het voorgaande maakt dat de bewoners geen aanspraken op de grond kunnen ontlenen aan het (verkoop)beleid van de gemeente. Ook indien aangenomen zou moeten worden dat de bewoners beter voor de resterende groenstrook zouden zorgen dan de gemeente – de groenstrook wordt door de bewoners onderhouden en is, naar de bewoners onbetwist stellen, thans in een goede staat van onderhoud – dan neemt dit niet weg dat de gemeente, die zich jegens de bewoners niet heeft verplicht tot verkoop, als eigenaar het recht heeft te beschik¬ken over haar grond. De gemeente is dan ook gerechtigd de ontruiming van het perceel te vorderen. Zij is daarbij niet gehouden tot het plegen van nader overleg nu de bewoners al sinds september 2005 bekend zijn met de wens van de gemeente tot ontruiming. De omstandigheid dat de gemeente in het algemeen streeft naar samenwerking met bewoners over het groenonderhoud, brengt niet met zich mee dat de gemeente geen aanspraak kan maken op ontruiming van grond die haar eigendom is. Wel geeft de rechtbank partijen in overweging om afspraken te maken over de uitvoering van dit vonnis om te voorkomen dat er geruime tijd ligt tussen de ontruiming van het perceel door de bewoners en de herin¬richting ervan door de gemeente. Een voorwaarde voor de ontruiming kan dit evenwel niet vormen.

4.6 De vordering van de gemeente in conventie zal daarom worden toegewezen met dien verstande dat het gebod tot ontruiming zo geformuleerd zal worden dat de bewoners niet hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een eventuele overtreding van dit vonnis. Er zijn geen gronden gesteld of gebleken die aanleiding kunnen zijn voor een hoofdelijke aansprakelijkheid terzake van een dergelijke overtreding. Verder zal de bewoners een termijn van dertig dagen voor de ontruiming worden gegeven en zal de gevorderde dwangsom worden gematigd. Ter voorkoming van misverstanden overweegt de rechtbank dat met de bevolen ontruiming van het perceel "met alles dat zich daarop vanwege de bewoners mocht bevinden", tevens wordt bedoeld dat de bewoners de door hen geplante bomen en andere beplanting van het te ontruimen gedeelte van het perceel dienen te verwijderen. De vordering van de bewoners in reconventie zal worden afgewezen.

4.7 De bewoners zullen zowel in conventie als in reconventie als de grotendeels in de ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De in reconventie gevorderde veroordeling in nakosten wordt op grond van artikel 237 lid 4 Rv afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank,

In conventie:

- verklaart voor recht dat de gemeente eigenaar is van het perceel;

- verklaart voor recht dat de bewoners een gedeelte van het perceel onrechtmatig in gebruik hebben;

- veroordeelt ieder van de bewoners om binnen 30 dagen na betekening van dit vonnis het bij hem of haar in gebruik zijnde gedeelte van het perceel met alles dat zich daarop vanwege de bewoners mocht bevinden, te ontruimen, te verlaten en in behoorlijke staat ter vrije en algehele beschikking van de gemeente te stellen;

- de gemeente te machtigen om – wanneer een bewoner de ontruiming niet binnen de hierboven genoemde termijn heeft voltooid – zelf die ontruiming op kosten van de desbetreffende bewoner te bewerkstelligen, zo nodig met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

- verbiedt ieder van de bewoners na de feitelijke terbeschikkingstelling het perceel wederom te betreden of in gebruik te nemen en bepaalt dat een bewoner aan de gemeente voor iedere dag dat hij of zij na de feitelijke terbeschikkingstelling in strijd met dit verbod handelt, een dwangsom verbeurt ter hoogte van € 100,-- per dag met een maximum van € 5.000,-- per bewoner;

- veroordeelt de bewoners in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente bepaald op € 248,-- aan vast recht, op € 84,87 aan overige verschotten en op € 904,-- aan salaris voor de procureur;

In reconventie

- wijst de vordering van de bewoners af;

- veroordeelt de bewoners in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de gemeente bepaald op € 226,-- aan salaris voor de procureur;

In conventie en reconventie

- verklaart dit vonnis voorzover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans.

Uitgesproken in het openbaar.

1876/1694