Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA7701

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-06-2007
Datum publicatie
20-06-2007
Zaaknummer
284486 HA/RK 07-85
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

wraking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer : 284486

Rekestnummer : HA RK 07-85

Uitspraak : 13 juni 2007

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[verzoekster],

wonende [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde [gemachtigde] te Zoetermeer,

strekkende tot wraking van [de rechter], rechter tevens kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

De Raad voor de Kinderbescherming te Rotterdam (hierna: de Raad) heeft op 7 november 2006 een verzoekschrift ingediend tot ondertoezichtstelling van vijf minderjarige kinderen van verzoekster. Deze procedure draagt als kenmerk 272132 / J1 RK 06-1271.

Verzoekster is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het verzoekschrift ter zitting van 18 december 2006, in welke brief werd meegedeeld dat het verzoekschrift behoudens onvoorziene omstandigheden zou worden behandeld door kinderrechterrechter [rechter 1]

Bij faxbericht van 17 december 2006 heeft de gemachtigde van verzoekster mr. Schröder gewraakt.

Bij beschikking van 18 januari 2007 heeft de rechtbank het verzoek tot wraking van

mr. Schröder afgewezen.

Ter terechtzitting met gesloten deuren van 16 februari 2007 en vervolgens van 6 april 2007 is door kinderrechter mr. [rechter 2] de behandeling van het verzoekschrift van de Raad voortgezet.

Bij gelegenheid van de behandeling op 6 april 2007 heeft de gemachtigde van verzoekster [rechter 2] gewraakt.

Bij beschikking van 1 mei 2007 heeft de rechtbank het verzoek tot wraking van

[rechter 2] afgewezen.

Ter terechtzitting met gesloten deuren van 24 mei 2007 is door de rechter de behandeling van het verzoekschrift van de Raad voortgezet.

Bij gelegenheid van die laatste behandeling heeft de gemachtigde van verzoekster de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het griffiedossier van de hiervoor omschreven procedure met kenmerk 272132 / J1 RK 06-1271, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting van 24 mei 2007.

Verzoekster, haar gemachtigde, de rechter, de Raad, alsmede Bureau jeugdzorg stadsregio Rotterdam zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting van 7 juni 2007, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen: de gemachtigde van verzoekster en [medewerkster] namens de Raad. Zij hebben ieder hun standpunt nader toegelicht.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoekster het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

In het proces-verbaal van de zitting van 24 mei 2007 is niet weergegeven wat er ter zitting daadwerkelijk is gezegd. In dat proces-verbaal ontbreken cruciale uitspraken van de gemachtigde van verzoekster en van de rechter. In dat proces-verbaal ontbreekt ook de mededeling van de zijde van de Raad dat het indienen van een klacht schorsende werking heeft.

2.1.2

Het besluit van de Raad tot het indienen van een verzoekschrift tot ondertoezichtstelling van minderjarige kinderen is een besluit met rechtsgevolgen. Elk rapport van de Raad over een persoon heeft rechtsgevolgen, zeker als wordt gesteld dat op basis van het rapport de Raad heeft besloten een dergelijk verzoekschrift in te dienen.

Bij de zitting van [rechter 2] is aangegeven dat de zaak werd aangehouden omdat er op het bezwaarschrift van verzoekster tegen het bedoelde besluit van de Raad moet worden beslist. De Raad moet daarop schriftelijk reageren en dat gebeurt niet. Het briefje van de Raad waarin staat: “je had maar een klacht moeten indienen”, is geen reactie als waar door [rechter 2] om is gevraagd.

2.1.3

De rechter stapte heel snel over het voorgaande heen en wilde de zaak inhoudelijk gaan behandelen. De rechter concludeerde aan de hand van het proces-verbaal van de zitting van 6 april 2007 dat de door [rechter 2] vastgestelde gang van zaken nooit aan de orde was geweest. Dat was wel de afspraak: de Raad moest schriftelijk reageren. De rechter week af van het door [rechter 2] uitgezette en door partijen overeengekomen beleid. In de procedure moeten de procedurele regels in acht worden genomen. Als de rechter daarvan afwijkt, moet zij dat motiveren en moet zij niet zeggen dat de zaak zo lang duurt vanwege alle verzoeken tot wraking.

2.1.4

Ter zitting van 24 mei 2007 ging de rechter op de stoel zitten van de bestuursrechter. Inzet was de beslissing op het bezwaarschrift van verzoekster tegen het besluit van de Raad, waarbij de rechter aangaf aan de Raad: “dan moet u het bezwaarschrift maar ongegrond verklaren”. De rechter gaf daarmee aan hoe het bestuursorgaan moest gaan beslissen op het bezwaarschrift van verzoekster. De rechter moet slechts marginaal toetsen en zeker niet aangeven hoe het bestuursorgaan of de bestuursrechter moet gaan beslissen.

2.1.5

Later in dezelfde zitting gaf de rechter aan verzoekster aan: “u heeft geen klacht ingediend, dan had u maar een klacht moeten indienen”. Daarmee heeft de rechter de schijn van partijdigheid gewekt. Uit de handelingen van de Tweede Kamer blijkt dat tegen elk besluit het indienen van een bezwaarschrift mogelijk is. De mogelijkheid van het indienen van een klacht is bij de inwerkingtreding van de Wet op de jeugdzorg komen te vervallen. Elk besluit is nu vatbaar voor bezwaar en beroep. Verzoekster koos voor het traject van het bezwaarschrift. De kinderrechter is het toetsende orgaan voor dat bezwaarschrift. De rechter vond dat verzoekster maar in beroep moest gaan. Partijen waren echter al bij de rechter. De zaak was daar reeds in behandeling. Het vragen van een voorlopige voorziening was dus niet nodig.

2.1.6

Er is nu een medewerker drie keer per week in het gezin van verzoekster aanwezig. Bij alle zittingen die er tot nu toe zijn geweest is die persoon niet aanwezig geweest. De rechter moet weten hoe het nu daadwerkelijk in het gezin gaat. Alle andere in deze zaak betrokken deskundigen hebben het gezin niet of nauwelijks gezien, in ieder geval niet langer dan vijf minuten. Geen van de ter zitting van 24 mei 2007 aanwezige personen was aanwezig bij de zitting van [rechter 2].

2.1.7

De rechter moet objectief en volledig een raadsrapport toetsen, nadat dit op correcte wijze tot stand is gekomen. Het rapport van de Raad is niet tot stand gekomen op basis van de beginselen van behoorlijk bestuur. De bij deze zaak betrokken personen zijn niet gehoord. De juiste procedure moet worden gevolgd. Volgens de wet en de strekking van de wet, welke door de Raad en Bureau jeugdzorg moeten worden gevolgd, moet men de cliënten gaan horen. Indicatiebesluiten moeten tot stand komen na overleg met cliënten. Dat is allemaal niet gebeurd. Er worden nu stukken opgevraagd en ingebracht zonder cliënten daarin te kennen. Stukken waarom wordt verzocht, worden niet verstrekt. Op die manier worden structurele rechten van mensen, alsmede waarborgen om tot een besluit te komen, geschonden.

2.1.8

Door dit alles is er ten aanzien van de rechter sprake van objectieve partijdigheid. De rechter heeft de schijn nu tegen.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren.

3. De beoordeling

3.1

Aan de door verzoekster aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde en anderszins aannemelijk geworden omstandigheden niettemin een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de - beweerdelijk - bij verzoekster bestaande vrees dat de rechter jegens verzoekster een vooringenomenheid koestert - objectief - gerechtvaardigd is.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.

3.2

Het is in beginsel aan de rechter om de inhoud van het proces-verbaal van de zitting van 24 mei 2007 vast te stellen. Er is geen grond voor de veronderstelling dat het proces-verbaal zodanige omissies bevat dat het standpunt van verzoekster daaruit onvoldoende kan worden gekend.

3.3

De stelling van verzoekster dat de rechter tijdens die zitting op de stoel van de bestuursrechter is gaan zitten en ter zitting heeft gezegd hoe een bestuursorgaan dan wel de bestuursrechter moet gaan beslissen, wordt niet gestaafd door de inhoud van het proces-verbaal van de zitting. Uit het proces-verbaal kan worden afgeleid dat de rechter ter zitting het door verzoekster opgeworpen verweer - dat nog niet tot de inhoudelijke beoordeling kon worden overgegaan omdat eerst een toetsing diende plaats te vinden - heeft besproken. Daarbij heeft zij, kennelijk na afweging van de diverse procedurele kanten en alle in het geding zijnde belangen, aangegeven geen bezwaar te zien om tot inhoudelijk behandeling van het verzoek van de Raad over te gaan. Het behoort tot de taak van een rechter een verweer op juistheid te onderzoeken en te bezien of er (formele) beletselen zijn om tot behandeling over te gaan. Een dergelijke handelwijze geeft geen blijk van vooringenomenheid.

Gesteld al dat de door verzoekster omschreven afspraken met [rechter 2] ten aanzien van de verdere wijze van procederen zijn gemaakt op de wijze als door verzoekster is aangegeven - hetgeen de rechtbank in het midden laat en overigens niet blijkt uit de beschikking van 16 februari 2007- kan het desalniettemin overgaan tot de behandeling van de zaak door de rechter eventueel als een verrassingsbeslissing worden aangemerkt, doch zulks levert evenmin een zwaarwegende aanwijzing op voor het oordeel dat er ten aanzien van die rechter sprake is van objectieve vooringenomenheid.

3.4

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

3.5

De rechtbank is inmiddels een aantal keren in zitting bijeen gekomen teneinde tot een inhoudelijke behandeling te komen van het verzoekschrift van de Raad. Telkenmale is het niet tot (een afronding van) die behandeling kunnen komen, omdat verzoekster tot thans driemaal toe de wraking van de behandelend rechter heeft verzocht.

Het eerste verzoek werd afgewezen omdat de concrete feiten waarop verzoekster de wraking baseerde zich niet hadden voorgedaan en omdat die feiten op zichzelf onvoldoende waren om aan te nemen dat er sprake was van subjectieve of objectieve partijdigheid.

Het tweede verzoek werd afgewezen omdat aan de enkele omstandigheid dat

[rechter 2] had toegestaan dat een medewerker van Bureau Jeugdzorg stadsregio Rotterdam ter zitting aanwezig was en namens de stichting Bureau Jeugdzorg stadsregio Rotterdam het woord voerde, zonder daartoe eerst een schriftelijke volmacht van de stichting te overleggen, geen aanwijzing viel te ontlenen voor subjectieve dan wel objectieve partijdigheid.

Thans wordt ook het derde verzoek tot wraking afgewezen op grond van de hiervoor in rechtsoverweging 3.3 weergegeven overwegingen.

Doordat ten aanzien van drie opvolgende rechters (vrijwel steeds aan het begin van de zitting) een wrakingsverzoek is ingediend dat vervolgens telkenmale niet gegrond is bevonden, is een aanzienlijke tijdsperiode verlopen en is de rechter nog steeds niet toe kunnen komen aan (afronding van de) inhoudelijke behandeling. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat er aan de zijde van verzoekster sprake is van misbruik van het middel van wraking, als bedoeld in artikel 39, lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hetgeen betekent dat een volgend verzoek tot wraking in deze procedure niet in behandeling wordt genomen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van [de rechter].

bepaalt dat een volgend verzoek van verzoekster tot wraking van de behandelend rechter niet in behandeling wordt genomen.

Deze beslissing is gegeven op 13 juni 2007 door mr. M.J.A.M. Ahsmann, voorzitter,

mr. J.W. Klein Wolterink en mr. L.A.C. van Nifterick, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- [verzoekster]

- [gemachtigde]

- [de rechter]

- Raad voor de Kinderbescherming te Rotterdam

- Bureau jeugdzorg stadsregio Rotterdam