Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA6216

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-05-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
257646 / HA ZA 06-803
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vordering uit onverschuldigde betaling. Beroep op overmacht faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 257646 / HA ZA 06-803

Uitspraak: 16 mei 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de naamloze vennootschap ABN AMRO N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. J. Van Riet,

advocaat mr. R.P.M. Jansen van Mantgem te Amsterdam,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. R. Kuijer.

Partijen blijven verder aangeduid als "ABN AMRO" respectievelijk "[gedaagde]".

1. Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 20 december 2006 (abusievelijk gedateerd op 20 december 2007);

- de door partijen na tussenvonnis genomen aktes.

2. De verdere beoordeling

2.1

Bij voornoemd tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat het primaire verweer van [gedaagde] dient te worden beschouwd als een beroep op overmacht in de zin van artikel 6:75 BW alsmede dat het debat tussen partijen op dit punt nog niet voldoende was uitgekristalliseerd. De zaak is naar de rol verwezen voor aktewisseling teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich hierover nader uit te laten.

2.2

ABN AMRO heeft bij akte betoogd dat van overmacht aan de zijde van [gedaagde] geen sprake is. Doordat [gedaagde] niet tijdig aangifte heeft gedaan van de vermissing of diefstal van haar bankpas en de bijbehorende pincode, is thans niet valt vast te stellen of zij het slachtoffer is geworden van een misdrijf, aldus ABN AMRO, bovendien heeft [gedaagde] nagelaten haar standpunt op enige wijze te onderbouwen. Daarnaast wijst ABN AMRO erop dat [gedaagde] niet de van haar te verwachten zorgvuldigheid in acht heeft genomen ten aanzien van het in bezit houden van haar bankpas, het daarvan gescheiden bewaren van de bijbehorende pincode en het tijdig aangifte doen bij vermissing daarvan. Door dit na te laten heeft [gedaagde] risico’s genomen die voor haar rekening komen, zodat volgens ABN AMRO van een overmachtsituatie geen sprake kan zijn.

2.3

Ter nadere onderbouwing van haar beroep op overmacht, inhoudende dat zij het slachtoffer is geworden van een professionele groep oplichters, voert [gedaagde] bij akte - verkort weergegeven - het volgende aan.

- Dat [gedaagde] het slachtoffer is geworden van een misdrijf blijkt uit de omstandigheid dat er veel meer zaken als de onderhavige spelen; van de bankrekening van de betreffende klant van ABN AMRO zijn in totaal zestien frauduleuze (telefonische) overboekingen gedaan in totaal ter hoogte van een bedrag van € 99.138,-, waaronder de overboeking ad € 16.380,- naar de bankrekening van [gedaagde].

- [gedaagde] was haar bankpasje met de daarbij behorende pincode kwijtgeraakt. Zij ontdekte dit op 28 juni 2003 en heeft haar bankpas toen direct laten blokkeren.

- [gedaagde] heeft getracht onverwijld bij de politie aangifte te doen van de diefstal, althans vermissing, van haar bankpas en pincode, maar de politie heeft, in plaats van de aangifte op te nemen, [gedaagde] doorverwezen naar een advocaat.

- [gedaagde] wist niet dat er een frauduleuze overboeking naar haar bankrekening had plaatsgevonden, gevolgd door diverse geldopnames van in totaal ditzelfde bedrag. Zij ontdekte dit pas veel later toen zij uiteindelijk op 4 juli 2004 - na herhaald verzoek daartoe - van de Postbank het betreffende bankafschrift ontving.

2.4

Zonder nadere onderbouwing, zoals bijvoorbeeld een tijdige aangifte eventueel gevolgd door een strafrechtelijk onderzoek, rechtvaardigt de stelling dat er meerdere frauduleuze overboekingen van de bankrekening van de onderhavige klant van ABN AMRO naar verschillende bankrekeningen hebben plaatsgevonden naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf genomen niet de conclusie dat [gedaagde] het slachtoffer is geworden van een misdrijf. Immers, niet uit te sluiten valt dat de betreffende andere rekeninghouders en/of [gedaagde] hun bankpas en pincode aan derden ter beschikking hebben gesteld teneinde de onderhavige frauduleuze overboekingen te faciliteren.

Het uitgangspunt is dat [gedaagde] verantwoordelijk is voor haar bankrekening bij de Postbank. Terecht voert ABN AMRO aan dat dit onder meer betekent dat [gedaagde] zorgvuldig dient om te gaan met haar bankpas, dat zij de pincode gescheiden dient te bewaren en tijdig aangifte dient te doen bij vermissing daarvan. Door dit niet te doen heeft [gedaagde] risico’s genomen die in beginsel voor haar rekening dienen te komen.

Dat [gedaagde] haar bankpasje heeft laten blokkeren biedt op zichzelf evenmin steun aan de stelling dat zij slachtoffer is geworden van een misdrijf, aangezien zij - zoals tussen partijen vast staat - haar pas heeft laten blokkeren nadat de overboeking en de geldopnames reeds hadden plaastgevonden. Ook de overige gestelde feiten en omstandigheden, zoals het gestelde ontbreken van de wetenschap van de overboeking, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dragen dat sprake is van overmacht aan de zijde van [gedaagde].

2.5

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep op overmacht door [gedaagde] faalt, zodat de gevorderde hoofdsom ad € 16.380,- zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 29 april 2004.

2.6

Zoals reeds overwogen bij voornoemd tussenvonnis is [gedaagde] tevens buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd, welke op grond van Rapport Voorwerk II door de rechtbank wordt begroot op een bedrag van € 904,-, zijnde twee punten van het toepasselijke liquidatietarief. Dit bedrag zal worden toegewezen.

2.7

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

3. De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ABN AMRO te betalen het bedrag van € 17.284,- (zegge: zeventienduizendtweehonderdvierentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over € 16.380,- vanaf 29 april 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO bepaald op € 395,- aan vast recht, op € 71,32 aan overige verschotten en op € 1.130,- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Mentink.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1581