Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA6215

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
269755 / HA ZA 06-2714
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Heeft de bestuurder onverantwoord lang de onderneming voortgezet terwijl hij wist dat de onderneming niet meer aan haar verplichtingen jegens derden zou kunnen voldoen?"

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 445
JRV 2007, 510
JIN 2007/321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 269755 / HA ZA 06-2714

Uitspraak: 9 mei 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TAMOIL NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. J. Kneppelhout,

advocaat mr. O. Bouwmeister,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Den Bommel,

gedaagde,

procureur mr. P.J. de Waal,

advocaat mr. R. Wijn.

Partijen worden hierna aangeduid als "Tamoil" respectievelijk "[gedaagde]".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 21 september 2006 en de door Tamoil overgelegde producties;

- conclusie van antwoord;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 17 januari 2007, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 26 maart 2007;

- de stukken van de op 7 september 2006 ten verzoeke van Tamoil en ten laste van [gedaagde] onder de ING Bank, Postbank, Fortis Bank, ABN AMRO Bank en Rabobank Rotterdam en Goeree-Overflakkee gelegde conservatoire beslagen.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [gedaagde] is statutair bestuurder van ATC [gedaagde] Combinatie B.V. (hierna: ATC). ATC is een transportbedrijf.

2.2 Tamoil exploiteert tankstations in Nederland. Tamoil heeft tankvoordeelkaarten aan ATC ter beschikking gesteld. Met deze kaarten konden de auto’s van ATC tanken bij de tankstations van Tamoil. Tamoil zond wekelijks facturen aan ATC welke binnen een week dienden te worden voldaan. Betaling geschiedde in beginsel door automatische afschrijving.

2.3 Op 1 september 2006 is aan ATC voorlopige surseance van betaling verleend en op 22 september 2006 is het faillissement van ATC uitgesproken.

3. Het geschil

3.1 De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens Tamoil alsmede dat [gedaagde] uit dien hoofde aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade;

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan Tamoil van het bedrag van € 74.188,22, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf respectievelijk 24 augustus, 31 augustus en 7 september 2006 - althans vanaf de dag der dagvaarding - tot aan de dag van algehele voldoening;

- [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, waaronder mede begrepen de kosten van beslaglegging.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Tamoil aan de vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] in zijn hoedanigheid van bestuurder van ATC wist, althans had behoren te weten:

- dat ATC vanaf augustus 2006 haar verplichtingen jegens Tamoil voortvloeiende uit het gebruik van de Tamoil creditcards niet meer na zou kunnen komen en desondanks niet heeft ingegrepen, maar willens en wetens namens ATC de bewuste verplichtingen is aangegaan;

- dat de betalingen vanuit een zustervennootschap van ATC na 28 augustus 2006 van diverse crediteuren van ATC onrechtmatig selectieve betalingen waren, waarvan [gedaagde] wist, althans behoorde te weten, dat daarmee Tamoil onbetaald bleef.

Door deze handelwijze heeft [gedaagde] jegens Tamoil onrechtmatig gehandeld als gevolg waarvan Tamoil schade heeft geleden. [gedaagde] is voor deze schade persoonlijk aansprakelijk.

3.2 Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Tamoil in de kosten van het geding binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan Tamoil de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd is.

4. De beoordeling

4.1 Op 22 september 2006 is het faillissement van ATC uitgesproken. ATC heeft een schuld aan Tamoil van € 74.188,22, bestaande uit drie facturen gedateerd 16, 23 en 30 augustus 2006. De vordering is ingediend in het faillissement van ATC. [gedaagde] is niet door de curator in zijn hoedanigheid van bestuurder van ATC aangesproken voor de schulden in het faillissement van ATC.

4.2 Ter beoordeling ligt voor de vraag of [gedaagde] uit hoofde van artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek persoonlijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de schuld van ATC aan Tamoil. Van een zodanige aansprakelijkheid is slechts sprake wanneer [gedaagde] een ernstig verwijt treft, hetgeen afhangt van de concrete omstandigheden van het geval. Een ernstig verwijt treft een bestuurder onder meer als hij een verplichting is aangegaan terwijl hij wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet, of niet binnen een redelijke termijn, aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden.

4.3 Tamoil heeft gesteld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. Zij heeft daartoe aangevoerd dat in een gesprek van Tamoil met [gedaagde] op 31 augustus 2006, bleek dat [gedaagde] eind juli 2006 al heeft ingezien dat ATC “aan alle kanten vastliep”, “het tij niet meer was te keren” en ATC “down the drain ging”. Volgens Tamoil heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld aangezien hij Tamoil niet van deze slechte financiële situatie op de hoogte heeft gesteld en ATC willens en wetens heeft door laten gaan met tanken bij Tamoil.

4.4 Deze stelling van Tamoil houdt geen stand. Vaststaat dat tot en met mei 2006 de gerealiseerde resultaten van ATC gelijk waren aan hetgeen zij had gebudgetteerd voor die periode. In juli 2006 werd ATC echter geconfronteerd met het verlies van een grote Engelse klant en met extreme hitte in die maand. [gedaagde] heeft aangevoerd dat, toen in augustus de impact bleek van het verlies van de Engelse klant, hij heeft geprobeerd om ATC te redden.

4.5 Ter zitting is zijdens Tamoil verklaard dat het onder 4.3 genoemde gesprek tussen Tamoil en [gedaagde] heeft plaatsgevonden met het oog op een mogelijke aansprakelijkstelling van [gedaagde] op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. [gedaagde] heeft betwist dat hij zich tijdens dit gesprek in de door Tamoil gestelde bewoordingen heeft uitgelaten. [gedaagde] heeft voorts betwist dat hij al in juli wist dat het niet goed zou gaan. Hij heeft daarentegen aangegeven dat hij tot de laatste week (voor het verlenen van de surseance van betaling) nog geld in ATC heeft gestopt en nog van alles heeft geprobeerd om het op orde te krijgen. Toen bleek dat ATC niet meer te redden viel, is surseance van betaling aangevraagd, aldus [gedaagde].

4.6 ATC heeft de facturen van Tamoil tot en met 14 augustus 2006, ruim twee weken voordat de surseance van betaling is verleend, voldaan. De facturen waarvan Tamoil betaling vordert dateren van de periode van twee weken voordat de surseance van betaling is verleend.

[gedaagde] kan niet worden verweten dat ATC in de periode van 14 tot eind augustus 2006 door is gegaan met het uitvoeren van transporten, haar kernactiviteit. De keuze die [gedaagde] als bestuurder heeft gemaakt voor het blijven afnemen van brandstof van Tamoil in die periode, opdat ATC haar transportwerkzaamheden kon blijven uitoefenen, valt onder de noemer van het nemen van een bedrijfsrisico.

Wetenschap van een (ook meer dan verwaarloosbaar) risico dat ATC een bepaalde verplichting niet zal kunnen nakomen en vervolgens geen verhaal voor de schade zal bieden, is niet zonder meer voldoende is voor het aannemen van aansprakelijkheid van [gedaagde] als het risico zich vervolgens verwezenlijkt. Anders gezegd: de risico’s die ATC heeft gelopen kunnen, binnen zekere grenzen, niet voor rekening van [gedaagde] worden gebracht, alleen omdat [gedaagde] van die risico’s op de hoogte was of op de hoogte kon zijn. Dat is pas anders als [gedaagde] had behoren te voorzien dat het risico verkeerd zou uitpakken en dat ATC dan niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Het enkele feit dat er een (verantwoord) risico is genomen is niet voldoende om aan te nemen dat [gedaagde], nu het risico zich heeft verwezenlijkt, had behoren te voorzien dat dat zou gebeuren.

Uit hetgeen Tamoil heeft gesteld is niet gebleken dat [gedaagde] onverantwoord lang de onderneming van ATC heeft voortgezet terwijl hij wist dat ATC niet meer aan haar verplichtingen jegens Tamoil zou kunnen voldoen. Tamoil heeft, na gemotiveerde betwisting zijdens [gedaagde], onvoldoende concrete en specifieke feiten en omstandigheden naar voren gebracht die, indien bewezen, tot deze conclusie zouden kunnen leiden.

4.7 Tamoil heeft voorts gesteld dat de betalingen vanuit een zustervennootschap van ATC van diverse crediteuren van ATC onrechtmatig selectieve betalingen waren, waarvan [gedaagde] wist, althans behoorde te weten, dat daarmee Tamoil onbetaald bleef. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat er met de ferries op 28 augustus 2006 een betalingsafspraak is gemaakt. Na betwisting door [gedaagde] heeft Tamoil onvoldoende concrete en specifieke feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie zouden kunnen leiden dat (het garant staan voor) betalingen na 28 augustus 2006 door een zustervennootschap van ATC tot onrechtmatig handelen van [gedaagde] jegens Tamoil zou kunnen leiden. Ook deze stelling van Tamoil houdt geen stand.

4.8 Op grond van het hiervoor overwogene zal de vordering van Tamoil worden afgewezen.

4.9 Tamoil zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vordering van Tamoil;

veroordeelt Tamoil in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 1.120,- aan vast recht en op € 1.788,- aan salaris voor de procureur, te betalen binnen 8 dagen na betekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan Tamoil de wettelijke rente over deze kosten verschuldigd is.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima.

Uitgesproken in het openbaar.

615/1659