Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA6214

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-04-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
259454 / HA ZA 06-1097
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij een rechtmatige ontruiming heeft de verhuurder zich over de inboedel ontfermd. Na zes weken opslag is de inboedel afgevoerd als grof vuil. De (voormalige) huurster vordert op grond van onrechtmatige daad schadevergoeding, te weten de waarde van de inboedel. De rechtbank is, na beoordeling van de omstandigheden van het geval, van oordeel dat de verhuurder de zaken van de (voormalige) huurster behoorlijk heeft waargenomen. Van onrechtmatig handelen is geen sprake. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 259454 / HA ZA 06-1097

Uitspraak: 25 april 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te Rotterdam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. P.C. Ouwendijk,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [gedaagde],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. J. Verbeeke.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 27 maart 2006 en de door [eiser] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 19 juli 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de brief van mr. J. Mulder (namens [eiser]) d.d. 19 september 2006 met bijlagen;

- de brief van mr. H.E. Borgman (namens [gedaagde]) d.d. 21 september 2006 met bijlagen;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 4 oktober 2006 en de ter gelegenheid van de comparitie door [gedaagde] overgelegde productie;

- akte zijdens [gedaagde] d.d. 18 oktober 2006, met producties;

- antwoordakte zijdens [eiser] d.d. 1 november 2006.

2 De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 [eiser] heeft met de rechtsvoorganger van [gedaagde] met ingang van 1 juli 1991 een huurovereenkomst gesloten voor de woning aan de Hoogvlietstraat 24-A te Rotterdam (hierna: de woning).

2.2 Bij vonnis van 30 januari 2004 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, is voormelde huurovereenkomst ontbonden en is de vordering tot ontruiming toegewezen, met veroordeling van [eiser] tot betaling van de huurachterstand tot en met de maand november 2003 ad € 2.424,15 te vermeerderen met de wettelijke rente en met ingang van de maand december 2003 met een bedrag ad € 200,75 per maand tot en met de maand waarin de ontruiming zal plaatsvinden. Uit het vonnis blijkt dat [eiser] per 12 november 2003 onder bewind was gesteld.

2.3 Op 16 maart 2004 is de woning door de deurwaarder ontruimd. De inboedel van [gedaagde] is daarbij aanvankelijk op straat geplaatst. [eiser] en een vriendin, mevrouw F. van Wijk, zijn enige tijd bij de ontruiming aanwezig geweest. [eiser] had niets geregeld voor de opslag van haar inboedel. Op verzoek van de bij de ontruiming aanwezige hulpofficier van justitie heeft [gedaagde] de inboedel opgeslagen. De hulpofficier van justitie heeft [gedaagde] verzocht de inboedel voor tenminste drie weken op te slaan.

2.4 Op 1 april 2004 heeft het Rotterdams Incassobureau R.I.B. B.V. (hierna: het RIB) namens [gedaagde] een brief gestuurd aan mevrouw [W.], [adres] met onder meer de volgende inhoud:

“Onze cliënte heeft de inboedel van mevrouw [eiser] voor haar opgeslagen. De hulpofficier van justitie, die bij de ontruiming aanwezig was, heeft onze cliënte verzocht om die spullen minimaal drie weken voor haar op te slaan. De termijn eindigt 6 april a.s.

Wij kunnen Mw. [eiser] niet bereiken, althans hebben haar voice mail ingesproken, maar nog niets van haar vernomen.

Wij hopen dat u nog contact met haar heeft en haar er op attent kan maken, dat zij vóór 6 april as. haar spullen dient op te halen bij [gedaagde] Woningbeheer. Een afspraak hiervoor kan via ondergetekende gemaakt worden.

Vanaf 7 april 2004 heeft onze cliënte weer het recht om de inboedel uit haar opslagruimte te verwijderen en dus alsnog mee te geven aan de Roteb.”

2.5 Op 5 april 2004 heeft [eiser] een brief gestuurd aan [gedaagde] met onder meer de volgende inhoud:

“In navolging van ons telefoongesprek van heden 16.15u bevestig ik hierbij dat wij zijn overeengekomen dat mijn inboedel, door u tijdelijk opgeslagen na 16 maart 2004 na ontruiming adres voornoemd, vanaf 6 april 2004 voor onbepaalde tijd elders wordt opgeslagen. Wegens gezondheidsredenen ben ik niet in staat zelf voor een dergelijke verhuizing zorg te dragen. De kosten van opslag zijn vanzelfsprekend voor mijn rekening.”

2.6 Op 6 april 2004 heeft [gedaagde] een brief aan [eiser] gestuurd met onder meer de volgende inhoud:

“Wij willen en kunnen u geen huurcontract aanbieden.

Wij geven u de kosten op van het opslaan en u krijgt tot 19 april de tijd om uw spullen op te halen.

De kosten van het verwijderen en van het opslaan moeten terplekke worden betaald.

Het wegrijden van de spullen 16 uur x 30 euro ex BTW 571,20 euro incl.BTW

Voor het opslaan betaald u 350 euro tot aan 19 april ’04

Maakt een totale 921,20 dit bedrag op de dag van het afhalen telefonisch over te maken naar het incassobureau.

Of terplekke te betalen.

Mocht u niet verschijnen met een verhuiswagen om de spullen af te voeren, dan rest ons niets anders dan de spullen aan de roteb aan te bieden.

Deze brief zal u persoonlijk moeten bevestigen anders gaan wij er in ieder geval vanuit dat u de spullen niet meer wilt hebben, na telefonisch contact krijgt u het adres door. Wij kunnen de ruimte niet langer tot onze beschikking krijgen, daar de ruimte van een collega is.”

2.7 Op 20 april 2004 heeft het RIB namens [gedaagde] een brief gestuurd aan de bewindvoerder van [eiser]. Daarin wordt bevestigd dat uitstel is verleend van de termijn waarbinnen de inboedelgoederen kunnen worden opgehaald, dit keer tot 30 april 2004. Tevens wordt aangegeven dat de inboedelgoederen kunnen worden opgehaald na betaling van de opslagkosten ad € 921,20 en dat de goederen, als ze niet worden opgehaald, naar het grof vuil zullen worden afgevoerd.

2.8 Op de brief van 20 april 2004 heeft [eiser] noch haar bewindvoerder gereageerd. Bij brief van 8 juli 2005 heeft de advocaat van [eiser] verzocht om teruggave van de inboedel. In antwoord daarop heeft [gedaagde] bij brief van 11 juli 2005 meegedeeld dat de spullen van [eiser] weg zijn.

2.9 Op 11 december 2004 is [eiser] in staat van faillissement verklaard. Op 20 februari 2006 is het financieel eindverslag bij de griffie van de rechtbank Rotterdam neergelegd. In dit verslag wordt het RIB genoemd als concurrente schuldeiser met een vordering van

€ 4.421,60. In dit bedrag is € 973,67 opgenomen voor ‘ontruimingskosten’. Deze ‘ontruimingskosten’ bestaan uit een gedeelte van de kosten die de deurwaarder heeft gemaakt bij de ontruiming, in totaal € 1.140,10. Van de vordering van € 4.421,60 is

€ 3.673,01 betaald.

3 De vordering in conventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen tot betaling van € 44.861,50 met rente vanaf 16 maart 2004, althans 16 juli 2005, althans de dag der dagvaarding, en kosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [gedaagde] heeft de inboedel van [eiser] onbevoegd meegenomen, zonder te laten weten waar deze werd opgeslagen. Vervolgens heeft [gedaagde] de inboedel vernietigd. [gedaagde] was daartoe niet gerechtigd. Aldus heeft [gedaagde] de plicht om als zaakwaarnemer op de goederen van [eiser] te passen geschonden en onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld.

3.2 [eiser] heeft als gevolg van de vernietiging van haar inboedel schade geleden, bestaande uit de waarde van haar inboedel ad € 39.135,-. Dit bedrag dient [gedaagde] aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 maart 2004 althans 16 juli 2005 althans de dag der dagvaarding.

3.3 Bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft [eiser] een borgsom van ƒ 275,- aan [gedaagde] betaald. Die moet [gedaagde] terugbetalen, omdat [eiser] thans de woning heeft moeten verlaten en de woning zich in dezelfde staat bevond als het moment dat zij deze woning betrok. Ook over dit bedrag moet [gedaagde] wettelijke rente betalen.

4 Het verweer in conventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [eiser] in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Er is geen sprake van onrechtmatig handelen of onzorgvuldige zaakwaarneming.

Nadat de inboedel (in het belang van [eiser]) is opgeslagen, is [eiser] herhaaldelijk en in voldoende mate in de gelegenheid gesteld om de goederen op te halen. [gedaagde] was gerechtigd om daarbij aanspraak te maken op vergoeding van de opslagkosten. Het betreft redelijke kosten die [gedaagde] feitelijk ten behoeve van [eiser] heeft gemaakt en die op grond van artikel 6:200 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) voor rekening van [eiser] komen.

Het feit dat [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van de door [gedaagde] geboden mogelijkheden om de inboedelgoederen op te halen, dient voor haar rekening en risico te blijven. Van [gedaagde] kan in redelijkheid niet worden verwacht dat zij op eigen kosten de opslag van de goederen laat voortduren, terwijl er geen enkel perspectief is dat [eiser] op enig moment de goederen komt ophalen en de gemaakte opslagkosten aan [gedaagde] zal vergoeden. Onder die omstandigheden was [gedaagde] gerechtigd de inboedel door de Roteb te laten afvoeren.

4.2 [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door haar gespecificeerde inboedelgoederen in het gehuurde aanwezig waren ten tijde van de ontruiming. [eiser] heeft geen stukken overgelegd waaruit de waarde van de gestelde inboedelgoederen blijkt. [eiser] zal de gestelde schade moeten bewijzen.

4.3 De gevorderde waarborgsom is niet betaald. Voor zover die som al betaald is, en [gedaagde] deze zou moeten terugbetalen, beroept [gedaagde] zich op verrekening met de opslagkosten dan wel met hetgeen [eiser] nog uit hoofde van het onder 2.2 genoemde vonnis aan [gedaagde] is verschuldigd.

4.4 [gedaagde] is geen rente of proceskosten verschuldigd.

5 De vordering in reconventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [eiser] te veroordelen tot betaling van € 921,20 met rente en kosten. Aan deze vordering heeft [gedaagde] naast hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

5.1 [gedaagde] heeft de inboedel in het belang van [eiser] van de straat gehaald en opgeslagen. De kosten van het verwijderen van de inboedelgoederen en het opslaan worden begroot op

€ 921,20. Twee man personeel van [gedaagde] zijn in de middag en avond bezig geweest met het verwijderen en opslaan van de inboedel tegen een uurloon van € 30,- te vermeerderen met 19% BTW, in totaal € 571,20. Voor de opslag van de inboedel tot 19 april heeft [gedaagde] € 350,- gerekend. [eiser] moet deze kosten betalen aan [gedaagde] op grond van artikel 6:200 BW.

5.2 De wettelijke rente is verschuldigd vanaf 20 april 2004, zijnde de uiterste datum van betaling als genoemd in de brief van 6 april 2004.

6 Het verweer in reconventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van [gedaagde] in de kosten van het geding.

Naast hetgeen [eiser] in conventie heeft betoogd, heeft zij daartoe het volgende aangevoerd:

6.1 Als zaakwaarnemer had [gedaagde] de plicht om op de goederen van [eiser] te passen. Zij heeft dat niet op de juiste wijze gedaan want de goederen zijn inmiddels vernietigd.

6.2 Het is niet onomstotelijk komen vast te staan dat de goederen daadwerkelijk zijn opgeslagen en niet direct na de ontruiming naar de sloop zijn gebracht.

6.3 Gezien de geringe omvang van de inboedel kan het niet zo zijn dat twee mensen 8 uur bezig zijn geweest met het opslaan. Het gehanteerde uurloon van € 30,- exclusief BTW is te hoog. Voor het opslaan heeft [gedaagde] geen kosten gemaakt; het is onduidelijk waarom hiervoor € 350,- in rekening is gebracht.

7 De beoordeling

Omdat de vordering in conventie en in reconventie nauw met elkaar samenhangen, zal de rechtbank deze hieronder gezamenlijk beoordelen.

7.1 Tussen partijen staat vast dat [eiser] niets had geregeld om haar inboedel na de ontruiming veilig te stellen. Verder heeft [eiser] bij gelegenheid van de comparitie verklaard dat zij op de dag van de ontruiming niet in staat was om haar inboedel mee te nemen en dat zij erbij stond toen [gedaagde] en de hulpofficier van justitie afspraken dat [gedaagde] de inboedel zou meenemen en opslaan. Niet is gebleken dat [eiser] daartegen heeft geprotesteerd. Op grond van het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat partijen het erover eens zijn dat [gedaagde] juist heeft gehandeld door de inboedel van [eiser] mee te nemen en op te slaan. Dit meenemen en opslaan is gebeurd op redelijke grond en in het belang van [eiser], zodat het handelen van [gedaagde] rechtens kan worden geduid als zaakwaarneming.

7.2 De kern van de verwijten van [eiser] is dat [gedaagde] als zaakwaarnemer niet de nodige zorg heeft betracht en dat zij de zaakwaarneming voort had moeten zetten door de opslag te laten voortduren. Voor de beoordeling van deze verwijten is artikel 6:199 lid 1 BW van belang. Daar staat in dat bij de zaakwaarneming de nodige zorg moet worden betracht en dat de zaakwaarneming moet worden voortgezet zolang dat redelijkerwijze van de zaakwaarnemer kan worden verlangd. Aan de hand van deze bepaling zal de rechtbank hieronder de concrete verwijten van [eiser] en de verweren van [gedaagde] beoordelen.

7.3 [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] haar op de hoogte had moeten stellen van de verblijfplaats van haar inboedel. Door [gedaagde] is niet betwist dat zij niet aan [eiser] heeft meegedeeld waar de inboedel zich bevond. In de brief van [gedaagde] van 6 april 2004 staat dat dit adres na telefonisch contact zou worden meegedeeld. De rechtbank begrijpt uit deze brief, in samenhang bezien met de overige correspondentie en de stellingen van [gedaagde] in de conclusie van antwoord, dat [gedaagde] het ophalen op deze manier afhankelijk wilde stellen van het betalen van de transport- en opslagkosten. Aldus heeft [gedaagde] zich in feite beroepen op haar retentierecht. Of dat terecht is, is afhankelijk van de gegrondheid van de vordering in reconventie, die daarom eerst zal worden beoordeeld.

[gedaagde] heeft artikel 6:200 BW aan haar reconventionele vordering ten grondslag gelegd. Blijkbaar berust de vordering op artikel 6:200 lid 2 BW, waarin is bepaald dat de zaakwaarnemer, indien hij in de uitoefening van bedrijf of beroep heeft gehandeld, recht heeft op een vergoeding voor zijn verrichtingen, met inachtneming van de prijzen die daarvoor ten tijde van de zaakwaarneming gewoonlijk werden berekend. Op grond van dit artikel heeft [gedaagde] in ieder geval recht op een vergoeding voor het transport en de opslag, een en ander met inachtneming van de prijzen die daarvoor ten tijde van de zaakwaarneming gewoonlijk werden berekend. [eiser] heeft de in rekening gebracht prijzen betwist, echter zonder daarbij aan te geven wat [gedaagde] naar haar mening wel in rekening had mogen brengen. Dit had wel op haar weg gelegen, omdat de door [gedaagde] gevorderde bedragen niet zodanig hoog of – op het oog – ongebruikelijk zijn, dat reeds daaruit kan worden geconcludeerd dat deze bedragen ten onrechte in rekening zijn gebracht.

Aangezien een zaakwaarnemer op grond van artikel 3:290 en 293 BW in samenhang met 6:52 BW een retentierecht kan uitoefenen voor vorderingen op degene wiens belang hij waarneemt, en [gedaagde] een vordering ter zake van transport- en opslagkosten op [eiser] had, mocht zij zich ter zake van die vordering beroepen op het retentierecht.

[eiser] heeft nog aangevoerd dat zij deze kosten niet kon voldoen, omdat op haar de WSNP van toepassing was verklaard. Voor zover zij daarmee heeft bedoeld te betogen dat [gedaagde] zich onder die omstandigheid niet op haar retentierecht mocht beroepen, geldt dat betalingsonmacht van [eiser] voor haar rekening komt en dus niet in de weg staat aan een beroep op het retentierecht.

Op grond van het voorgaande kan het niet meedelen van de verblijfplaats van de inboedel niet leiden tot het oordeel dat [gedaagde] haar zorgplicht als zaakwaarnemer heeft geschonden.

7.4 Verder heeft [eiser] aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de opslag langer voortgezet had moeten worden. [gedaagde] heeft daartegen als verweer gevoerd dat het laten voortduren van de opslag redelijkerwijze niet van haar gevergd kon worden.

Het is de vraag hoe lang [gedaagde] de inboedel had behoren te bewaren. Daaraan gaat vooraf de vraag hoe lang [gedaagde] de inboedel heeft bewaard.

[gedaagde] heeft gesteld dat zij de inboedel van 16 maart tot en met (in ieder geval) 30 april 2004 heeft bewaard. Dit is door [eiser] betwist met een enkele ontkenning. In het licht van de gevoerde correspondentie (in het bijzonder de onder 2.6 en 2.7 aangehaalde brieven van 6 en 20 april 2004), waarin [gedaagde] tot 30 april de gelegenheid heeft geboden om de inboedel op te halen, is die betwisting onvoldoende. Als vaststaand moet daarom worden aangenomen dat de inboedel zo’n zes weken is bewaard.

Bij de beoordeling of zes weken voldoende is, weegt de rechtbank de volgende omstandigheden mee. Ten tijde van de ontruiming had [eiser] een aanzienlijke huurschuld aan [gedaagde]. De bij de ontruiming betrokken hulpofficier van justitie heeft [gedaagde] gevraagd om de inboedel drie weken op te slaan. Van enige bereidheid van [eiser] om de inboedel op te komen halen, tegen betaling van (een gedeelte van) de transport- en opslagkosten, is niet gebleken. Uit de brief van [eiser] van 5 april 2004 spreekt eerder het tegendeel. Onder deze omstandigheden kon van [gedaagde] redelijkerwijze niet verlangd worden dat zij de opslag na zes weken nog voortzette, zelfs niet als dat – zoals [eiser] heeft aangevoerd – geen verdere kosten met zich bracht.

7.5 Tenslotte is het de vraag of [gedaagde] bij de wijze waarop zij de zaakwaarneming heeft beëindigd (te weten het laten afvoeren van de inboedel als grof vuil) de nodige zorg in acht heeft genomen. Bij de vraag wat de nodige zorg is, moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval.

[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] ook minder drastische mogelijkheden ter beschikking stonden, zoals de inboedel teruggeven op het adres Lodijk 67. [gedaagde] heeft daartegen als verweer aangevoerd dat er niets van waarde tussen de spullen van [eiser] zat. De rechtbank leidt daaruit af dat [gedaagde] van mening is dat weggooien een voldoende zorgvuldige wijze van beëindiging van de zaakwaarneming was.

Naar het oordeel van de rechtbank kon niet meer van [gedaagde] worden gevergd dat zij de inboedel terug zou geven op het adres Lodijk 67. Daarbij heeft de rechtbank de hiervoor onder 7.4, slot, weergegeven omstandigheden meegewogen, in het bijzonder dat [eiser] al een aanzienlijke huurschuld aan [gedaagde] had en dat niet is gebleken van enige bereidheid zijdens [eiser] om haar inboedel op te komen halen. De waarde van de inboedel kan in het midden blijven, omdat andere alternatieve - minder drastische - mogelijkheden voor de beëindiging van de opslag door [eiser] niet zijn aangevoerd.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat [gedaagde] haar zorgplicht als zaakwaarnemer niet heeft geschonden door de inboedel door de Roteb te laten afvoeren.

7.6 Uit de overwegingen 7.2 tot en met 7.5 volgt dat [gedaagde] de nodige zorg in acht heeft genomen en dat van haar redelijkerwijze niet meer verlangd kon worden de zaakwaarneming voort te zetten. Dit oordeel impliceert dat van onrechtmatig handelen van [gedaagde] geen sprake is. Het deel van de vordering van [eiser] dat betrekking heeft op de inboedel moet daarom worden afgewezen.

7.7 [eiser] heeft verder een bedrag van € 128,50 (ƒ 275,-) gevorderd ter zake van de borgsom die zij zou hebben betaald bij het aangaan van de huurovereenkomst. Ter comparitie heeft [eiser] gesteld dat zij ƒ 1000,- borg heeft betaald, maar aangezien dit niet heeft geleid tot een eiswijziging (die bij akte moet worden gedaan), zal de rechtbank bij de beoordeling uitgaan van het gevorderde bedrag van ƒ 275,-.

Ter onderbouwing van dit deel van de vordering heeft [eiser] de onder 2.1 genoemde huurovereenkomst overgelegd. Als verweer heeft [gedaagde] aangevoerd dat de gestelde waarborgsom niet is betaald. Zo die al zou zijn betaald, beroept [gedaagde] zich op verrekening met de opslagkosten dan wel met hetgeen [eiser] nog uit hoofde van het vonnis van 30 januari 2004 aan [gedaagde] is verschuldigd.

Als [gedaagde] zich beroept op verrekening met de transport- en opslagkosten, dan zou dat gevolgen kunnen hebben voor de hoogte van het in reconventie toewijsbare bedrag.

Echter, uit de door [eiser] overgelegde slotuitdelingslijst in haar faillissement blijkt dat aan het RIB een uitkering is gedaan van € 3.673,01, op een ingestelde vordering van € 4.421,60 (zoals onder 2.9 genoemd). Door de advocaat van [gedaagde] is bij gelegenheid van de comparitie onweersproken gesteld dat dit het bedrag is dat [eiser] nog uit hoofde van eerdervermeld vonnis was verschuldigd. [eiser] heeft niet betwist dat zij het na uitkering resterende bedrag (van € 748,59) niet heeft betaald. Omstandigheden op grond waarvan [gedaagde] de waarborgsom niet met dit openstaande gedeelte zou mogen verrekenen zijn door [eiser] niet gesteld en evenmin gebleken, zodat [gedaagde] de waarborgsom ook hiermee kan verrekenen. Voor de vordering in reconventie hoeft het beroep op verrekening daarom geen gevolgen te hebben. Of de waarborgsom feitelijk is betaald, kan in het midden blijven. Immers, zelfs als dat zo is, staat het beroep op verrekening aan toewijzing van dit deel van de vordering in de weg.

7.8 Uit de overwegingen onder 7.3 volgt dat het in reconventie gevorderde bedrag van

€ 921,20 moet worden toegewezen. [gedaagde] heeft de wettelijke rente gevorderd met ingang van 20 april 2004, te weten de door haar gestelde uiterste termijn van betaling van dit bedrag. Een eenzijdig gestelde betalingstermijn kan echter niet worden aangemerkt als een fatale termijn als bedoeld in artikel 6:83 aanhef en onder a BW. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen met ingang van de datum dat de vordering in rechte is ingediend, te weten 28 juni 2006.

7.9 [eiser] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde], zowel in conventie als in reconventie.

8 De beslissing

De rechtbank,

in conventie

wijst af de vordering van [eiser];

in reconventie

veroordeelt [eiser] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [gedaagde] te betalen het bedrag van € 921,20 (zegge: negenhonderdeenentwintig euro en twintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf 28 juni 2006 tot aan de dag der voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in conventie en in reconventie

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] bepaald op € 970,00 aan vast recht en op € 2.235,00 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans.

Uitgesproken in het openbaar.

1488/1729