Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA6211

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
257595 / HA ZA 06-789
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is reeds een rechtszaak aanhangig omtrent vraag of partij A boete verschuldigd is aan partij B. Nadat het Hof Den Haag partij B gelijk had gegeven is partij B tot executie overgegaan. Hoge Raad heeft in arrest d.d. 16 maart 2007 het arrest van het Hof Den Haag vernietigd en zaak verwezen naar het Hof Amsterdam (LJN: A20613). Partij A vordert in onderhavige procedure de door hem betaalde boete als zijnde onverschuldigd betaald terug. Onderhavige zaak wordt aangehouden totdat in eerste rechtszaak onherroepelijk is beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 257595 / HA ZA 06-789

Uitspraak: 9 mei 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te Den Haag,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

procureur mr. H.E. Schweers,

advocaat mr. A.J.B. Ross te Zevenaar.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “[gedaagde]”.

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 3 maart 2006 en de door [eiser] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek, met producties;

- de ter gelegenheid van het schriftelijk pleidooi door partijen gewisselde pleitnotities;

- de schriftelijke reacties van partijen op de pleitnotities.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast:

2.1 De besloten vennootschap van [eiser] en de besloten vennootschap van [gedaagde] zijn in 1989 samen een vennootschap onder firma aangegaan ter exploitatie van een tuinbouwbedrijf (hierna: de vennootschap).

2.2 Een in de nabijheid van het gezamenlijk bedrijf gelegen perceel grond is door [gedaagde] aan [eiser] verkocht (hierna: het perceel). In de ter uitvoering van deze koopovereenkomst verleden notariële transportakte d.d. 15 december 1990 (hierna: de transportakte) is onder meer het volgende vermeld:”

“D. De koper is verplicht om het overgedragene met de daarop eventueel alsdan aanwezige opstallen – hierna tezamen te noemen: “het onroerend goed” – te koop aan te bieden aan de verkoper, dan wel een door laatstgenoemde aan te wijzen derde, indien:

a. de koper het onroerend goed (of enig deel daarvan) wenst te vervreemden of daarop zakelijke rechten wil vestigen, dan wel persoonlijke rechten, welke zakelijk rechten nabij komen (huur).

b. de vennootschap onder firma, welke bestaat tussen (…) [gedaagde] B.V. en [eiser] B.V. wordt beëindigd vóór één januari negentiendonderd negen en negentig; een en ander onder de navolgende voorwaarden en bepalingen:

1. De koper is verplicht de verkoper van het voornemen als sub D.a. bedoeld, dan wel van de situatie als sub D.b. bedoeld, schriftelijk bij aangetekende brief, in kennis te stellen. (…)

2. De verkoper heeft alsdan het recht van voorkeur om het onroerend goed te kopen (…).

7. Indien een van beide partijen enige op grond van het onderhavige voorkeursrecht op hem rustende verplichting niet of niet volledig nakomt, verbeurt de nalatige partij ten behoeve van de wederpartij (…) een onmiddellijk opeisbare boete, groot (…) f. 500.000,- (…).”

2.3 [eiser] heeft op het perceel een woning doen bouwen en is aldaar gaan wonen.

2.4 Op 24 december 1992 is een overeenkomst tot stand gekomen die ertoe leidde dat het door de vennootschap geëxploiteerde tuinbouwbedrijf volledig aan [eiser] is overgedragen.

2.5 [eiser] heeft het tuinbouwbedrijf verkocht aan zijn [broer] (hierna: [broer]). De woning op het perceel was in ieder geval tot januari 2007 in gebruik bij die broer.

2.6 [eiser] stelt zich op het standpunt dat het de bedoeling van partijen was dat het voorkeursrecht opgenomen onder D in de transportakte slechts betekenis zou hebben in de situatie dat de vennootschap zou worden ontbonden vóór 1 januari 1999 én de besloten vennootschap van [gedaagde] de onderneming zou voortzetten. Omdat het in de transportakte opgenomen voorkeursrecht iets anders weergeeft, heeft hij bij dagvaarding van 1 februari 2000 een rechtszaak tegen [gedaagde] aanhangig gemaakt en onder meer gevorderd – zakelijk weergegeven – een verklaring voor recht dat het voorkeursrecht van [gedaagde] zoals neergelegd onder D van de akte is vervallen, althans daaraan geen gelding toekomt en voorts dat aan het tussen partijen aangegaan boetebeding dat is neergelegd onder (D sub) 7 van de akte geen gelding toekomt (hierna: de eerste rechtszaak).

2.7 Bij vonnis van 24 september 2003 heeft deze rechtbank in de eerste rechtszaak onder meer voor recht verklaard dat [gedaagde], ondanks het bepaalde onder D van de transportakte, geen voorkeursrecht heeft met betrekking tot het onderhavige perceel, en [eiser] mitsdien ter zake geen boete aan [gedaagde] verschuldigd is geworden.

2.8 [gedaagde] heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 7 juni 2005 onder meer voormeld vonnis van deze rechtbank vernietigd en opnieuw rechtdoende de vorderingen van [eiser] afgewezen.

2.9 [gedaagde] is vervolgens overgegaan tot executie van de akte. [eiser] heeft vervolgens in kort geding gevorderd dat de executie gestaakt zou worden. De voorzieningenrechter heeft deze vordering echter afgewezen, waarna [gedaagde] de executie heeft voortgezet. Uiteindelijk heeft [eiser] onder druk van de executie onder protest de boete ad fl. 500.000,-, zijnde € 226.890,11 aan [gedaagde] betaald.

2.10 [eiser] heeft tegen voormeld arrest van het gerechtshof Den Haag cassatie ingesteld.

3 De vordering

De vordering luidt – verkort weergegeven – om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

- [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een bedrag ad € 226.890,11 te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag der onverschuldigde betaling;

- [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser] te betalen een vergoeding voor de gemaakte buitengerechtelijke kosten ad € 1.250,- te vermeerderen met BTW;

- [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Primair

Er is sprake van onverschuldigde betaling omdat het voorkeursrecht opgenomen onder D in de transportakte niet van toepassing is, zodat van een te betalen boete geen sprake kan zijn. De akte geeft de tussen partijen overeengekomen voorwaarden niet juist weer. Het was de bedoeling van partijen dat het voorkeursrecht opgenomen onder D in de transportakte slechts betekenis zou hebben in de situatie dat de vennootschap zou worden ontbonden vóór 1 januari 1999 én de besloten vennootschap van [gedaagde] de onderneming zou voortzetten. Die situatie doet zich niet voor.

3.2 Subsidiair

Er is sprake van onverschuldigde betaling omdat Aad Herbert middels de akte en zonder rechterlijk vonnis geen executoriale maatregelen had kunnen nemen.

3.3 Meer subsidiair

Er is sprake van onverschuldigde betaling omdat de boete niet verschuldigd is, aangezien [eiser] niet tekortgeschoten is in een op hem op grond van het voorkeursrecht opgenomen onder D in de transportakte rustende verplichting. [eiser] heeft de bedrijfswoning slechts om niet aan [broer] in gebruik gegegeven. Van vervreemding of het vestigen van zakelijke rechten is absoluut geen sprake geweest. Met [broer] is uitdrukkelijk afgesproken dat hij op elk door [eiser] gewenst moment de woning moet verlaten.

3.4 Meest subsidiair

De boete komt op grond van de redelijkheid en billijkheid voor matiging in aanmerking. De boete is slechts bedoeld voor gevallen waarin [gedaagde] zich geconfronteerd ziet met rechten die niet ongedaan gemaakt kunnen worden. Daarvan is geen sprake, nu [eiser] met [broer] heeft afgesproken dat [broer] de woning dient te verlaten op elk door Herbert gewenst moment.

3.5 [eiser] heeft buitengerechtelijke kosten gemaakt om het boetebedrag buiten rechte terug te krijgen. Dit bedrag wordt begroot op € 1.250,-.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

[gedaagde] heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 Het gerechtshof Den Haag heeft in het tussen partijen gewezen arrest van 7 juni 2005 overwogen dat het voorkeursrecht opgenomen onder D in de transportakte gelding heeft. In een executiegeschil als het onderhavige kunnen geen inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak worden aangevoerd.

4.2 De grosse van de notariële akte leverde een executoriale titel op.

4.3 [eiser] heeft de woning langdurig in gebruik gegeven aan zijn broer, die aan die woning verbouwingen heeft gepleegd en vanuit dat woonadres leiding geeft aan zijn besloten vennootschappen. Hiermee heeft [eiser] aan zijn broer een persoonlijk recht van gebruik gegeven, waardoor hij het voorkeursrecht opgenomen onder D in de transportakte heeft geschonden en derhalve aan [gedaagde] de in de notariële akte overeengekomen boete is verschuldigd.

4.4 [eiser] heeft willens en wetens het tussen partijen overeengekomen voorkeursrecht in ernstige mate geschonden. Gezien de ernst van deze overtreding en de schade die [gedaagde] heeft geleden door overtreding van het voorkeursrecht, is in het onderhavige geval geen reden voor matiging.

4.5 Betwist wordt dat [eiser] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt tot een bedrag van € 1.250,-.

5 De beoordeling

5.1 De rechtbank stelt voorop dat de primaire grondslag van de vordering van [eiser] onverschuldigde betaling is. Van een executiegeschil, zoals [gedaagde] stelt, is geen sprake. Wil er sprake zijn van onverschuldigde betaling dan dient komen vast te staan dat de betaling van de boete door [eiser] zonder rechtsgrond is verricht.

5.2 De primaire stelling van [eiser] kan slechts tot toewijzing van de vordering leiden indien bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is komen vast te staan dat het voorkeursrecht geen gelding heeft. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat dit nog niet het geval is. Onlangs is op rechtspraak.nl het door de Hoge Raad in de eerste rechtszaak gewezen arrest d.d. 16 maart 2007 gepubliceerd (LJN: AZ0613). In dit arrest heeft de Hoge Raad het arrest van het gerechtshof te Den Haag d.d. 7 juni 2005 vernietigd en het geding verwezen naar het gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing. Nu omtrent de primaire stelling die [eiser] aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd reeds een rechtszaak aanhangig is, zal de rechtbank in onderhavige zaak de beslissing op deze primaire stelling aanhouden totdat in de eerste rechtszaak onherroepelijk is beslist.

5.3 De subsidiaire stelling van [eiser] kan niet tot toewijzing van de vordering leiden. Voor de vraag of er sprake is van onverschuldigde betaling is het niet van belang of al dan niet op grond van een rechtsgeldige titel is geëxecuteerd. Door zonder geldige titel tot executie over te gaan, ontvalt niet elke rechtsgrond aan een betaling die in dat kader is verricht. Ook in dat geval blijft het uitgangspunt dat de degene die terugbetaling vordert, zal dienen te stellen en zo nodig zal dienen te bewijzen dat er geen rechtsgrond aanwezig is. Een dergelijke executie kan onder omstandigheden wel gekwalificeerd worden als onrechtmatig handelen, doch de rechtbank begrijpt uit de stellingen van [eiser] niet dat hij heeft bedoeld naast onverschuldigde betaling ook onrechtmatig handelen aan zijn vordering ten grondslag te leggen. Er is ook niet gesteld of gebleken dat [eiser] schade heeft geleden als gevolg van dit eventueel onrechtmatig handelen.

5.4 Wat betreft de meer subsidiaire stelling overweegt de rechtbank het volgende. Partijen twisten over de vraag of [eiser] tekortgeschoten is in een op hem op grond van het voorkeursrecht rustende verplichting. Het gaat dan om de vraag of [eiser] een persoonlijk recht als bedoeld in de transportakte onder D.a op het perceel heeft gevestigd door dit in gebruik te geven aan [broer]. Voor de beantwoording van de vraag hoe het bepaalde in de transportakte onder D.a uitgelegd dient te worden, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dit kader acht de rechtbank het, gezien de stellingen van partijen op dit punt in onderhavige procedure, onder meer van belang of het de bedoeling van partijen was dat het voorkeursrecht slechts betekenis zou hebben in de situatie dat de vennootschap zou worden ontbonden vóór 1 januari 1999 én de besloten vennootschap van [gedaagde] de onderneming zou voortzetten of niet, het geschilpunt waarom de eerste rechtszaak draait. De rechtbank zal derhalve ook de beslissing op de meer subsidiaire stelling van [eiser] aanhouden totdat er in de eerste rechtszaak onherroepelijk is beslist.

5.5 Nu de meest subsidiaire stelling van [eiser] pas aan de orde is als vast staat dat de boete verschuldigd is, zal ook de beslissing op dit punt worden aangehouden.

5.6 De rechtbank acht [eiser] de meest gerede partij om te zijner tijd de onherroepelijke uitspraak als hiervoor bedoeld in het geding te brengen. Hij zal dit bij akte kunnen doen. De rechtbank verzoekt hem daarbij tevens aan te geven welke consequenties die uitspraak voor onderhavige procedure heeft. Voorts wordt hij in de gelegenheid gesteld om daarbij een specificatie van de door hem gevorderde buitengerechtelijke kosten in het geding te brengen. [gedaagde] zal vervolgens bij akte mogen reageren.

6 De beslissing

De rechtbank,

houdt iedere beslissing aan totdat in de eerste rechtszaak bij onherroepelijke uitspraak is beslist.

Dit vonnis is gewezen door mr. Fiege.

Uitgesproken in het openbaar.

204