Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA6208

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
283087 HA RK 07-73
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer : 283087

Rekestnummer : HA RK 07-73

Uitspraak : 1 mei 2007

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[verzoekster] ,

wonende te [adres] ,

verzoekster,

gemachtigde de heer P.H. Thonnon,

strekkende tot wraking van [rechter 1] , [rechter 2] en [rechter 3] , rechters in de meervoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken (hierna: de rechters).

1. Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting van 1 mei 2007 is door de meervoudige kamer van deze rechtbank, van welke kamer de rechters deel uitmaken, de behandeling aangevangen van het verzoekschrift van verzoekster tot vervanging van de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (hierna: de Stichting) door de Ambulante Jeugdhulpverlening van het Leger des Heils te Rotterdam als gezinsvoogdij-instelling. Deze procedure heeft als kenmerk 277665 / J1 RK 07-139.

Tevens is ter zitting van 1 mei 2007 door dezelfde meervoudige kamer van deze rechtbank de behandeling aangevangen van het verzoekschrift van de Stichting tot weigering van bijstand van verzoekster door de gemachtigde. Deze procedure heeft als kenmerk 279703 / J1 RK 07-267.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft de gemachtigde van verzoekster zowel namens verzoekster als uit eigen hoofde de rechters gewraakt.

Verzoekster, de gemachtigde, de rechters en de advocaat van de Stichting zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

Ter zitting van 1 mei 2007, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen: verzoekster, de gemachtigde, [rechter 1] voornoemd, alsmede mr. S. Scheimann, advocaat van de Stichting. Zij hebben ieder hun standpunt nader toegelicht.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft de gemachtigde van verzoekster zowel namens verzoekster als voor zichzelf het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

Ter zitting van 1 mei 2007 besliste de rechtbank dat eerst het verzoekschrift van de Stichting tot weigering van bijstand door de gemachtigde zou worden behandeld. Het verzoekschrift van verzoekster tot vervanging van de Stichting was reeds op 2 februari 2007 ingediend, terwijl het verzoek van de Stichting eerst op 9 maart 2007 is ingediend. Verzoekschriften plegen op volgorde van binnenkomst te worden behandeld. Door van deze volgorde af te wijken, heeft de rechtbank er blijk van gegeven dat meer waarde wordt toegekend aan het verzoek van de Stichting, dan aan het verzoek van verzoekster.

2.1.2

Ter zitting van 1 mei 2007, welke zitting was aangekondigd als een zitting met gesloten deuren en welke zitting ook als zodanig werd aangevangen, besloot de rechtbank – nadat was beslist dat eerst het verzoek van de Stichting tot weigering van bijstand door de gemachtigde zou worden behandeld – dat laatstbedoeld verzoek in het openbaar diende te worden behandeld. Onder die omstandigheden had de rechtbank een nieuwe zittingsdatum moeten bepalen, zodat aan anderen de gelegenheid zou kunnen worden geboden die openbare behandeling bij te wonen. Dat deed de rechtbank niet en er werd ook overigens niets gedaan om te komen tot daadwerkelijke openbare behandeling.

2.1.3

Op grond van het voorgaande is er sprake van objectieve partijdigheid van de rechters.

2.2

De rechters hebben niet in de wraking berust.

Rechter mr. Heyman bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek. Hij heeft daartoe – kort samengevat – aangevoerd dat de rechtbank ter zitting van 1 mei 2007 de behandeling van de twee verzoeken aldus is aangevangen dat aan partijen ieder de gelegenheid is gegeven haar standpunt te geven ten aanzien van de volgorde van de behandeling van de voorliggende verzoeken, alsmede ten aanzien van het al dan niet openbaar zijn van die behandelingen.

De rechtbank heeft zich vervolgens teruggetrokken voor beraad.

Na hervatting van de behandeling heeft de voorzitter meegedeeld dat de rechtbank besloten heeft eerst het verzoekschrift van de Stichting te zullen behandelen, welke behandeling in beginsel in het openbaar moet plaatsvinden. Echter, omdat het in dit geval ging om een verzoek tot weigering van een gemachtigde in een zaak betreffende een maatregel van kinderbescherming, zou er zich een omstandigheid kunnen voordoen op grond waarvan de rechtbank later, alsnog kon oordelen dat een deel van het proces achter gesloten deuren moet worden behandeld.

Vervolgens heeft de gemachtigde gevraagd of hij hierover nog iets mocht opmerken. Toen de voorzitter hem dat weigerde, heeft de gemachtigde de rechters gewraakt.

Zowel de gemachtigde als mr. Scheimann heeft meegedeeld dat deze weergave met betrekking tot het zittingsverloop juist is.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechters. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechters dient voorop te staan dat rechters uit hoofde van hun aanstelling moeten worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die

zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de betreffende rechters jegens een partij een vooringenomenheid koesteren, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is en overweegt daartoe als volgt:

Ter zitting van 1 mei 2007 hebben de rechters van de meervoudige kamer voor de behandeling van familierechtelijke zaken een beslissing gegeven ten aanzien van de volgorde van de behandeling van de op dat moment voorliggende verzoekschriften. Deze beslissing hield in dat eerst het verzoekschrift van de Stichting tot weigering van bijstand aan verzoekster door de gemachtigde zou worden behandeld en daarna het verzoekschrift van verzoekster tot vervanging van de Stichting.

Deze belissing is naar het oordeel van de rechtbank een logische keuze geweest; het alternatief voor deze keuze zou een pat-stelling in het leven hebben geroepen, waarin een behandeling zou hebben moeten plaatsvinden waarbij verzoekster werd bijgestaan door een gemachtigde, waarvan de wederpartij vond dat die moest worden geweigerd. Met deze beslissing werd geen – impliciet – oordeel gegeven over één van deze verzoeken, noch liep deze beslissing op dat oordeel op enigerlei wijze vooruit. Derhalve blijkt uit deze beslissing niet van een – subjectieve of objectieve – partijdigheid van de rechters.

Evenmin vindt de rechtbank een zwaarwegende aanwijzing voor partijdigheid van de rechters in hun beslissing om, nadat de zitting van 1 mei 2007 met gesloten deuren was aangevangen, de behandeling van het verzoekschrift tot weigering van de gemachtigde in het openbaar te doen aanvangen, tenzij er zich later omstandigheden zouden voordoen op grond waarvan een deel van die behandeling met gesloten deuren zou moeten plaatsvinden. Er is geen aanknopingspunt gevonden voor de stelling van verzoekster dat de rechters aan laatstbedoelde beslissing geen uitvoering hebben gegeven, temeer niet nu de rechters aanstonds na mededeling van hun beslissing door de gemachtigde werden gewraakt. De rechtbank was niet gehouden de verdere behandeling van bedoeld verzoekschrift aan te houden tot een later tijdstip. Daarbij wordt nog opgemerkt dat, zelfs als de rechters zouden hebben verzuimd hun beslissing op dit punt te effectueren, niet valt in te zien dat dit verzuim een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid zou vormen, dan wel grond zou zijn voor een gerechtvaardigde vrees op dat punt.

De wraking is mitsdien ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4. De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van [rechter 1] , [rechter 2] en

[rechter 3] .

Deze beslissing is gegeven op 1 mei 2007 door mr. A.N. Van Zelm van Eldik, voorzitter, mr. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en mr. M. Fiege, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.