Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA6204

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-05-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
281515 HA RK 07-56
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer : 281515 HA RK 07-56

Rekestnummer : Uitspraak : 1 mei 2007

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

procureur mr. E.J.M. van Daalhuizen,

strekkende tot wraking van [de rechter], rechter tevens kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Bij de rechter is in behandeling geweest de verzoekschriftprocedure tussen verzoeker en zijn echtgenote, strekkende tot het treffen van voorlopige voorzieningen in het kader van een echtscheidingsprocedure. In deze procedure, met kenmerk 264735 / F2 RK 06-1593, heeft ter zitting van 10 augustus 2006, 1 september 2006 en van 19 september 2006 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Op 19 september 2006 heeft de rechter een eindbeslissing gegeven.

Bij de rechter is in behandeling geweest het verzoekschrift van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, strekkende tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen van verzoeker en zijn echtgenote. Deze procedure heeft als kenmerk 272945 / J2 RK 06-1199.

Bij de rechter zijn tevens in behandeling geweest de bezwaarschriften van verzoeker, strekkende tot het vervallen verklaren van aanwijzingen van de stichting. Deze procedures hebben als kenmerk 275907 / J2 RK 07-4, 274444 / J2 RK 06-1274, 273660 / J2 RK 1231 en 277158 / J2 RK 07-94.

In de vijf laatstbedoelde procedures heeft op 12 februari 2007 ten overstaan van de rechter een mondelinge behandeling plaats gevonden. De rechter heeft daarin op 12 februari 2007 een eindbeslissing gegeven.

Ter terechtzitting met gesloten deuren van 4 april 2007 is door de rechter behandeld de tussen verzoeker en zijn echtgenote aanhangige verzoekschriftprocedure tot het tussen hen uitspreken van de echtscheiding met nevenvoorzieningen. Deze procedure heeft als kenmerken 264975 / F2 RK 06-1631 en 273458 / F2 RK 06-3007.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoeker de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het griffiedossier van de hiervoor omschreven echtscheidingsprocedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de zitting van 4 april 2007.

Verzoeker, zijn procureur, alsmede de rechter zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Ter zitting met gesloten deuren van 17 april 2007, alwaar de gedane wraking is behandeld, zijn verschenen: verzoeker en zijn procureur. Zij hebben het standpunt van verzoeker nader toegelicht.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

De rechter heeft op zittingen, welke vooraf zijn gegaan aan de zitting van 4 april 2007, mededelingen gedaan welke niet in het proces-verbaal staan. De rechter doet uitspraken over het verleden van verzoeker, waar de rechter niets mee te maken heeft.

2.1.2

De rechter heeft in de tot dusverre gevoerde procedures alleen een luisterend oor voor de wederpartij en niet voor de ouders van de minderjarigen.

2.1.3

In zijn schriftelijke reactie geeft de rechter zelf ook aan dat hij de zitting van 4 april 2007 liever niet zelf had gedaan, waarmee de rechter zelf te kennen geeft dat hij verkeerd bezig was.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter heeft onder meer meegedeeld dat – mede als gevolg van een tweetal aanhoudingen – hij in korte tijd drie verschillende zaken van verzoeker en zijn echtgenote ter behandeling voorgelegd heeft gekregen. De rechter heeft te kennen gegeven dat zich daarbij geen feiten hebben voorgedaan die grond tot wraking van de rechter kan opleveren. Wel ware het beter geweest indien de drie procedures niet allemaal door dezelfde rechter zouden zijn behandeld, zodat een andere rechter met een nieuwe blik naar het in de grond zelfde geschil had kunnen kijken.

3. De beoordeling

3.1

Bij deze rechtbank is in behandeling de tussen verzoeker en zijn echtgenote aangevangen echtscheidingsprocedure. Tevens zijn in behandeling geweest een aantal procedures met betrekking tot de ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen van verzoeker en zijn echtgenote, de machtiging tot uithuisplaatsing van die kinderen, alsmede bezwaarschriften van verzoeker tegen aanwijzingen van de gezinsvoogd.

3.2

In het kader van al deze procedures heeft een aantal zittingen plaats gevonden, in de laatst omschreven gevallen op 12 februari 2007. Bij die gelegenheid heeft verzoeker aan de rechter reeds een brief doen toekomen, waarin hij aangaf bezwaren te hebben tegen het optreden van de rechter. Naar aanleiding van die brief heeft de rechter ter zitting uitdrukkelijk aan verzoeker en zijn raadsman gevraagd of aan deze brief gevolgen verbonden dienden te worden. Deze vraag is toen door verzoeker en diens raadsman ontkennend beantwoord.

Na afloop van de zitting heeft de rechter een tweetal beschikkingen afgegeven.

3.3

Bij brief van 7 maart 2007 is aan verzoeker en diens raadsman meegedeeld dat de behandeling van de wederzijdse verzoeken tot echtscheiding met nevenvoorzieningen zou plaatsvinden op 4 april 2007. In die brief is meegedeeld dat de rechter deze zaak zou voorzitten.

Ter zitting van 4 april 2007 heeft verzoeker, nog voordat kon worden overgegaan tot de inhoudelijke behandeling van de verzoeken, de rechter gewraakt met als motivering dat : “Ik vind u geen rechter, ik vind u een onrechter”.

3.4

Niet is gebleken dat de rechter tussen 12 februari 2007 en 4 april 2007 enige handeling in de bovenbedoelde zaken heeft ondernomen of enige beslissing heeft gegeven.

De wet schrijft voor dat het verzoek tot wraking moet worden gedaan zodra de feiten en omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden.

Uit de gang van zaken als hiervoor beschreven volgt dat in dit geval door verzoeker niet aan dit wettelijk voorschrift is voldaan.

Verzoeker is derhalve niet ontvankelijk in zijn verzoek.

4. De beslissing

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking van [de rechter].

Deze beslissing is gegeven op 1 mei 2007 door mr. M.F.L.M. van der Grinten, voorzitter, mr. A.G. Scheele-Mülder en mr. M.C. van der Kolk, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de oudste rechter en de griffier ondertekend.