Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA6201

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-05-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
268133 / HA ZA 06-2453
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet tegen dwangbevel van de ontvanger. Verzet ongegrond verklaard.

De in reconventie gevorderde opheffing van de schorsing van het dwangbevel wordt afgewezen nu het verzet niet zo zeer kansloos moet worden geacht dat het belang van eiser bij schorsting van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de ontvanger bij voortzetting van die tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 268133 / HA ZA 06-2453

Uitspraak: 23 mei 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. H.E. Schweers,

advocaat mr. F.A. Piek te Amsterdam,

- tegen -

de ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/RIJNMOND,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

procureur mr. J.G.A. van Zuuren,

advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "de Ontvanger".

1. Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding ex artikel 17 Invorderingswet 1990 d.d. 3 mei 2006 en de door [eiser] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 15 november 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 16 maart 2007;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door [eiser] overgelegde conclusie van antwoord in reconventie en producties.

2. De vaststaande feiten in conventie en in reconventie

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 [eiser] en zijn echtgenote zijn in 1984 onder huwelijkse voorwaarden getrouwd. Blijkens de bij de notariële akte van 5 juni 1984 behorende lijst van aanbrengsten ter gelegenheid van het huwelijk heeft [eiser] niets aangebracht.

2.2 [eiser] en zijn vrouw hebben in 1998 hun bedrijf, een assurantiekantoor, verkocht.

2.3 [eiser] heeft op 28 januari 1998 een optieovereenkomst ondertekend, waarbij hij opdrachten tot uitvoering aan ING Bank gaf. De beleggingen werden voor een deel gefinancierd met de opbrengst uit de verkoop van het assurantiekantoor en voor een deel met een door ING Bank verstrekt krediet. In oktober 1998 had [eiser] een negatief resultaat uit beleggingen van 1,5 miljoen gulden. [eiser] heeft ING Bank hiervoor bij brief van 22 oktober 1998 aansprakelijk gesteld.

2.4 De Inspecteur van de belastingdienst heeft [eiser] over 1998 een aanslag en een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd (met dagtekening 24 november 2000 respectievelijk 31 oktober 2001).

2.5 Op 17 januari 2002 en 18 maart 2002 heeft de Ontvanger voor deze aanslagen dwangbevelen uitgevaardigd, die beide op 12 april 2002 aan [eiser] zijn betekend.

2.6 [eiser] en zijn echtgenote hebben op 7 juni 2002 het geschil met ING Bank geschikt, waarbij ING Bank aan de familie [eiser] een bedrag van 1,2 miljoen euro aan schade heeft vergoed. ING Bank heeft een bedrag van € 564.947,76 verrekend met de hypotheekschuld die de familie [eiser] bij haar had. Het restant ad € 635.052,24 heeft ING Bank gestort op de derden-geldenrekening van de advocaat van [eiser]. De advocaat van [eiser] heeft op het bedrag zijn declaraties ter hoogte van € 114.162,52 in mindering gebracht. Ook is een bedrag van € 330.225,00 aan bemiddelingskosten aan [bemiddelaar] betaald.

2.7 [eiser] heeft de Ontvanger bij brief van 16 april 2004 verzocht om zijn openstaande belastingschuld kwijt te schelden.

2.8 De Ontvanger heeft dit verzoek bij beschikking van 9 maart 2006 afgewezen. De Ontvanger heeft hiertoe overwogen:

"(…)

1e het kan aan uw cliënt worden toegerekend dat de belastingaanslagen niet kunnen worden betaald. Uw cliënt wist of kon redelijkerwijs vermoeden, nadat hij zijn bedrijf had verkocht, dat er belastingaanslagen zouden worden opgelegd. Uw cliënt heeft verzuimd hiervoor tijdig de nodige middelen te reserveren.

2e uw cliënt heeft in 2002 een schadevergoeding van ING bank ontvangen ten bedrage van 1,2 miljoen euro. Van dit bedrag zijn volgens de verstrekte gegevens alleen de concurrente schuld-eisers voldaan.

3e uw cliënt had op 31 december 2002 nog een rekening-courant vordering van € 138996,00 op Prokimm Beheer BV. Volgens een uittreksel van de Kamer van Koophandel is uw cliënt van deze rechtspersoon enig aandeelhouder en bestuurder. De rekening-courant vordering bedraagt volgens de balans van 31 december 2004 nog € 46846,00.

4e uw cliënt heeft in juli 2002 twee uitkeringen ontvangen van een kapitaalverzekering met lijfrente clausule. De uitgekeerde bedragen zijn respectievelijk € 69873,00 en € 9435,00. Ook deze bedragen zijn niet aangewend voor betaling van de aanslagen maar voor andere concurrente schuldeisers.

(…)"

2.9 [eiser] heeft tegen deze beschikking geen beroep ingesteld.

2.10 Op 29 maart 2006 heeft de Ontvanger aan [eiser] nog 14 dagen de tijd gegeven om tot betaling van € 111.269,00 inclusief kosten en invorderingsrente over te gaan en hem bericht dat hij bij gebreke van tijdige betaling genoodzaakt zou zijn om de invordering met de hem ter beschikking staande mogelijkheden ter hand te nemen.

2.11 Bij brief van 27 april 2006 heeft de deurwaarder aan [eiser] bericht dat hij beslag zal leggen op diens roerende zaken en dat hij voor beslaglegging naar diens adres komt op dinsdag 9 mei 2006.

3. De vordering in conventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat [eiser] goed opposant is tegen de tenuitvoerlegging van de door de Ontvanger uitgevaardigde dwangbevelen ter zake van bedoelde navorderingsaanslag en aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 1998 en dat deze dwangbevelen dientengevolge buiten effect zijn gesteld, alsmede de Ontvanger te veroordelen tot:

a) opheffing van alle op grond van deze dwangbevelen nog te leggen beslagen;

b) onthouding van enige invorderingsmaatregelen ter zake van die navorderings-aanslag en die aanslag;

c) vergoeding van schade nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente;

d) vermindering van de in rekening gebrachte betekeningskosten tot nihil, danwel tot een in goede justitie te bepalen bedrag;

e) vergoeding van de kosten van dit geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 [eiser] beschikt niet over de middelen om de betreffende aanslagen over 1998 te voldoen. [eiser] is medio 1998, nadat hij zijn aandeel in de onderneming heeft verkocht, gestopt met werken en is, gelet op zijn psychische toestand niet in staat om arbeid te verrichten. [eiser] geniet derhalve geen inkomsten. Evenmin beschikt hij, zoals de Ontvanger weet, over vermogen om de belastingschuld te betalen.

3.2 De eigen woning alsmede de inboedel en overige roerende zaken behoren toe aan de echtgenote van [eiser]. De Ontvanger is hiervan op de hoogte. Indien de voorgenomen beslaglegging op roerende zaken, zoals meubels, auto's en contant geld, op het adres van [eiser] doorgang vindt, is, gelet op de omstandigheid dat de daar aanwezige goederen kenbaar voor de Ontvanger niet tot het vermogen van [eiser] behoren, sprake van louter vexatoire beslaglegging op zaken van derden.

3.3 De door de ING Bank betaalde schadevergoeding, alsmede de uitkering van een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule zijn aangewend om andere schuldeisers te voldoen.

3.4 De op 31 december 2004 nog openstaande vordering van [eiser] op Prokimm Beheer BV van € 46.846,00 kan, gelet op het negatieve vermogen op 31 december 2004 van € 46.115,00 en het saldo liquide middelen van € 731,00 niet door de vennootschap worden afgelost. De jaarrekening over 2005 is nog niet opgesteld, maar zal, gelet op de omstandig-heid dat de BV geen activiteiten ontplooit, geen positiever beeld laten zien.

3.5 De Ontvanger heeft dit alles ten onrechte niet bij zijn beoordeling van het verzoek om kwijtschelding betrokken.

4. Het verweer in conventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

De Ontvanger heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 [eiser] heeft geen recht op kwijtschelding. Kwijtschelding van zakelijke belastingen wordt slechts in zeer bijzondere situaties verleend en alleen in het kader van een akkoord tussen de belastingschuldige en al zijn schuldeisers.

4.2 Aan [eiser] kan worden toegerekend dat de aanslagen niet kunnen worden voldaan. Hij wist, althans moest redelijkerwijs vermoeden dat de aanslagen zouden worden opgelegd. [eiser] beschikte vanaf medio 2002 over voldoende financiële middelen, maar hij betaalde andere (concurrente) schuldeisers in plaats van de fiscus. Naast de door ING Bank betaalde schadevergoeding had [eiser] zijn lijfrente uitkeringen en gelden van Prokimm Beheer BV gedeeltelijk kunnen aanwenden voor de betaling van zijn belastingschuld. Hij heeft dat niet gedaan. [eiser] betaalde andere (concurrente) schuldeisers en besteedde zijn geld aan andere zaken.

4.3 Nu [eiser] geen recht heeft op kwijtschelding is het aan de Ontvanger zijn belastingschuld zoveel mogelijk te innen. Voor de Ontvanger is allerminst zeker dat [eiser] over geen enkel inkomen en vermogen beschikt.

4.4 Niet kan worden uitgesloten dat [eiser] vanaf 1984 eigenaar is geworden van een aantal roerende zaken. [eiser] kan niet volstaan met de enkele opmerking dat alle zaken aan zijn vrouw toebehoren. Er is voldoende reden om te veronderstellen dat niet alleen mevrouw [eiser], maar ook [eiser] sinds 1984 een aantal roerende zaken heeft aangeschaft. [eiser] beschikte immers langere tijd over de nodige financiële middelen. De Ontvanger heeft de beslaglegging van tevoren aangekondigd. [eiser] en/of zijn vrouw hadden dus voorafgaand aan de beslaglegging kunnen stellen en bewijzen dat bepaalde of alle zaken in de woning van mevrouw waren. Er wordt natuurlijk geen beslag gelegd op zaken, waarvan blijkt dat die van mevrouw [eiser] zijn.

4.5 Dat Prokimm Beheer BV een negatief vermogen heeft, verzet zich er niet tegen dat de Ontvanger ten laste van [eiser] onder die vennootschap executoriaal derdenbeslag legt.

4.6 Mogelijk heeft [eiser] nog één of meer vorderingen op anderen.

5. De vordering in reconventie

De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad te oordelen dat het door [eiser] gedane verzet geen schorsende werking heeft, althans de schorsende werking aan dat verzet te ontzeggen, alsmede [eiser] te veroordelen om te dulden dat de Ontvanger de jegens hem uitgevaardigde dwangbevelen ten uitvoer legt met alle middelen rechtens, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

Aan deze vordering heeft de Ontvanger naast hetgeen in conventie als verweer is aangevoerd, de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

5.1 Het verzet van [eiser] is evident kansloos. Het gaat [eiser] er niet om het handelen van de Ontvanger inhoudelijk te bestrijden, maar alleen om de schorsende werking van het verzet (het bewerkstelligen van uitstel van invordering). [eiser] maakt dusdoende misbruik van bevoegdheid.

5.2 Het belang van [eiser] bij handhaving van de schorsende werking weegt in ieder geval niet op tegen het belang van de Ontvanger bij voortzetting van de invordering.

6. Het verweer in reconventie

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering.

7. De beoordeling

in conventie

7.1 [eiser] is tegen de aan hem betekende dwangbevelen in verzet gekomen, stellende dat hij in betalingsonmacht verkeert. Volgens [eiser] heeft hij geen inkomen of vermogen en heeft de Ontvanger ten onrechte besloten zijn verzoek om kwijtschelding niet te honoreren.

7.2 In artikel 26 lid 1 van de Invorderingswet 1990 is bepaald dat bij ministeriële regeling regels worden gesteld voor gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van rijks-belastingen. Gehele of gedeeltelijke kwijtschelding kan worden verleend als de belasting-schuldige niet in staat is, anders dan met buitengewoon bezwaar de belastingaanslag geheel of gedeeltelijk te betalen. In het algemeen zal van buitengewoon bezwaar sprake zijn als de middelen ontbreken om een belastingaanslag te betalen. De op artikel 26 gebaseerde regels op grond waarvan aan een belastingschuldige kwijtschelding kan worden verleend, zijn vastgelegd in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 (artikelen 7 tot en met 28a). Hiermee is voor de belastingschuldige de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid gewaarborgd. Als hij voldoet aan de voorwaarden waaronder kwijtschelding kan worden verleend, moet hem die ook worden gegeven.

7.3 Ingevolge artikel 8 lid 1 aanhef en onder a van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 wordt geen kwijtschelding verleend voor zover het feit dat een belastingaanslag niet kan worden voldaan aan de belastingschuldige is toe te rekenen. In artikel 26 paragraaf 1 onder 16 van de Leidraad Invordering 1990 is vermeld dat hiervan onder andere sprake is, indien: (c) een uitbetaald bedrag niet is aangewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding wordt gevraagd, (d) vanaf de bekendmaking van de belastingaanslag tot aan de indiening van het verzoek om kwijtschelding op enig moment voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen voldoen, (e) belasting-schuldige wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat een belastingaanslag zou worden opgelegd.

7.4 Vast staat dat de in geding zijnde dwangbevelen op 12 april 2002 aan [eiser] zijn betekend, zodat hij in ieder geval vanaf die datum met de betreffende belastingaanslagen bekend is geworden. Ook staat vast dat [eiser] en zijn echtgenote bij overeenkomst van 17 juni 2002 van ING Bank een schadevergoeding van 1,2 miljoen euro toegekend hebben gekregen. Indien wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van [eiser] dat van dit bedrag 40% aan zijn echtgenote toekomt, omdat zij destijds voor dat percentage gerechtigd was tot de winst uit de onderneming, is ter zake een bedrag van € 720.000,00 aan [eiser] vergoed. Voorts staat vast dat [eiser] in juli 2002 twee uitkeringen uit kapitaalverzekeringen heeft ontvangen van in totaal € 79.308,00.

7.5 Gebleken is derhalve dat op enig moment na 12 april 2002 voldoende middelen aanwezig waren om de aanslag te kunnen voldoen. Dat [eiser] van deze bedragen een hypotheekschuld heeft afgelost en zijn advocaat als ook zijn bemiddelaar [bemiddelaar] heeft betaald kan niet aan de Ontvanger worden tegengeworpen. Een verzoek om kwijt-schelding wordt immers eveneens afgewezen, indien een uitbetaald bedrag niet is aan-gewend ter voldoening van de schuld waarvan kwijtschelding wordt gevraagd.

7.6 Hieruit volgt dat de stelling van [eiser] dat de Ontvanger ten onrechte zijn verzoek om kwijtschelding niet heeft gehonoreerd moet worden verworpen. Overigens heeft te gelden dat de rechtbank die beschikking slechts marginaal kan toetsen. [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid ex artikel 24 van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 tegen de afwijzende beschikking van de Ontvanger een beroepschrift te richten tot de directeur.

7.7 [eiser] heeft nog aangevoerd dat de voorgenomen beslaglegging op roerende zaken vexatoir is, omdat de in de eigen woning aanwezige inboedel en overige roerende zaken aan zijn echtgenote toebehoren.

7.8 In artikel 14 paragraaf 1 onder 7 van de Leidraad Invordering 1990 is in dit verband vermeld dat als tegen de inbeslagneming van bepaalde roerende zaken tegenover de belastingdeurwaarder bezwaar wordt gemaakt op grond van het feit dat de zaken geen eigendom zijn van de belastingschuldige en de zaken van de belastingschuldige onvoldoende verhaal bieden, de belastingdeurwaarder wijst op de mogelijkheid op grond van artikel 22 lid 1 van de Invorderingswet 1990 een beroepschrift in te dienen bij de directeur en eventueel in verzet te gaan op grond van artikel 456 respectievelijk artikel 435 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Als de derde, met betrekking tot wie de eigendom wordt beweerd, bij de beslaglegging aanwezig is, dan wel op het adres waar de beslaglegging plaatsheeft woont of is gevestigd, betekent de belastingdeurwaarder het beslag direct na de beslaglegging ook aan deze derde. Alleen in het geval dat aan de eigendom van een derde niet kan worden getwijfeld en tevens vaststaat dat de Ontvanger zich niet op enig verhaalsrecht kan beroepen, blijft inbeslagneming achterwege.

7.9 De enkele omstandigheid dat [eiser] bij aanvang van het huwelijk in 1984 geen roerende zaken heeft aangebracht, brengt niet mee dat aan de eigendom van de echtgenote van [eiser] van de thans in de eigen woning aanwezige goederen niet kan worden getwijfeld. Evenmin staat vast dat de Ontvanger zich niet op enig verhaalsrecht kan beroepen.

7.10 Op grond van het voorgaande moeten de gevorderde verklaringen van recht worden afgewezen.

7.11 De gevorderde veroordeling van de Ontvanger tot vergoeding van schade nader op te maken bij staat moet worden afgewezen, nu een feitelijke grondslag daarvoor ontbreekt.

7.12 [eiser] heeft nog gevorderd dat de Ontvanger "zal worden veroordeeld tot … vermindering van de in rekening gebrachte betekeningskosten tot nihil dan wel tot een door uw rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag".

[eiser] dient in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. In paragraaf 1 onder 1 van artikel 17 van de Leidraad Invordering 1990 is immers bepaald dat geen verzet kan worden gedaan tegen de betekeningskosten van het dwangbevel. Tegen deze kosten staat op grond van artikel 7 van de Kostenwet Invordering rijksbelastingen bezwaar, beroep en hoger beroep open.

7.13 [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proces-kosten.

in reconventie

7.14 De Ontvanger heeft gevorderd te bepalen dat het door [eiser] gedane verzet tegen de in geding zijnde dwangbevelen geen schorsende werking heeft.

7.15 Vooropgesteld moet worden dat de regel dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt, voor een geval als het onderhavige meebrengt dat een belastingplichtige, die in verzet is gekomen tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel teneinde schorsende werking van de executie te bewerkstelligen, de voor hem uit artikel 17 lid 2 voortvloeiende bevoegdheid om zich op schorsing van de tenuitvoerlegging te beroepen misbruikt indien hij, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen zijn belang bij handhaving van schorsende werking van het verzet en het belang van de Ontvanger bij voortgang van de executie dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid de aan het verzet verbonden schorsende werking van de executie niet kan inroepen. De wetgever heeft bij de totstandkoming van de Invorderingswet 1990 uitdruk-kelijk schorsende werking verbonden aan het op de voet van artikel 17 lid 1 gedane verzet tegen tenuitvoerlegging van het bevel, ondanks de daaraan verbonden bezwaren, die bij de parlementaire discussie van de zijde van de regering naar voren zijn gebracht. Hieraan moet de gevolgtrekking worden verbonden dat alleen een zwaarwegend belang van de Ontvanger kan rechtvaardigen dat de schorsende werking van het verzet opzij wordt gezet.

7.16 In het onderhavige geval is hiervan geen sprake. [eiser] heeft niet, zoals in de door de Ontvanger aangehaalde jurisprudentie het geval was, zijn verzet gegrond op een van de stellingen die op grond van artikel 17 lid 3 Invorderingswet 1990 niet aan het verzet kan worden gegrond. Ook overigens kan op hetgeen [eiser] aan zijn verzet ten grondslag heeft gelegd niet het oordeel worden gebaseerd dat diens verzet zo zeer kansloos moet worden geacht dat zijn belang bij schorsing van de tenuitvoerlegging niet opweegt tegen het belang van de ontvanger bij voortzetting van die tenuitvoerlegging.

7.17 Hieruit volgt dat de vordering van de Ontvanger moet worden afgewezen. De Ontvanger zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

8. De beslissing

De rechtbank,

in conventie

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn verzet voor zover dat is gericht tegen de betekeningskosten;

wijst de overige vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Ontvanger bepaald op € 248,00 aan vast recht en op € 902,00 aan salaris voor de procureur;

in reconventie

wijst af de vordering van de Ontvanger;

veroordeelt de Ontvanger in de proceskosten tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] bepaald op nihil aan verschotten en op € 226,00 aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren.

Uitgesproken in het openbaar.

336