Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA6198

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-05-2007
Datum publicatie
01-06-2007
Zaaknummer
257519 / HA ZA 06-774
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vorderingen tot nakoming van een overeenkomst tussen twee aandeelhouders die onder meer de aflossing regelt van een rekening-courantschuld van de vennootschap aan een voormalig bestuurder, tevens indirect aandeelhouder. Vorderingsgerechtigdheid van de verschillende eisers jegens de verschillende gedaagden. Gevolgen faillissement van dochtervennootschap voor aflossingsregeling: uitleg en aanvulling overeenkomst conform Haviltex-norm. Instructies tot uitwerking stellingen ter zake van persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder van onvermogende debiteur

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 6 163
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2007, 505
JIN 2007/298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 257519 / HA ZA 06-774

Uitspraak: 9 mei 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres],

gevestigd te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand,

2. [eiser],

wonende te [woonplaats], [gemeente],

eisers,

procureur mr. P.H.Ch.M. van Swaaij,

advocaat mr. R.G.M. van der Pas te Breda,

- tegen -

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HAKRU BEHEER B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gedaagden,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. J.C. Dorrepaal te Alphen aan den Rijn.

Eisers worden hierna afzonderlijk aangeduid als "[eiseres]" respectievelijk "[eiser]" dan wel gezamenlijk als "[eisers]". Gedaagden worden hierna afzonderlijk aangeduid als "[gedaagde sub 1]", "Hakru" respectievelijk "[gedaagde sub 3]" dan wel gezamenlijk als "[gedaagden]".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 9 maart 2006 en de door [eisers] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met productie;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 24 mei 2006, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 14 augustus 2006;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door [gedaagden] overgelegde

producties.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang - het volgende vast.

2.1 [eiser] houdt alle aandelen in en is bestuurder van [eiseres].

2.2 [gedaagde sub 3] houdt alle aandelen in en is bestuurder van [gedaagde sub 1].

2.3 Tot 5 november 1999 hielden [gedaagde sub 1] en [eiseres] tezamen alle aandelen in Hakru.

2.4 Hakru was een tussenholding, die alle aandelen hield in een werkmaatschappij genaamd [... B.V]., hierna te noemen “[B.V.]”. [gedaagde sub 3] was bestuurder van [B.V.].

2.5 Op 5 november 1999 heeft [eiseres] haar aandelen in Hakru aan [gedaagde sub 1] overgedragen. De notariële akte van verkoop en levering van aandelen is door [eiser] ondertekend in zijn hoedanigheid van directeur van [eiseres] en in zijn hoedanigheid van directeur van Hakru, en door [gedaagde sub 3] in zijn hoedanigheid van directeur van [gedaagde sub 1] en in zijn hoedanigheid van directeur van Hakru. Artikel 2 lid 1 van de notariële akte luidt:

“De koopprijs bedraagt één gulden (f. 1,--), welke koopsom door koper is voldaan en waarvoor verkoper aan koper verklaart volledige kwijting te verlenen.”.

2.6 De koopovereenkomst ter zake van de aandelen is vastgelegd in een aandeelhoudersbesluit van 16 september 1999, hierna ‘het aandeelhoudersbesluit’, dat is ondertekend door [eiseres] (vertegenwoordigd door [eiser]) en [gedaagde sub 1] (vertegenwoordigd door [gedaagde sub 3]). In de notariële akte van 5 november 1999 wordt naar het aandeelhoudersbesluit verwezen en een kopie ervan is aan de akte gehecht. Artikel 3 van het aandeelhoudersbesluit luidt:

“Door deze overdracht zijn alle verbintenissen en overeenkomsten welke tussen verkoopster en de heer [eiser] danwel een van zijn gelieerde vennootschappen (mochten) bestaan met Hakru Beheer B.V., [... B.V]. en WPC Projectburo B.V. danwel de heer [gedaagde sub 3] danwel een van aan hun gelieerde vennootschappen komen te vervallen met onmiddellijke ingang.”.

Artikel 4 van het aandeelhoudersbesluit luidt:

“Op de leveringsdatum zal aan [eiser], conform het verzoek daartoe blijkens bijgevoegde ontslagbrief, met ingang van leveringsdatum ontslag en décharge voor het gevoerde beleid worden verleend overeenkomstig het besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders zoals bijgevoegd.”.

Artikel 5 van het aandeelhoudersbesluit luidt, voor zover relevant:

“De vordering welke [eiser] heeft op Hakru bedraagt thans ca. f. 87.000. Door Hakru Beheer B.V. wordt als afwikkeling op de rekening-courantschuld aan [eiser] maandelijks, vanaf 1 juni 1999, een bedrag ad. f. 1.000,- betaald op een door [eiser] aan te geven privé-bankrekening. Deze betaling zal 24 maal plaatsvinden en derhalve eindigen met de betaling per 1 mei 2001.

De alsdan resterende vordering, groot f. 63.000, zal met drie jaarlijkse termijnen ad. f. 12.000 worden afgelost negen maanden na afloop van de kalenderjaren 2000 resp. 2001 en 2002. Deze aflossingen zullen slechts plaatsvinden indien het resultaat na Vennootschapsbelasting van [... B.V]. over genoemde jaren minimaal f 50.000 bedraagt, rekening houdende met een management-vergoeding ad. f 150.000 op jaarbasis en blijkende uit een door een accountant (AA/RA) samengestelde jaarrekening.

In het geval genoemd winstniveau in enig jaar niet is bereikt zullen de resterende aflossingen allen één jaar doorschuiven. Uiteindelijk zal een vordering resteren ad. f 27.000 welke door [eiser] na ontvangst van de laatste aflossing zal worden kwijtgescholden. De rekeningen-courant tussen Hakru Beheer B.V. en de heer [eiser] resp. één van de aan hem gelieerde vennootschappen zullen niet rentedragend zijn. (…)”.

2.7 [eiser] wenste de door [eiseres] gehouden aandelen in Hakru niet over te dragen zonder dat daarbij tevens afspraken werden gemaakt over de aflossing van zijn vordering in privé op Hakru.

2.8 Sinds [eiser] op 5 november 1999 is ontslagen als directeur van Hakru is [gedaagde sub 3] enig directeur van Hakru.

2.9 Hakru heeft de navolgende bedragen afgelost op de rekening-courantschuld aan [eiser]:

bedrag datum betaling toegerekend aan termijn van

f. 1.000,-- 25-11-1999 1-6-1999

f. 1.000,-- 25-11-1999 1-7-1999

f. 1.000,-- 25-11-1999 1-8-1999

f. 1.000,-- 8-12-1999 1-9-1999

f. 1.000,-- 21-12-1999 1-10-1999

f. 1.000,-- 21-12-1999 1-11-1999

f. 1.000,-- 21-12-1999 1-12-1999

f. 1.000,-- 9-2-2000 1-1-2000

f. 1.000,-- 6-3-2000 1-2-2000

f. 1.000,-- 5-4-2000 1-3-2000

f. 1.000,-- 1-5-2000 1-4-2000

f. 1.000,-- 30-5-2000 1-5-2000

f. 1.000,-- 26-6-2000 1-6-2000

f. 1.000,-- 24-7-2000 1-7-2000

f. 1.000,-- 20-9-2000 1-8-2000

f. 1.000,-- 21-11-2000 1-9-2000

f. 1.000,-- 16-1-2001 1-10-2000

f. 1.000,-- 31-1-2001 1-12-2000

2.10 Op 1 juni 2001 heeft [gedaagde sub 3] een eenmanszaak opgericht onder de naam [gedaagde sub 3] Vloerafwerkingen. Deze eenmanszaak is op hetzelfde adres gevestigd als [gedaagde sub 1] en Hakru.

2.11 Op 12 juni 2001 is [B.V.] in staat van faillissement verklaard.

3 De vordering

De vordering luidt – zakelijk weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde sub 1], Hakru en [gedaagde sub 3] hoofdelijk te veroordelen aan [eiseres] en [eiser] te betalen:

1. een bedrag groot f. 6.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over:

- f. 1.000,-- vanaf 1 december 2000,

- f. 1.000,-- vanaf 1 januari 2001,

- f. 1.000,-- vanaf 1 februari 2001,

- f. 1.000,-- vanaf 1 maart 2001,

- f. 1.000,-- vanaf 1 april 2001 en

- f. 1.000,-- vanaf 1 mei 2001;

2. wettelijke rente over:

- f. 1.000,-- vanaf 1 juni 1999 tot 25 november 1999,

- f. 1.000,-- vanaf 1 juli 1999 tot 25 november 1999,

- f. 1.000,-- vanaf 1 augustus 1999 tot 25 november 1999,

- f. 1.000,-- vanaf 1 september 1999 tot 8 december 1999,

- f. 1.000,-- vanaf 1 oktober 1999 tot 21 december 1999,

- f. 1.000,-- vanaf 1 november 1999 tot 21 december 1999;

- f. 1.000,-- vanaf 1 december 1999 tot 21 december 1999,

- f. 1.000,-- vanaf 1 januari 2000 tot 9 februari 2000,

- f. 1.000,-- vanaf 1 februari 2000 tot 6 maart 2000,

- f. 1.000,-- vanaf 1 maart 2000 tot 5 april 2000,

- f. 1.000,-- vanaf 1 april 2000 tot 1 mei 2000,

- f. 1.000,-- vanaf 1 mei 2000 tot 30 mei 2000;

- f. 1.000,-- vanaf 1 juni 2000 tot 26 juni 2000,

- f. 1.000,-- vanaf 1 juli 2000 tot 24 juli 2000,

- f. 1.000,-- vanaf 1 augustus 2000 tot 20 september 2000,

- f. 1.000,-- vanaf 1 september 2000 tot 21 november 2000,

- f. 1.000,-- vanaf 1 oktober 2000 tot 16 januari 2001;

- f. 1.000,-- vanaf 1 november 2000 tot 31 januari 2001;

primair:

een bedrag groot f. 36.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente over:

- f. 12.000,-- vanaf 1 oktober 2001, dan wel een in goede justitie te bepalen datum;

- f. 12.000,-- vanaf 1 oktober 2002, dan wel een in goede justitie te bepalen datum;

- f. 12.000,-- vanaf 1 oktober 2003, dan wel een in goede justitie te bepalen datum;

subsidiair:

een bedrag groot f. 27.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf een in goede justitie te bepalen datum;

3. buitengerechtelijke incassokosten;

met veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de kosten van het geding.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten hebben [eisers] aan de vorderingen de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

Algemeen

3.1 [eiseres] en [eiser] vorderen ten eerste betaling van de zes onbetaald gebleven maandelijkse aflossingstermijnen, ieder groot f. 1.000,--, door hen aangeduid als onderdeel A, hierna te noemen “de maandelijkse aflossingstermijnen”, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment dat zij volgens het aandeelhoudersbesluit dienden te worden betaald.

3.2 [eiseres] en [eiser] vorderen ten tweede rente over de door Hakru verrichte maandelijkse termijnbetalingen, voor zover deze niet tijdig zijn geschied.

3.3 [eiseres] en [eiser] vorderen ten derde primair betaling van de drie onbetaald gebleven jaarlijkse aflossingstermijnen, ieder groot f. 12.000,--, door hen aangeduid als onderdeel B, hierna te noemen “de jaarlijkse aflossingstermijnen”. Partijen gingen er van uit dat de resultaten van [B.V.] uiteindelijk ten gunste van Hakru zouden komen. Met het afhankelijk stellen van het betaalmoment van de resultaten van [B.V.] is bij onvoldoende resultaten slechts uitstel en niet verval van de betalingen beoogd. Er is geen regeling getroffen voor het geval dat [B.V.] zou failleren. De overeenkomst moet worden uitgelegd en aangevuld op dit punt. Nu blijkens de regeling is uitgegaan van een totale betaling van f. 60.000,-- door Hakru aan [eiser], te voldoen uit de resultaten van [B.V.] na vennootschapsbelasting, blijkt dat partijen bij het treffen van de regeling uitgingen van een normaal renderende onderneming van [B.V.]. Het faillissement van [B.V.] bevrijdt Hakru niet van haar betalingsverplichtingen, zodat het gehele bedrag van de jaarlijkse aflossingstermijnen opeisbaar en verschuldigd is.

3.4 Subsidiair, voor het geval dat de voorwaarde ten aanzien van de jaarlijkse aflossingstermijnen als niet vervuld wordt beschouwd, vorderen [eiseres] en [eiser] betaling van f. 27.000,--, door hen aangeduid als onderdeel C. Aan de voorwaarden voor kwijtschelding is immers niet voldaan nu niet alle maandelijkse en jaarlijkse aflossingstermijnen zijn betaald.

3.5 Gedaagden dienen hoofdelijk te worden veroordeeld, omdat [gedaagde sub 3] te kwader trouw betaling van de jaarlijkse aflossingstermijnen heeft verhinderd.

3.6 Voor [eiseres] en [eiser] zijn omvangrijke werkzaamheden buiten rechte verricht die niet uitsluitend strekten tot instructie van het geding.

Ten aanzien van de vorderingsgerechtigdheid van [eiser]

3.7 Het vorderingsrecht van [eiser] vloeit voort uit de rekening-courantverhouding tussen [eiser] en Hakru. De schuld van Hakru jegens [eiser] is in het aandeelhoudersbesluit materieel gefixeerd per 16 september 1999. Hoewel [eiser] formeel geen partij is bij het aandeelhoudersbesluit kan hij daaraan wel zelf rechten ontlenen, nu hij zelf het document heeft getekend –in zijn hoedanigheid van bestuurder van [eiseres]- en van de inhoud volledige wetenschap droeg. Voor zover hij niet als partij bij de overeenkomst geldt, is artikel 5 van de overeenkomst een derdenbeding te zijnen gunste dat hij heeft aanvaard.

Ten aanzien van de vordering op [gedaagde sub 1]

3.8 [gedaagde sub 1] was partij bij het aandeelhoudersbesluit.

3.9 [gedaagde sub 1] was enig aandeelhouder van Hakru en kon als zodanig toezicht uitoefenen op het beleid van de bestuurder van Hakru, [gedaagde sub 3].

Ten aanzien van de vordering op Hakru

3.10 In het licht van de verhoudingen tussen partijen geldt ook Hakru als partij bij het aandeelhoudersbesluit. [gedaagde sub 3], die bestuurder was van Hakru, heeft het aandeelhoudersbesluit getekend. Hakru is gehouden tot nakoming van de in het aandeelhoudersbesluit opgenomen aflossingsverplichtingen ter zake van de rekening-courantvordering van [eiser] op Hakru.

Ten aanzien van de vordering op [gedaagde sub 3]

3.11 Ook [gedaagde sub 3] geldt als partij bij het aandeelhoudersbesluit. [gedaagde sub 3] heeft het aandeelhoudersbesluit getekend.

3.12 Ten tijde van het sluiten van het aandeelhoudersbesluit kende [gedaagde sub 3] als geen ander de operationele en financiële positie van Hakru en [B.V.]. Gezien zijn positie als bestuurder van [gedaagde sub 1], Hakru en [B.V.] kon [gedaagde sub 3] zelfstandig het beleid van deze vennootschappen bepalen.

3.13 Primair heeft [gedaagde sub 3] het er bewust toe geleid dat [B.V.] in staat van faillissement zou worden verklaard met als oogmerk om de door [gedaagde sub 3] beheerste vennootschap Hakru te laten bevrijden van haar jaarlijkse betalingsverplichtingen jegens [eiser], althans te bewerkstelligen dat bedoelde betalingsverplichtingen nimmer meer opeisbaar zouden zijn.

3.14 Subsidiair heeft [gedaagde sub 3] vermogensbestanddelen aan [B.V.] onttrokken, wetende dat hiervan het faillissement van [B.V.] het gevolg zou kunnen zijn. Deze onttrekking is in ieder geval gelegen in het kort voor faillissementsdatum starten van een eenmanszaak die zich bezighield met het leveren en aanbrengen van vloerafwerkingen en aanverwante werkzaamheden, dezelfde feitelijke ondernemingsactiviteiten als [B.V.]. Deze activiteit ging ten laste van het debiet van [B.V.] en daarmee van de opeisbaarheid van de jaarlijkse aflossingsverplichtingen jegens [eiser]. De eenmanszaak is een (gedeeltelijke) voortzetting van de ondernemingen van [B.V.] respectievelijk Hakru.

3.15 [gedaagde sub 3] heeft in het licht van het aanstaande – door hem zelf bewerkstelligde – faillissement van [B.V.] willens en wetens zowel binnen [B.V.] als binnen Hakru een toestand laten intreden waarbij deze vennootschappen niet dan wel onvoldoende in staat waren om positieve resultaten te behalen. Een partij die zelf het vervullen van een voorwaarde belet, mag van de niet-vervulling van die voorwaarde niet profiteren.

3.16 [gedaagde sub 3] heeft onrechtmatig gehandeld jegens [eiseres] en [eiser]. [gedaagde sub 3] wist althans behoorde te weten dat zijn bovenbedoeld handelen nadelige gevolgen voor [eiser] en/of [eiseres] zou hebben. In ieder geval wist [gedaagde sub 3] dat het niet in voldoende mate aanwezig zijn van positieve resultaten binnen [gedaagde sub 3] zou leiden tot vertraging in de aflossing van de rekening-courantvordering van [eiser] op Hakru en dus nadeel voor [eiser] met zich mee zou brengen.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eisers] in de kosten van het geding.

[gedaagden] hebben daartoe het volgende aangevoerd.

Algemeen

4.1 Hakru en [gedaagde sub 1] ontplooien geen activiteiten, het zijn lege vennootschappen.

4.2 Ter zake van de jaarlijkse aflossingsverplichtingen is niets betaald omdat de resultaten van [B.V.] tot aan faillissementsdatum daarvoor onvoldoende waren. Het voor [eiser] bestemde geld moest van [B.V.] komen. Dat was de bedoeling van partijen. Als dat niet mogelijk was dan zou er geen (verdere) aflossing meer behoeven plaats te vinden. Het faillissement van [B.V.] betekent afstel van betaling en niet slechts uitstel.

4.3 Wat betreft het voorwaardelijk kwijt te schelden bedrag groot f. 27.000,-- geldt dat de voorwaarde voor kwijtschelding alleen ziet op de situatie dat betaling niet plaatsvond ondanks voldoende resultaten binnen [B.V.]. Die situatie is niet aan de orde.

4.4 Voor een hoofdelijke veroordeling bestaat geen aanleiding. Zelfs als [gedaagde sub 3] onrechtmatig zou hebben gehandeld leidt dat hoogstens tot een zelfstandige verplichting van [gedaagde sub 3] jegens [eisers], niet tot hoofdelijke aansprakelijkheid.

Ten aanzien van de vorderingsgerechtigdheid van [eiser]

4.5 Gedaagden bestrijden niet dat [eiser] rechten aan het aandeelhoudersbesluit kan ontlenen.

Ten aanzien van de vordering op [gedaagde sub 3]

4.6 [gedaagde sub 3] is geen partij bij het aandeelhoudersbesluit.

4.7 [B.V.] is ten onder gegaan in een verslechterde markt. [gedaagde sub 3] heeft niet onrechtmatig gehandeld en heeft niet willens en wetens het faillissement uitgelokt om aan betaling door Hakru aan [eiser] te ontkomen. Alle stellingen ter zake van vermeend onrechtmatig handelen zijn onjuist en missen feitelijke en juridische onderbouwing.

4.8 [gedaagde sub 3] heeft geen vermogensbestanddelen aan [B.V.] onttrokken. Hij heeft zelfs nog f. 50.000,-- eigen geld en f. 150.000 geleend geld in [B.V.] gestoken. De curator heeft [gedaagde sub 3] ter zake van het faillissement geen verwijt gemaakt en geen actie genomen ter zake van enige onttrekking.

4.9 Onjuist en niet onderbouwd is dat de eenmanszaak van [gedaagde sub 3] een feitelijke voortzetting is geweest van [gedaagde sub 3] of Hakru. In die eenmanszaak zijn geen activiteiten ontplooid vanaf 1 juni 2001 tot september 2003, omdat [gedaagde sub 3] in die periode werknemer was van DHT B.V. te Oss. Pas daarna is het eenmansbedrijf feitelijk opgestart.

5 De beoordeling

5.1 Aangezien zowel aan eisende als aan verwerende zijde verschillende partijen bij het geding zijn betrokken, dient ten aanzien van iedere eiseres te worden onderzocht of aan haar de vorderingsrechten toekomen die zij jegens ieder der gedaagden inroept.

5.2 [eiseres] en [eiser] spreken, naar de rechtbank hun stellingen begrijpt, ieder der gedaagden aan tot nakoming jegens hen beiden van het aandeelhoudersbesluit. [eiseres] en [eiser] verwijten [gedaagde sub 3] daarnaast dat deze onrechtmatig zou hebben gehandeld.

5.3 Ten aanzien van de contractuele vorderingsrechten overweegt de rechtbank als volgt.

5.3.1 Hoewel alleen [eiseres] en [gedaagde sub 1] als contractspartijen in het aandeelhoudersbesluit worden genoemd en alleen zij het document hebben ondertekend, betekent dat niet zonder meer dat van eiseressen alleen [eiseres] vorderingsgerechtigd is uit hoofde van de overeenkomst die in het aandeelhoudersbesluit is neergelegd, en evenmin dat van gedaagden alleen [gedaagde sub 1] uit hoofde van het aandeelhoudersbesluit kan worden aangesproken.

Voor de beantwoording van de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld is niet alleen een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract van belang, maar komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

Uitlegging van het aandeelhoudersbesluit volgens deze maatstaf brengt de rechtbank tot de conclusie dat dit document niet alleen de schriftelijke neerlegging is van een overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1], onder meer met betrekking tot de verkoop van aandelen, maar tevens van een of meer overeenkomsten tussen andere partijen, in het bijzonder tussen [eiser] en Hakru met betrekking tot de aflossing van de rekening-courantvordering van [eiser] op Hakru. De rechtbank licht dit toe als volgt.

5.3.2 De tekst van het aandeelhoudersbesluit geeft aanleiding te vermoeden dat daarmee is beoogd meer te regelen dan alleen de rechtsverhouding tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1]. Het aandeelhoudersbesluit regelt immers diverse onderwerpen met betrekking tot de beëindiging van de samenwerking tussen aan de ene zijde [eiser] en diens vennootschappen en aan de andere zijde [gedaagde sub 3] en zijn vennootschappen. De overdracht van aandelen door [eiseres] aan [gedaagde sub 1] is geregeld in de artikelen 1 en 2. Andere delen van het aandeelhoudersbesluit, in het bijzonder op de in overweging 2.6 hierboven aangehaalde artikelen 3, 4 en 5, raken echter niet –of niet uitsluitend- de rechtsverhouding tussen deze twee partijen. Artikel 3 strekt tot beëindiging van alle bestaande overeenkomsten tussen enerzijds [eiseres], [eiser] of een aan hen gelieerde vennootschap en anderzijds [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 1] of een aan hen gelieerde vennootschap. Artikel 4 betreft de décharge van [eiser] als bestuurder van Hakru. Artikel 5 strekt naar zijn tekst tot het overeenkomen van een afbetalingsregeling tussen [eiser] en Hakru. Als crediteur van de rekening-courantvordering wordt in het aandeelhoudersbesluit alleen [eiser] genoemd, en als debiteur alleen Hakru.

5.3.3 [eiser] kende, naar uit zijn stellingen blijkt, ten tijde van de ondertekening van het aandeelhoudersbesluit de inhoud daarvan, en stemde in met de aflossingsregeling die daarin op zijn aandringen was neergelegd. Hij heeft daaraan ook uitvoering gegeven door de overeengekomen aflossingsbetalingen in ontvangst te nemen en Hakru tot nakoming aan te manen.

De kennis die [eiser] en [gedaagde sub 3], die beiden het aandeelhoudersbesluit voor hun holdingvennootschappen ondertekenden, hadden omtrent de daarin opgenomen aflossingsregeling wordt aan Hakru toegerekend, omdat zij toentertijd tezamen het bestuur van Hakru vormden. Dat Hakru met de regeling instemde blijkt niet alleen uit de ondertekening door Hakru (vertegenwoordigd door [eiser] en [gedaagde sub 3]) van de notariële akte van verkoop en levering van aandelen, waarin het aandeelhoudersbesluit werd genoemd en waaraan dit was gehecht, maar ook uit het feit dat Hakru de aflossingsregeling heeft uitgevoerd door betalingen aan [eiser] te doen conform artikel 5 van het aandeelhoudersbesluit, verder te noemen ‘artikel 5’.

5.3.4 Nu uit de tekst van artikel 5 blijkt dat daarmee is beoogd een aflossingsregeling te treffen waaruit voor [eiser] en Hakru over en weer rechten en verplichtingen voortvloeiden, terwijl voorts is gebleken dat [eiser] en Hakru ten tijde van de ondertekening daarvan met het aandeelhoudersbesluit bekend waren en daarmee instemden, moet het ervoor worden gehouden dat artikel 5 verbindend is voor [eiser] en Hakru, niet bij wege van derdenbeding en/of derdenwerking maar rechtstreeks omdat dit een neerlegging is van een tussen hen beiden gesloten overeenkomst.

5.3.5 Uit artikel 5 vloeien naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend voor [eiser] en Hakru rechten en verplichtingen voort. Immers, uit de gedragingen van [eiseres], [eiser], [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 3] en Hakru voorafgaand aan deze procedure is af te leiden dat zij –ook na de totstandkoming van het aandeelhoudersbesluit- alleen [eiser] als crediteur en alleen Hakru als debiteur van de rekening-courantvordering hebben beschouwd. Het is Hakru die het bestaan van [eiser]s rekening-courantvordering heeft erkend. Het is Hakru die de vordering van [eiser] in haar jaarstukken heeft verwerkt, naar zij ter comparitie heeft gesteld. Alleen Hakru heeft betalingen aan (alleen) [eiser] gedaan in het kader van de aflossingsregeling. Alleen [eiser] heeft (alleen) Hakru aangemaand tot betaling van de rekening-courantvordering.

Ten aanzien van de vorderingen van [eiseres]

5.4 Uit de standpunten van partijen leidt de rechtbank af dat zij het erover eens zijn dat de rekening-courantvordering toekomt aan [eiser]. [eisers] hebben immers ter comparitie gesteld dat [eiser] aanspraak maakt op aflossing van de rekening-courantvordering en [gedaagden] hebben de vorderingsgerechtigdheid van [eiser] erkend.

Mede gelet op hetgeen in overweging 5.3-5.3.5 is overwogen volgt daaruit dat [eiseres] geen eigen recht kan doen gelden om betaling uit hoofde van artikel 5 te vorderen. Nu artikel 5 naar het oordeel van de rechtbank niet als een derdenbeding heeft te gelden, kan [eiseres] ook niet als stipulante van een derdenbeding nakoming ten gunste van [eiser] vorderen. Om deze redenen is [eiseres] niet ontvankelijk in haar vorderingen voor zover deze zijn gebaseerd op nakoming van artikel 5.

5.5 Ter comparitie heeft [eiseres] nog gesteld dat de aflossing van de rekening courant in privé moet worden beschouwd als onderdeel van de koopsom voor de aandelen tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1].

De rechtbank gaat daaraan echter voorbij nu dit standpunt onverenigbaar is met de door [eiseres] bij dagvaarding ingenomen stelling dat zij uit hoofde van de verkoop en levering van aandelen in Hakru niets meer van [gedaagde sub 1] te vorderen heeft. De juistheid van laatstbedoeld standpunt wordt onderstreept door de in artikel 1 van de notariële akte (aangehaald in overweging 2.5 hierboven) door [eiseres] aan [gedaagde sub 1] ter zake van de koopsom verleende kwijting.

5.6 [eiseres] is in haar onrechtmatige-daadsvordering niet ontvankelijk. [eiseres] verwijt [gedaagde sub 3] dat deze op onrechtmatige wijze schade heeft veroorzaakt, welke schade zich uit in het niet betalen door Hakru van haar rekening-courantschuld aan [eiser]. Het oordeel van de rechtbank dat alleen [eiser] als crediteur van de rekening-courantvordering heeft te gelden, brengt mee dat alleen [eiser] van het gestelde onrechtmatig handelen schade kan hebben geleden.

5.7 Op bovenstaande gronden zullen alle vorderingen van [eiseres] worden afgewezen.

Ten aanzien van de vordering van [eiser] op [gedaagde sub 1]

5.8 [gedaagde sub 1] kan, gelet op hetgeen in overweging 5.3-5.3.5 hierboven is overwogen, niet tot nakoming van artikel 5 worden aangesproken.

5.9 Voor aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] op andere gronden is onvoldoende gesteld. Dat [gedaagde sub 1] als enig aandeelhouder van Hakru toezicht kon uitoefenen op het beleid van Hakru’s bestuurder brengt niet zonder (veel) meer aansprakelijkheid mee.

Ter comparitie heeft [eiser] een beroep gedaan op vereenzelviging, stellende dat [gedaagde sub 1] als beleidsbepaler van Hakru en [B.V.] heeft gehandeld.

Van vereenzelviging, waarbij voorbij wordt gegaan aan het identiteitsverschil tussen een bij een geval betrokken rechtspersoon en één of meer andere bij die rechtspersoon betrokken (rechts-)personen, in die zin dat gedragingen van de één aan de ander worden toegerekend, kan slechts onder uitzonderlijke omstandigheden sprake zijn. Het is aan [eiser] om die, concrete, uitzonderlijke omstandigheden te stellen en te bewijzen, die de conclusie vereenzelviging rechtvaardigen. De enkele omstandigheid dat [gedaagde sub 1] beleidsbepaler was is daartoe onvoldoende, nog daargelaten dat deze stelling zich moeilijk laat verenigen met hetgeen [eiser] stelt omtrent de betrokkenheid van [gedaagde sub 3] in privé. Nu [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, kan zijn vordering op basis van vereenzelviging niet slagen.

5.10 De vordering van [eiser] op [gedaagde sub 1] zal op deze gronden worden afgewezen.

Ten aanzien van de vordering van [eiser] op Hakru

5.11 In overweging 5.3-5.3.5 hierboven is vastgesteld dat [eiser] vorderingsgerechtigd is jegens Hakru. Hakru heeft ter comparitie “het bestaan van de primaire vordering van [eiser]” erkend. Gelet op de in overwegingen 4.2 en 4.3 hierboven weergegeven verweren van [gedaagden] ten aanzien van de gevolgen van het faillissement van [B.V.] voor de verschuldigdheid en opeisbaarheid van de jaarlijkse aflossingstermijnen en het voorwaardelijk kwijt te schelden bedrag, begrijpt de rechtbank de stelling zo dat deze erkenning slechts betrekking heeft op de maandelijkse aflossingstermijnen.

5.12 De vorderingen op Hakru met betrekking tot de maandelijkse aflossingstermijnen, zoals verwoord in overweging 3 aanhef en onder 1 en 2 hierboven, zullen als erkend worden toegewezen.

5.13 Partijen verschillen van inzicht over de verschuldigdheid en opeisbaarheid van de jaarlijkse aflossingstermijnen. Dit verschil van inzicht is terug te voeren op de onderling verschillende uitleg die partijen geven aan het relevante deel van artikel 5:

“De alsdan resterende vordering, groot f. 63.000, zal met drie jaarlijkse termijnen ad. f 12.000 worden afgelost negen maanden na afloop van de kalenderjaren 2000 resp. 2001 en 2002. Deze aflossingen zullen slechts plaatsvinden indien het resultaat na Vennootschapsbelasting van [... B.V]. over genoemde jaren minimaal f 50.000 bedraagt (…)

In het geval genoemd winstniveau in enig jaar niet is bereikt zullen de resterende aflossingen allen één jaar doorschuiven. (…)”.

5.14 Partijen twisten over de vraag welke gevolgen het faillissement van [B.V.] heeft op de aflossingsverplichtingen van Hakru jegens [eiser]. [eiser] betoogt dat de overeenkomst niet in die situatie voorziet en dat een redelijke uitleg en aanvulling van de overeenkomst meebrengt dat Hakru niet door het faillissement van [B.V.] van haar aflossingsverplichtingen is bevrijd. Hakru betoogt dat het de bedoeling van partijen was dat Hakru uit de resultaten van [B.V.] zou worden betaald, en dat daaruit volgt dat geen (verdere) aflossing behoefde plaats te vinden als de resultaten van [B.V.] niet toelieten dat [eiser] daaruit werd betaald.

5.15 Ook voor dit onderdeel van het geschil geldt dat de vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding van partijen is geregeld, en of dit contract een leemte laat die moet worden aangevuld, niet kan worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

5.16 Voor de uitleg van artikel 5 acht de rechtbank van belang dat dit strekte tot het vastleggen van een betalingsregeling voor een reeds bestaande schuld. [eiser] had op een aflossingregeling aangedrongen voorafgaand aan de verkoop van de aandelen in Hakru.

Bezien tegen deze achtergrond is onlogisch en ongeloofwaardig dat partijen hebben bedoeld de jaarlijkse betalingsverplichtingen te laten vervallen indien de resultaten van [B.V.] daartoe lange tijd of blijvend onvoldoende zouden zijn, zoals Hakru betoogt. Dat zou immers betekenen dat [eiser] met de op zijn verzoek en in zijn belang getroffen aflossingsregeling zijn positie wilde verslechteren in plaats van verbeteren. Immers, als geen aflossingsregeling tot stand was gekomen zou de rekening-courantvordering van [eiser] op Hakru geen gevolgen hebben ondervonden van het faillissement van [B.V.]. Dat partijen dit resultaat voor ogen zou hebben gestaan bij het treffen van de aflossingsregeling wordt door het karakter van en de aanleiding voor de regeling tegengesproken.

Aan dit oordeel doet niet af dat partijen zijn overeengekomen dat bij onvoldoende resultaten van [B.V.] een tijdelijk uitstel van betaling gerechtvaardigd zou zijn.

Nu Hakru haar standpunt slechts baseert op een eigen interpretatie van het verband dat in artikel 5 wordt gelegd tussen de resultaten van [B.V.] en de betaling aan [eiser], en geen feiten of omstandigheden stelt die, indien bewezen, de conclusie zouden kunnen dragen dat partijen de mogelijkheid van langdurig tegenvallende of definitief wegvallende resultaten van [B.V.] onder ogen hebben gezien en hebben beoogd een regeling voor dat geval te treffen, ziet de rechtbank geen aanleiding om Hakru toe te laten tot bewijslevering op dit punt. Zij volgt [eiser] in zijn standpunt dat het aandeelhoudersbesluit een leemte bevat die dient te worden aangevuld.

5.17 Uit hetgeen partijen voor ogen heeft gestaan bij het treffen van de betalingsregeling neergelegd in artikel 5, volgt dat deze bepaling ook moet worden geacht te strekken tot aflossing van de rekening-courantvordering in het geval dat [B.V.] in staat van faillissement is verklaard. De jaarlijkse aflossingstermijnen zijn derhalve onverminderd opeisbaar en door Hakru verschuldigd.

5.18 De primaire vordering van [eiser] ter zake van de jaarlijkse aflossingstermijnen zal op deze gronden te zijner tijd worden toegewezen zoals weergegeven in overweging 3, aanhef en onder 3. De wettelijke rente over de toegewezen bedragen zal als onbetwist worden toegewezen vanaf de data zoals primair gevorderd. Gezien de toewijzing van het primair gevorderde behoeft de subsidiaire vordering geen bespreking.

Ten aanzien van de vordering van [eiser] op [gedaagde sub 3]

5.19 Gelet op hetgeen in overweging 5.-5.3.5 hierboven is overwogen kan [gedaagde sub 3] niet tot nakoming van artikel 5 worden aangesproken. Om diezelfde reden is het verwijt dat [gedaagde sub 3] als partij de vervulling van een overeengekomen voorwaarde heeft belet, niet van belang.

5.20 [eiser] heeft daarnaast aan zijn vordering tegen [gedaagde sub 3] ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 3] in zijn hoedanigheid als bestuurder van Hakru, mede gelet op zijn positie als bestuurder van [B.V.] en [gedaagde sub 1], jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld.

Vooropgesteld dient te worden dat een vordering houdende de persoonlijke aansprakelijkstelling van een bestuurder van een vennootschap voor schade als gevolg van de wanprestatie of het onrechtmatig handelen van die vennootschap slechts dan voor toewijzing vatbaar is, indien aan deze bestuurder een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt van dat handelen. Of sprake is van een zodanig ernstig verwijt hangt af van alle omstandigheden van het geval.

5.21 Primair stelt [eiser] dat [gedaagde sub 3] het faillissement van [B.V.] zou hebben uitgelokt met als oogmerk om Hakru te bevrijden van haar jaarlijkse betalingsverplichtingen jegens [eiser]. Indien juist zou zijn dat [gedaagde sub 3] het faillissement van [B.V.] heeft uitgelokt met het specifieke doel om Hakru te laten ontkomen aan aflossingsbetalingen aan [eiser], kan dat een onrechtmatige daad van [gedaagde sub 3] opleveren.

Omdat de rechtbank ook op andere punten nadere toelichting behoeft, zal zij [gedaagde sub 3] om redenen van doelmatigheid in de gelegenheid stellen zijn summiere –en betwiste- stellingen op dit punt bij akte na tussenvonnis uit te werken.

5.22 Subsidiair stelt [eiser] dat [gedaagde sub 3] vermogensbestanddelen aan [B.V.] heeft onttrokken, onder meer in verband met een door hem kort voor het faillissement gestarte eenmanszaak, terwijl [gedaagde sub 3] wist dat hiervan het faillissement van [B.V.] het gevolg zou kunnen zijn en terwijl hij wist of behoorde te weten dat het faillissement van [B.V.] negatieve gevolgen voor [eiser] zou hebben.

[gedaagde sub 3] heeft de stellingen van [eiser] betwist en deze betwisting onderbouwd door overlegging van door [eiser] niet betwiste faillissementsverslagen en een brief van de curator, waaruit noch van enige onttrekking door [gedaagde sub 3] blijkt noch van enige andere aanleiding om aansprakelijkheid van [gedaagde sub 3] als bestuurder van [B.V.] aan te nemen. Gezien deze betwisting door Hakru is het aan [eiser] om zijn summiere stellingen uit te werken.

Gelet op het door [eiser] ter comparitie gedane bewijsaanbod zal de rechtbank [eiser] toelaten tot het uitwerken van zijn stellingen bij akte na tussenvonnis.

5.23 In die akte kan [eiser] ook zijn stelling toelichten dat [gedaagde sub 3] willens en wetens zowel binnen [B.V.] als Hakru een toestand heeft laten intreden waarbij deze vennootschappen niet dan wel onvoldoende in staat waren om positieve resultaten te behalen, welke stelling naar de rechtbank begrijpt zowel met het primaire als het subsidiaire verwijt verband houdt.

5.24 Ter comparitie heeft [eiser] nog gesteld dat het voor [gedaagde sub 3] voorzienbaar was dat Hakru niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen. Naar de rechtbank begrijpt verwijt [eiser] [gedaagde sub 3] hiermee dat hij als bestuurder van Hakru deze vennootschap verplichtingen heeft laten aangaan terwijl hij wist of behoorde te weten dat zij daaraan niet zou kunnen voldoen, hetgeen een onrechtmatige daad van [gedaagde sub 3] in privé in kan houden. Als zelfstandig verwijt mist deze stelling feitelijke grondslag, nu vast staat dat de rekening-courantvordering van [eiser] op Hakru al bestond ten tijde van het treffen van de aflossingsregeling in het aandeelhoudersbesluit, zodat daarmee het treffen van de aflossingsregeling niet maatgevend is voor het moment van aangaan van die verplichting terwijl te dien aanzien geen andere feiten zijn gesteld of gebleken.

Voor zover de stelling echter is bedoeld als invulling van het ter comparitie eveneens gemaakte verwijt van gebrekkig bestuur -[eiser] heeft tevens gesteld dat [gedaagde sub 3] [B.V.] onvoldoende zou hebben bestuurd omdat hij teveel aandacht besteedde aan zijn werk voor andere vennootschappen – kan [eiser] ook deze stelling en dit verwijt nader uitwerken bij akte na tussenvonnis.

5.25 Daarnaast dient meer inzicht te worden verstrekt in de omvang in financiële zin van een en ander. Samenvattend dient [eiser] in zijn akte, voor zoveel reeds mogelijk voorafgaand aan eventuele bewijslevering, de navolgende feitelijke stellingen toe te lichten en te concretiseren:

i. dat [gedaagde sub 3] het faillissement van [B.V.] heeft uitgelokt;

ii. dat [gedaagde sub 3] door uitlokking van het faillissement van [B.V.] beoogde Hakru te laten ontkomen aan aflossing aan [eiser];

iii. dat [gedaagde sub 3] willens en wetens binnen [B.V.] een toestand heeft laten intreden waarbij deze vennootschap niet dan wel onvoldoende in staat was om positieve resultaten te behalen;

iv. dat [gedaagde sub 3] willens en wetens binnen Hakru een toestand heeft laten intreden waarbij deze vennootschap niet dan wel onvoldoende in staat was om positieve resultaten te behalen;

v. de aard van de gestelde onttrekkingen aan het vermogen van [B.V.] en de wijze waarop deze zouden hebben plaatsgevonden;

vi. de omvang en financiële waarde van de gestelde onttrekkingen;

vii. de omvang van de schade die ten gevolge van de gestelde onttrekkingen is ontstaan;

viii. dat [gedaagde sub 3] [B.V.] onvoldoende zou hebben bestuurd;

ix. dat het voor [gedaagde sub 3] voorzienbaar was dat Hakru niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen;

alles voor zoveel mogelijk ondersteund door bewijs dan wel, indien dat niet aanstonds mogelijk is, met aanduiding van de wijze waarop [eiser] het benodigde bewijs denkt te kunnen bijbrengen.

5.26 In zijn akte dient [eiser] voorts aandacht te besteden aan de navolgende juridische vraagpunten:

x. de onrechtmatigheid van de verweten onttrekkingen;

xi. de vraag of de verweten onttrekkingen ook onrechtmatig zijn jegens [eiser] in de zin van artikel 6:163 BW;

xii. of hij stelt dat de verweten onttrekkingen het faillissement van [B.V.] hebben veroorzaakt, in die zin dat zonder deze onttrekkingen [B.V.] niet in staat van faillissement zou zijn verklaard;

a. zo ja, hoe de onttrekkingen als faillissementsoorzaak zich volgens hem verhouden tot de oorzakelijke omstandigheden genoemd in de faillissementsverslagen van de curator van [B.V.];

b. zo nee, hoe hij dan het oorzakelijk verband tussen de onttrekkingen en de schade ziet;

xiii. of volgens [eiser] het faillissement van [B.V.] de niet-betaling door Hakru heeft veroorzaakt, in die zin dat zonder het faillissement van [B.V.] Hakru haar rekening-courantschuld aan [eiser] zou hebben afgelost;

a. zo ja, hoe deze oorzaak van niet-betaling zich volgens hem verhoudt tot eventueel verdere relevante omstandigheden voor niet-betaling door Hakru;

b. zo nee, hoe hij dan het oorzakelijk verband tussen de onttrekkingen en de schade ziet;

waarbij de stellingen ten aanzien van het causaal verband voor zoveel mogelijk dienen te worden ondersteund door bewijs dan wel, indien dat niet aanstonds mogelijk is, met aanduiding van de wijze waarop [eiser] het benodigde bewijs denkt te kunnen bijbrengen.

5.27 Aan de hand van de aldus gepreciseerde stellingen, waarop [gedaagden] bij antwoord-akte zullen mogen reageren, zal de rechtbank beoordelen of aanleiding bestaat om tot bewijslevering ten aanzien van de feitelijke stellingen te komen.

Ten aanzien van de gevorderde hoofdelijkheid

5.28 Nu uit al het voorgaande volgt dat de toe te wijzen vordering op Hakru contractueel van aard is terwijl de vordering jegens [gedaagde sub 3] hoogstens kan strekken tot schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad, hebben de vorderingen wezenlijk onderscheiden grondslagen en bestaat voor een hoofdelijke veroordeling geen plaats.

Ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten

5.29 De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu noch de omvang van de gemaakte kosten noch het bedrag van de vordering is gespecificeerd en voorts onvoldoende is gesteld of gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Het raadplegen van het handelsregister en het voeren van overleg met de curator van [B.V.] maken in dit geval deel uit van de instructie van het geding.

Ten aanzien van de proceskosten

5.30 De rechtbank zal haar oordeel omtrent de proceskosten aanhouden.

6 De beslissing

De rechtbank,

wijst af de vorderingen van [eiseres];

wijst af de vorderingen van [eiser] op [gedaagde sub 1];

wijst af de vordering van [eiser] op Hakru en [gedaagde sub 3] tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten,

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 30 mei 2007 voor het nemen van een akte door [eiser] over de stellingen en vraagpunten genoemd in overwegingen 5.25 en 5.26.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan.

Uitgesproken in het openbaar.

1885/106