Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA4642

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
08-05-2007
Zaaknummer
06/4268
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het bedrijfspensioenfonds had in het kader van het vrijstellingsverzoek als bedoeld in artikel 13 Wet Bpf 2000 tevens in moeten gaan op de voorvraag of het bedrijf viel onder de werkingssfeer van de verplichtgestelde deelneming aan haar pensioenfonds. De berichtgeving omtrent deelneming aan andere fondsen valt buiten de omvang van het geding, want daar ziet het bestreden besluit niet op. Met betrekking tot (dispensatie van) deelneming aan CAO-fondsen is de kantonrechter bevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: BC 06/4268-NIFT

Uitspraak in het geding tussen

Autohulpdienst Broekmans B.V., te Venlo, eiseres,

gemachtigde mr. M.M.L. Michiels, werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs,

en

Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de Weg, verweerster.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 21 september 2006 heeft verweerster het bezwaar van eiseres tegen verweersters besluit van 23 februari 2006, houdende afwijzing van het verzoek om vrijstelling van deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds (hierna: het fonds) van verweerster ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van eiseres bij brief van 26 oktober 2006, aangevuld bij brief van 27 november 2006, beroep ingesteld.

Verweerster heeft bij brief van 21 december 2006 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2007. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.T. Mecking, kantoorgenoot van de gemachtigde van eiseres. Voorts is verschenen M.J.A. Broekmans, directeur van eiseres. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Sanou-Leurink, werkzaam bij de administrateur van verweerster.

2 Overwegingen

2.1 Grondslag van het geschil

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000) kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak, dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor één of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplicht stellen.

Ingevolge artikel 13 van de Wet Bpf 2000:

1. heeft het bedrijfstakpensioenfonds tot taak het verlenen en het intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling;

2. kan het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling voorschriften verbinden;

3. worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder het bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichtstelling verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken alsmede met betrekking tot de voorschriften die het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling kan verbinden.

Uit de artikelen 21, vijfde lid, 25 en 26 Wet Bpf 2000 volgt dat voor burgerlijke rechtsvorderingen ter zake van deelneming in en uitkering uit een bedrijfstakpensioenfonds alsmede met betrekking tot het verzet tegen een dwangbevel ter invordering van achterstallige bijdragen de kantonrechter competent is gebleven en dat voor wat betreft besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) expliciet een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat, waarbij de rechtbank Rotterdam in eerste aanleg als bevoegde rechter is aangewezen.

Artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 (hierna: Vrijstellingsbesluit) luidt:

“Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever, met ingang van de dag dat de verplichtstelling in werking treedt respectievelijk als gevolg van gewijzigde bedrijfsactiviteiten op hem en zijn werknemers van toepassing wordt, vrijstelling verleend, indien:

a. die werknemers van die werkgever al deelnemen in een pensioenregeling die ten minste zes maanden voor het moment van indiening van de in behandeling genomen aanvraag tot verplichtstelling, van kracht was; of

b. indien de werkgever voor die werknemers al een pensioenvoorziening heeft getroffen die al ten minste zes maanden voor het moment dat de verplichtstelling op hem en zijn werknemers van toepassing wordt, van kracht was.”.

Artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit luidt:

“Op verzoek van een werkgever kan door het bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever ook om andere redenen dan genoemd in de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 en 5, eerste lid, vrijstelling worden verleend.”.

Ten tijde in geding waren de volgende vrijstellingsbesluiten van belang.

Het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) tot (wijziging) van verplichtstelling van deelneming in het fonds van verweerster van 27 februari 1998 (Stcrt. 1998, 43), dat ingevolge artikel 39, derde lid, van de Wet Bpf 2000 vanaf de inwerkingtreding van de Wet Bpf 2000 moet worden aangemerkt als een verplichtstelling als bedoeld in artikel 2 van deze wet, luidde voor zover hier van belang als volgt:

“[D]at de deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor het Beroepsvervoer over de weg […] is verplicht gesteld voor:

werknemers vanaf de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 21 jaar wordt bereikt tot de eerste dag van de maand waarin de leeftijd van 65 jaar wordt bereikt, wordende ten deze verstaan onder:

1. werknemer:

degene, die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in loondienst is van een werkgever in respectievelijk het wegvervoer, het binnenbeurtvaartbedrijf en/of het kraanverhuurbedrijf, met uitzondering van:

(…)

b. de werknemer, die in een onderneming, waarin anders dan uitsluitend of in hoofdzaak een of meer takken van bedrijf, behorende tot respectievelijk het wegvervoer, het binnenbeurtvaartbedrijf en/of het kraanverhuurbedrijf worden uitgeoefend, niet werkzaam is in een afdeling waarin uitsluitend of in hoofdzaak een of meer der bedoelde takken van bedrijf worden uitgeoefend;

(…)

3. wegvervoer:

het bedrijf van:

a. het tegen vergoeding vervoeren van goederen over de weg, alsmede het tegen vergoeding vervoeren van goederen over niet voor het openbaar verkeer openstaand terrein;

b. het als bode, bestelhuis of op andere dergelijke wijze verlenen van bemiddeling bij het tot stand komen van overeenkomsten ter zake van het tegen vergoeding vervoeren van goederen over de weg;

c. het tegen vergoeding uitvoeren van besloten busvervoer en openbaar vervoer;

d. het exploiteren van taxi’s;

e. het tegen vergoeding vervoeren van personen met een ambulance-auto of een als zodanig aan te merken motorrijtuig (ambulancevervoerbedrijf); waarbij onder besloten busvervoer, openbaar vervoer en taxivervoer hetzelfde wordt verstaan als in de Wet personenvervoer;

(…)

5. kraanverhuurbedrijf:

alle in Nederland werkzame ondernemingen waarin het bedrijf wordt uitgeoefend van het verhuren van mobiele kranen.

(…)”.

Het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris) tot (wijziging) van verplichtstelling van deelneming in het fonds van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken van 18 november 1999 (Stcrt. 1999, 226), dat ingevolge artikel 39, derde lid, van de Wet Bpf 2000 vanaf de inwerkingtreding van de Wet Bpf 2000 moet worden aangemerkt als een verplichtstelling als bedoeld in artikel 2 van deze wet, luidde voor zover hier van belang als volgt:

“[D]at de deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken (BPMT) […] is verplicht gesteld voor:

de werknemers die werkzaam zijn in ondernemingen, in welke ongeacht de economische functie, uitsluitend of in hoofdzaak één of meer van de hierna onder 1 t/m 19 genoemde werkzaamheden worden uitgeoefend.

1. Het be- en/of verwerken van metalen (met uitzondering van de ondernemingen, hierna bedoeld onder 2, en volgende), waaronder onder meer wordt verstaan:

a. het aanleggen, assembleren, construeren, demonteren, draaien, emailleren, forceren, gieten, herstellen, lassen, monteren, onderhouden, persen, pletten, samenstellen uit al of niet van derden betrokken onderdelen, slopen, smeden,smelten, trekken, vervaardigen en walsen van metaal (waaronder o.m. te verstaan: aluminium, blik, brons, koper, lood, messing, staal, tin, ijzer, zink en legeringen of composities hiervan) of van metalen apparaten, drijfwerk, gereedschappen, machines, toestellen, voorwerpen en werktuigen (waaronder mede begrepen kracht- en arbeidswerktuigen, landbouwtractoren, -machines en -werktuigen), alles in de ruimste zin van het woord, zoals appendages, automaten, automobielen, beelden, bliksemafleiders, blikwaren, bouten, brandkasten, bruggen, buizen, capsules, draad, draadnagels, elektroden, gaas, gemotoriseerde rijwielen, haarden, instrumenten (waaronder optische apparaten), kachels, ketels, kinderwagens, klinknagels, knopen, kroonkurken, matrassen, matrijzen, meters (o.a. gas-, elektriciteit-, water- en taxi-meters), meubelen, moeren, motoren, motorrijwielen, muziekinstrumenten, ovens, radiatoren, ramen, reservoirs, rolhekken, rollend materieel, rolluiken (metalen), rijwielen, schaatsen, schepen, schroeven, schuif- en sierhekken, sluitingen, stempels, tanks, tuben en uurwerken;

(…)”.

Beide verplichtstellingsbesluiten zijn door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in 2006 gewijzigd (Stcrt. 2006, 78 en 226). Daarbij is de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Technische Bedrijfstakken (voortaan) aangeduid als de Stichting Pensioenfonds voor de Metaal en Techniek.

Blijkens een zich tussen de stukken bevindende brief van verweerster van 14 april 2005 heeft verweerster eiseres bij brief van 21 maart 2005 meegedeeld dat verweerster de onderneming van eiseres bij één of meerdere stichtingen waarvan verweerster de administratie voert heeft aangesloten.

De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 19 augustus 2005 het volgende bericht:

“Naar aanleiding van uw brief van 14 april 2005 […] vragen wij namens cliënte, Autohulpdienst Broekmans B.V., uw aandacht voor het volgende.

Bij cliënte heeft in 2004 een herstructurering plaatsgevonden. Vóór de herstructurering waren alle activiteiten ondergebracht in Autobedrijf Broekmans B.V. Deze activiteiten bestonden uit het uitoefenen van het garagebedrijf en het takel- en bergingsbedrijf. In 2004 heeft Autobedrijf Broekmans B.V. haar activiteiten (inclusief personeel) ondergebracht in twee dochtervennootschappen om vervolgens als houdstervennootschap te gaan functioneren. Hierbij haar naam gewijzigd in M.J.A. Broekmans Holding B.V.

(…)

Voor de herstructurering was bij Autobedrijf Broekmans B.V. (thans M.J.A. Broekmans Holding B.V.) de CAO ‘Motorvoertuigen en Tweewielerbedrijf’ van toepassing en niet de CAO ‘Beroepsgoederenvervoer over de weg’ […]. Hierdoor was Autobedrijf Broekmans B.V. aangesloten bij het Pensioenfonds van MN-Services en niet bij uw Pensioenfonds Vervoer.

Ná de herstructurering is nog steeds de CAO ‘Motorvoertuigen en Tweewielerbedrijf’ van toepassing op het personeel van beide vennootschappen (Autobedrijf Broekmans B.V. en Autohulpdienst Broekmans B.V.). Autohulpdienst Broekmans B.V. is derhalve ook verplicht aangesloten bij het Pensioenfonds van Mn-Services […].

Wij verzoeken u Autohulpdienst Broekmans B.V. dispensatie te verlenen met betrekking tot verplichte deelname aan uw Pensioenfonds Vervoer.”.

Bij dit vrijstellingsverzoek is ondermeer een brief van Mn Services, de administrateur van de bedrijfstakregelingen Metaal en Techniek, van 18 april 2005 gevoegd. In die brief is aangegeven dat eiseres per 1 januari 2005 verplicht deelneemt aan een viertal regelingen van de Vakraad Metaal en Techniek. Daarbij is aangegeven dat de verplichte deelneming is gebaseerd op de hoofdactiviteit van de onderneming van eiseres die bestaat uit Takel- en bergingsbedrijf.

Verweerster heeft eiseres vervolgens bij brief van 12 oktober 2005 verzocht haar met het oog op vrijstelling ingevolge de Wet Bpf 2000 een ingevuld aanvraagformulier te retourneren. Bij brief van 6 februari 2006 heeft eiseres het aanvraagformulier ingevuld geretourneerd. In het formulier is aangekruist dat het verzoek ziet op ‘Vrijstelling om andere redenen’. In de aanbiedingsbrief is voorts aangegeven dat het dispensatieverzoek ziet op een viertal daarin genoemde aansluitnummers.

Bij besluit van 23 februari 2006 heeft verweerster overwogen dat het verzoek tot vrijstelling op grond van herstructurering niet voldoet aan de eisen en voorwaarden op grond van het Vrijstellingsbesluit, dat verweerster derhalve niet verplicht is vrijstelling te verlenen en dat zij heeft besloten de gevraagde vrijstelling niet te verlenen. Wel is nog vermeld dat eiseres mogelijk aanspraak kan maken op vrijstelling uit hoofde van artikel 7d van het Vrijstellingsbesluit en dat eiseres voor die vrijstelling een nieuw aanvraagformulier dient in te vullen en de benodigde akte van splitsing dient mee te sturen.

Bij brief van 28 maart 2006 heeft de gemachtigde van eiseres bezwaar gemaakt. In het aanvullende bezwaarschrift van 2 mei 2006 is ondermeer opgemerkt dat het bezwaar zich niet alleen beperkt tot de verplichte deelneming in het fonds van verweerster, maar ook is gericht tegen de deelneming in fondsen inzake VUT, Prepensioen en Sociaal Fonds, onder vermelding van de daarbij behorende aansluitnummers.

In bezwaar is een gespreksverslag van een bezoek van de accountmanager van Mn Services op 7 juni 2006 overgelegd waaruit volgt dat naar het oordeel van die accountmanager een takel- en bergingsbedrijf als eiseres valt onder de werkingssfeer van de CAO Motorvoertuigen en Tweewielerbedrijf en dat het hem bevreemdt dat de administrateur van het fonds van verweerster geen enkel onderzoek heeft verricht naar de werkzaamheden binnen het bedrijf van eiseres, maar slechts afgaat op de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, welke omschrijving zijns inziens niet overeenkomt met de werkelijke gang van zaken.

Voorts heeft eiseres in dit verband een e-mailbericht van deze accountmanager van Mn Services overgelegd waarin deze melding maakt van een eerder bezoek op 14 maart 2005 waarin reeds door hem is geconcludeerd dat eiseres viel onder de werkingssfeer van de CAO Motorvoertuigen en Tweewielerbedrijf en dat eiseres tevens in de gelegenheid is gesteld de pensioenregeling voor haar werknemers vanaf 1 januari 2005 voort te zetten bij de Stichting Pensioenfonds voor de Metaal en Techniek.

Bij het bestreden besluit heeft verweerster haar afwijzing gehandhaafd. Daarbij is ondermeer overwogen dat verweerster uit een oogpunt van solidariteit een restrictief beleid voert inzake de onverplichte vrijstelling als bedoeld in artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit en dat haar niet is gebleken van een enige overlapping van verplichtgestelde deelneming in bedrijfstakpensioenfondsen.

2.2 Standpunten van partijen

In het aanvullend beroepschrift is voorop gesteld dat het beroep niet alleen is gericht tegen de verplichte aansluiting bij het fonds van verweerster, maar tevens ziet op de verplichte deelneming in een tweetal andere fondsen van verweerster, namelijk inzake VUT en prepensioen.

Met betrekking tot het ontstaan van het geschil is aangevoerd dat de inschrijving bij de Kamer van Koophandel was gebaseerd op de activiteiten van mede aandeelhouder Fa. Herpertz, die gespecialiseerd was in speciaal transport, industriële verhuizingen en kraanverhuur en die het contract met de ANWB uitvoerde dat in 2004 is beëindigd. Eiseres is daarentegen een takel- en bergingsbedrijf dat gespecialiseerd is in het 24 uur per dag 7 dagen per week aanbieden van hulp aan gestrande automobilisten. De werkzaamheden bij eiseres beslaan ongeveer 50% uit montage en ongeveer 50% uit takelen en bergen. Van de oprichting van nieuwe B.V. ’s is destijds melding gedaan aan Mn Services die het fonds van de Stichting Pensioenfonds voor de Metaal en Techniek uitvoert. Bij dit laatste fonds zijn alle personeelsleden van het voormalige Autobedrijf Broekmans B.V. ondergebracht. De accountmanager van Mn Services heeft vervolgens de aansluiting van eiseres geaccordeerd, waarna aansluitnummers zijn afgegeven voor het pensioenfonds en andere fondsen voor het autobedrijf en takel- en bergingsbedrijf. Naar aanleiding van de niet gewijzigde foutieve inschrijving bij de Kamer van Koophandel was verweerster inmiddels overgegaan tot inschrijving bij haar fondsen. Eiseres heeft tegen die aansluitingen bezwaar gemaakt en haar gemachtigde heeft daarnaast om dispensatie van die diverse aansluitingen verzocht.

Gelet op haar bedrijfsvoering is eiseres van mening dat zij niet voldoet aan de omschrijving in ‘de verplichtstelling 1, letter b en 3, letter a’. Voor de meest recente en feitelijk juiste omschrijving van de bedrijfsactiviteiten wijst eiseres op het meest recente uittreksel uit het handelsregister van 22 november 2006. Namelijk: ‘Het uitoefenen van een autohulpdienst, takel- en bergingsbedrijf, automobiel- en garagebedrijf, taxibedrijf en verhuurinrichting van automobielen’. In dit verband is niet zonder betekenis dat reeds de aansluiting bij de Stichting Opleidings- en Ontwikkelingsfonds voor het beroepsvervoer over de Weg met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2005 ongedaan is gemaakt.

Indien eiseres toch onder de werkingssfeer van de verplichtstelling tot deelneming in het fonds van verweerster valt, meent zij aanspraak te maken op vrijstelling uit hoofde van artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit, omdat de werknemers van eiseres reeds sinds jaar en dag op grond van de bedrijfsactiviteiten onder de CAO en (pensioensfonds)regelingen van Metaal en Techniek vallen. Indien de verplichte vrijstellingsgrond toepassing mist zou eiseres op grond van artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit aanspraak op vrijstelling moeten kunnen maken. In dit verband is aangevoerd dat het solidariteitsbeginsel net zo goed geldt voor het pensioensfonds van Metaal en Techniek en dat de belangen van de werknemers onvoldoende zijn meegenomen in de afweging van verweerster.

In het verweerschrift is het volgende aangevoerd:

- de verplichte deelneming in het fonds van verweerster volgt rechtreeks uit een besluit van de Staatssecretaris als bedoeld in artikel 2 van de Wet Bpf 2000. Geschillen omtrent aansluiting kunnen aan de kantonrechter worden voorgelegd. De aansluitingen bij andere stichtingen dan verweerster kunnen evenmin in beroep aan de orde worden gesteld. Het bestreden besluit ziet daar niet op;

- met het oog op de eventuele toepassing van artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit heeft eiseres geprobeerd aan te tonen dat sprake is van een dubbele verplichtstelling. Het e-mailbericht dat eiseres daarvoor in stelling brengt bevat echter niet een mededeling dat eiseres valt onder het verplichtstellingsbesluit met betrekking tot de Stichting Pensioenfonds voor de Metaal en Techniek;

- artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit mist toepassing. Eiseres is immers een nieuwe werkgever. Zij kan dan ook niet voorafgaand aan haar oprichting een eigen pensioenregeling getroffen hebben voor haar werknemers;

- hetgeen eiseres heeft aangevoerd met betrekking tot de CAO Beroepsgoederenvervoer uit 2001 is niet relevant omdat hier een verplichtstelling als bedoeld in artikel 2 van de Wet Bpf 2000 aan de orde is.

2.3 Beoordeling

Met betrekking tot de omvang van het geding overweegt de rechtbank dat het bestreden besluit ziet op handhaving van de in het primaire besluit van 23 februari 2006 vervatte afwijzing van het verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bpf 2000. Deze heroverweging, althans hetgeen voorwerp zou moeten zijn van de beslissing op bezwaar, vormt de buitengrens van het beroep, zo volgt reeds uit de artikelen 8:1, eerste lid, en 7:1, tweede lid, van de Awb.

Daarbij geldt dat de omvang van de heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb in zoverre niet te beperkt is geweest nu verweerster geen beslissingsbevoegdheid toekomt ten aanzien van de andere aansluitingen die bij de primaire aanvraag en in bezwaar zijn genoemd. De rechtbank zal dan ook voorbij gaan aan de stellingen in het aanvullend beroep voorzover die zien op aansluitingen bij andere fondsen dan de aansluiting bij het fonds waarop het verzoek om vrijstelling ziet. De rechtbank merkt overigens op dat aansluitingen die voortvloeien uit een CAO buiten de absolute competentie van de rechtbank vallen. Terzake dergelijke aansluitingskwesties is de kantonrechter competent, zo volgt uit artikel 93 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen is een bedrijfstakpensioenfonds met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de Wet Bpf 2000 uitsluitend als een bestuursorgaan aan te merken betreffende het beslissen op een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bpf 2000. Verweerster komt aldus niet de bevoegdheid toe om een (afzonderlijk) besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb af te geven omtrent verplichte deelneming. Verplichte deelneming volgt rechtstreeks uit een besluit van de Staatssecretaris tot verplichtstelling als bedoeld in artikel 2 van de Wet Bpf 2000, terwijl geschillen omtrent deelneming en daaraan verbonden verplichtingen aan de kantonrechter kunnen worden voorgelegd. Evenwel heeft de rechtbank voorts eerder - onder meer in haar uitspraken van 30 juni 2005 (LJN: AT8725) en 22 februari 2007 (LJN: BA0994) - overwogen dat indien om vrijstelling van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds is verzocht, daarbij tevens de vraag aan de orde kan zijn of het bedrijfstakpensioenfonds bevoegd is tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bpf 2000. De rechtbank wijst in dit verband voorts nog op de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 16 december 2004 (LJN: AR8323) en 13 juni 2006 (LJN: AX8793; AB 2006/334).

Met betrekking tot de vraag naar de werkingssfeer van de verplichtstelling van het fonds van verweerster - hetgeen een voorvraag vormt terzake de bevoegdheid van verweerster om toepassing te geven aan artikel 13, eerste en tweede lid, van de Wet Bpf 2000 - is verder van belang dat de eventuele verplichte deelneming van eiseres aan het fonds van verweerster en/of aan dat van de Stichting Pensioenfonds voor de Metaal en Techniek niet afhangt van de inschrijving bij het betreffende bedrijfstakpensioenfonds, maar van de werkingssfeer van de verplichtgestelde fondsen. In dit verband merkt de rechtbank in navolging van eiseres op dat de enkel bedrijfsomschrijving in het handelsregister niet maatgevend kan zijn voor het antwoord op die vragen.

Verweerster heeft niet alleen verzuimd op enigerlei wijze aan te geven waarom eiseres naar haar oordeel onder werkingssfeerbepalingen van het besluit van de Staatssecretaris van 27 februari 1998 (Stcrt. 1998, 43) valt, naar welk besluit verweerster overigens ook nimmer concreet heeft verwezen, maar voorts heeft zij - voorzover wel sprake is van verplichte deelneming - verzuimd in het kader van de afweging van de vraag of vrijstelling uit hoofde van artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit dient te worden verleend, te onderzoeken of het bedrijf van eiseres inderdaad van rechtswege voorts valt onder de werkingssfeer van de verplichte deelneming aan de Stichting Pensioenfonds voor de Metaal en Techniek.

Het bestreden besluit kan deswege wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb geen stand houden. De rechtbank zal het bestreden besluit om die reden vernietigen. Het beroep is derhalve gegrond.

Verweerster zal zich bij het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar alsnog inhoudelijk dienen te buigen over de vraag of zij bevoegd is een besluit te nemen als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bpf 2000, waarbij heeft te gelden dat een ontkennend antwoord op die voorvraag moet worden gekwalificeerd als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, hetwelk zal moeten leiden tot een herroeping van het primaire besluit. Verweerster zal zich in dit verband dienen te buigen over de vraag of de onderneming van eiseres zich op en na 1 januari 2005 in hoofdzaak haar bedrijf maakte van het tegen vergoeding vervoeren van goederen over de weg. Indien verweerster na onderzoek die vraag bevestigend beantwoordt en om die reden tot het oordeel komt dat de onderneming van eiseres per 1 januari 2005 valt onder het voornoemde verplichtstellingsbesluit van 27 februari 1998, zal zij - nu de verplichte vrijstellingsgrond van artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit om de in het verweerschrift vermelde reden inderdaad toepassing mist - zich tevens dienen te buigen over de vraag of eiseres tevens onder een ander verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds valt zoals zij heeft gesteld en of dit reden vormt om toepassing te geven aan artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit.

Voorts merkt de rechtbank nog op dat het in de rede ligt dat verweerster in dit verband alsnog contact opneemt met de Stichting Pensioenfonds voor de Metaal en Techniek. Gelet op het in dit verband in te stellen onderzoek zal de rechtbank verweerster opdragen binnen veertien weken opnieuw op het bezwaar te beslissen.

De rechtbank ziet aanleiding verweerster te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerster op binnen veertien weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres,

bepaalt dat verweerster aan eiseres het betaalde griffierecht van € 281,- vergoedt,

veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 644,- en wijst haar aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, voorzitter en mr. R. Kruisdijk en

mr. drs. K. Werkhorst, leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen, griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2007.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.