Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA4639

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-05-2007
Datum publicatie
08-05-2007
Zaaknummer
06/2415
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank onderzoekt ambtshalve of tijdig bezwaar is gemaakt en concludeert dat het bezwaarschrift tijdig ter post moet zijn bezorgd. Geen schorsende werking van bezwaar en beroep. Met betrekking geschillen omtrent invordering van premie is ingevolge artikel 21 en 25 Wet Bpf 2000 de kantonrechter bevoegd. Het hangende beroep gedane aanvullende verzoek om toepassing van artikel 3 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 valt buiten de omvang van het geschil omdat de aanvraag daar niet mede op zag nu een dergelijk verzoek mede namens het concern en de vakorganisatie moet worden ingediend. Nu eiseres een nieuwe werkgever is mist artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 reeds toepassing. Het niet verlenen van onverplichte vrijstelling acht de rechtbank niet onredelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: BC 06/2415-PEE

Uitspraak in het geding tussen

Rijnvallei Bedrijfstechniek B.V., gevestigd te Wageningen, eiseres,

gemachtigde mr. drs. H.V.R. Lepoutre, werkzaam bij Hewitt Associates te Amsterdam,

en

Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek, verweerster,

gemachtigde mr. P.F. Doornik, advocaat te Amsterdam.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 26 april 2006 heeft verweerster het bezwaar van eiseres tegen verweersters besluit van 1 februari 2006, houdende afwijzing van het verzoek om ingaande 1 januari 2005 vrijstelling van deelneming in het pensioenfonds van verweerster (hierna: het fonds) te verlenen, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 2 juni 2006, aangevuld bij brief van 6 juli 2006 beroep ingesteld.

Verweerster heeft bij brief van 1 september 2006 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 maart 2007. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts zijn namens eiseres verschenen ir. M.A. Grift en G.J. Burgering, respectievelijk directeur en hoofd personeelszaken van Rijnvallei Holding B.V.. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voorts is namens verweerster verschenen mr. K. Dijkshoorn, werkzaam bij Mn Services.

2 Overwegingen

2.1 Grondslag van het geschil

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000) kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak, dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor één of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplicht stellen.

Ingevolge artikel 13 van de Wet Bpf 2000:

1. heeft het bedrijfstakpensioenfonds tot taak het verlenen en het intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling;

2. kan het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling voorschriften verbinden;

3. worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder het bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichtstelling verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken alsmede met betrekking tot de voorschriften die het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling kan verbinden.

Artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 (hierna: Vrijstellingsbesluit) luidt:

“Op verzoek van een werkgever wordt door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever, met ingang van de dag dat de verplichtstelling in werking treedt respectievelijk als gevolg van gewijzigde bedrijfsactiviteiten op hem en zijn werknemers van toepassing wordt, vrijstelling verleend, indien:

a. die werknemers van die werkgever al deelnemen in een pensioenregeling die ten minste zes maanden voor het moment van indiening van de in behandeling genomen aanvraag tot verplichtstelling, van kracht was; of

b. indien de werkgever voor die werknemers al een pensioenvoorziening heeft getroffen die al ten minste zes maanden voor het moment dat de verplichtstelling op hem en zijn werknemers van toepassing wordt, van kracht was.”.

Artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit luidt:

“Op verzoek van een werkgever kan door het bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever ook om andere redenen dan genoemd in de artikelen 2, 3, eerste lid, 4 en 5, eerste lid, vrijstelling worden verleend.”.

Ten tijde in geding, te weten 1 januari 2005, gold - gelet op artikel 39, derde lid, van de Wet Bpf 2000 - een verplichtstelling tot deelneming aan het fonds, destijds genaamd Stichting Pensioenfonds Metaal en Technische Bedrijfstakken, op grond van het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 18 november 1999 (Scrt. 1999, 226) voor kort gezegd de werknemers die uitsluitend of in hoofdzaak werkzaamheden uitoefenen bestaande uit het be- en/of verwerken van metalen.

Aan het aanvullende beroepschrift ontleent de rechtbank het volgende.

Tot 1 januari 2005 werden de activiteiten van eiseres uitgevoerd binnen de Land- en Tuinbouwcoöperatie Rijnvallei B.A. (hierna: LTC). De bedrijfsactiviteiten van LTC bestonden in hoofdzaak uit het monteren van stalinrichtingen en toebehoren en het aan- en verkopen en het be- en verwerken van benodigdheden voor het land- en tuinbouwbedrijf. Van de 240 werknemers waren er ongeveer twintig werkzaam binnen de afdeling bedrijfstechniek. LTC viel onder de werkingssfeer van de collectieve arbeidsovereenkomst voor de graanhandel. LTC heeft sinds 1993 een eigen pensioenregeling, waarbij vrijstelling is verleend van verplichte deelneming in de Stichting Molenaarspensioenfonds. Binnen LTC is om bedrijfstechnische, bedrijfseconomische en fiscale redenen besloten per 2005 de bedrijfsactiviteiten onder te brengen bij een aantal daartoe op te richten besloten vennootschappen. De werkzaamheden van de afdeling bedrijfstechniek zijn bij eiseres ondergebracht. Bij eiseres werken thans twaalf monteurs (430 uur per week), vijf in- en verkopers en vier mensen in ondersteunende functies (samen 350 uur per week).

Uit de stukken blijkt verder het volgende.

Blijkens een overgelegd uittreksel van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Centraal Gelderland is eiseres op 3 januari 2005 opgericht. Bestuurder en enig aandeelhouder van eiseres is Rijnvallei Holding B.V., dat blijkens een overgelegd uitreksel is opgericht op 29 december 2004.

Bij brief van 22 februari 2005 heeft de administrateur van verweerster Mn Services eiseres bericht dat eiseres per 1 januari 2005 verplicht deelneemt aan de volgende regelingen van de Vakraad Metaal en Techniek:

- NV Schadeverzekering van de metaal en Technische bedrijfstakken;

- O & O voor het Technisch Installatiebedrijf;

- Pensioenfonds Metaal en Techniek;

- Sociaal Fonds Metaal en Technische bedrijfstakken;

- Vroegpensioen.

Deze deelneming is volgens voornoemde administrateur gebaseerd op het feit dat eiseres in hoofdzaak de volgende werkzaamheden uitvoert: monteren, repareren e.d. van installaties voor centrale verwarming e.d..

Eiseres heeft vervolgens bij brief van 10 oktober 2005 om vrijstelling per 1 januari 2005 verzocht. Daarbij is gesteld dat eiseres een eigen pensioenregeling heeft die wordt uitgevoerd door Avéro Achmea. Deze regeling is volgens eiseres gelijkwaardig aan de regeling van verweerster. Voorts heeft eiseres gesteld dat het overleg met werknemersvertegenwoordigers in een afrondende fase is beland. Aan haar verzoek om vrijstelling heeft eiseres artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit ten grondslag gelegd. Eiseres heeft verweerster verzocht aanwijzingen te geven ter invulling van artikel 7, vijfde lid, van het Vrijstellingsbesluit.

Bij besluit van 1 februari 2006 heeft verweerster het verzoek om vrijstelling afgewezen. Met het bestreden besluit heeft verweerster die afwijzing gehandhaafd.

Eiseres heeft verweerster verzocht de invordering van verschuldigde premies op te schorten hangende deze procedure.

Bij brief van 5 juli 2006 heeft eiseres verzocht om vrijstelling als bedoeld in artikel 3 van het Vrijstellingsbesluit. Zij heeft daarbij aangegeven dat dit verzoek kan worden geacht mede te zijn gedaan namens de vakverenigingen die bij de concernvorming en bij het arbeidsvoorwaardenoverleg van Rijnvallei zijn betrokken.

2.2 Standpunten van partijen

In het besluit van 1 februari 2006 is overwogen dat eiseres niet voldoet aan het gestelde in artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit omdat eiseres eerst op 3 januari 2005 is opgericht, zodat zij geen eigen pensioenvoorziening kan hebben gehad die al een half jaar voorafgaande aan de indiening van de aanvraag tot verplichtstelling van kracht was. Voorts is er geen sprake van gewijzigde bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder b, voornoemd.

In dat besluit is voorts overwogen dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7d van het Vrijstellingsbesluit. Die grond voor vrijstelling ziet op een continuering van een eerder verleende vrijstelling na splitsing indien dezelfde verplichtstelling van toepassing is. Daarvan is geen sprake omdat LTC niet onder de verplichtstelling van het fonds viel.

Ten slotte is overwogen dat verweerster het beleid voert geen onverplichte vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit omdat met de verplichtstelling is beoogd nieuwe bedrijven die onder de werkingssfeer van het fonds vallen, deel te laten nemen.

In het bestreden besluit is onder meer overwogen dat verweerster voor de toetsing aan artikel 2, onderdeel b, van het Vrijstellingsbesluit aanknoopt bij de formele situatie dat eiseres een zelfstandige rechtspersoon is.

Eiseres heeft in beroep het volgende aangevoerd.

Eiseres komt wel in aanmerking voor een vrijstelling als bedoeld in artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit. Zij dient namelijk niet als een nieuwe werkgever te worden aangemerkt. In dit verband is opgemerkt dat het Vrijstellingsbesluit en de Wet Bpf 2000 geen definitie van het begrip werkgever bevatten, dat artikel 1 van de Pensioen- en Spaarfondsenwet waarnaar artikel 1 van de Wet Bpf 2000 tot 1 januari 2007 verwees zelf in eerste plaats het hoofd van de onderneming noemt, zodat er veeleer aanleiding bestaat het begrip werkgever in materiële zin op te vatten. Indien LTC de bedrijfactiviteiten van eiseres binnen haar coöperatie zou hebben gehouden, de overige activiteiten zou hebben afgesplitst en vervolgens de coöperatie zou hebben omgezet in een besloten vennootschap zou wel sprake zijn geweest van dezelfde werkgever. Een redelijke belangenafweging moet gelet op het grote belang van de werknemers bij continuering van hun huidige pensioenopbouw ertoe leiden dat eiseres op grond van artikel 2 voornoemd voor vrijstelling in aanmerking komt.

De motivering van verweerster terzake de onverplichte vrijstelling als bedoeld in artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit gaat volgens eiseres niet op omdat zij geen nieuw bedrijf is, maar slechts een nieuwe rechtspersoon.

Niet wordt bestreden dat artikel 7d van het Vrijstellingsbesluit toepassing mist, maar uit die bepaling blijkt wel dat een materieel werkgeverschap gehanteerd dient te worden. Gelet op de in 2005 (de rechtbank leest: 2004) ingevoerde artikelen 7a t/m 7e en het daaraan voorafgegane overleg tussen overheid en sociale partners is deze problematiek wel onderkend, maar als te complex is beschouwd om reeds toen te verwerken in de regelgeving. Ook uit de strekking van deze bepalingen volgt dat in een situatie als die van eiseres dient te worden aangeknoopt bij de feitelijke bedrijfsactiviteiten en niet bij een nieuwe of andere rechtspersoon waarin deze na een splitsing worden ondergebracht.

Verder heeft eiseres er op gewezen dat zij inmiddels een aanvullend vrijstellingsverzoek heeft gedaan waarin zij zich beroept op artikel 3 van het Vrijstellingsbesluit.

Het verweerschrift strekt tot ongegrondverklaring van het beroep.

Ter zitting heeft eiseres omstandigheden aangevoerd waaruit zou blijken dat verweerster zich ten aanzien van het verzoek om vrijstelling op grond van artikel 3 van het Vrijstellingsbesluit onbehoorlijk opstelt.

2.3 Beoordeling

De rechtbank overweegt ambtshalve het volgende over de ontvankelijkheid van het bezwaar.

Het primaire besluit is gedateerd op 1 februari 2006. De bezwaartermijn van zes weken als bedoeld in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ving gelet op artikel 6:8 van de Awb aan op 2 februari 2006. De laatste dag van de bezwaartermijn viel daarom op 15 maart 2006.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerster de griffie van de rechtbank bericht dat het bezwaarschrift bij verweerster als binnengekomen post is geboekt op 16 maart 2006, dat verweerster geen enveloppe waarin het bezwaarschrift zich bevond in haar bezit heeft en dat het bezwaarschrift niet per fax aan haar is verzonden. Van de zijde van eiseres is een voorblad voor een faxbericht overgelegd gedateerd op 14 maart 2006. Daarin wordt melding gemaakt van een bezwaarschrift dat volgens dit voorblad op genoemde datum ook per post aan verweerster is toegezonden. Daarbij is een lijst met op 13 en 14 maart (2006) verzonden faxberichten overgelegd.

Uit het vorenstaande volgt dat verweerster het bezwaarschrift in ieder geval op 16 maart 2006 per post heeft ontvangen. Daarom moet worden aangenomen dat eiseres, zo zij het bezwaarschrift niet reeds op de datum van dagtekening daarvan ter post heeft bezorgd, zij dit uiterlijk op 15 maart 2006, de laatste dag van de termijn, heeft gedaan. Gelet op artikel 6:9 van de Awb moet het er daarom voor worden gehouden dat het bezwaarschrift tijdig is ingediend, zodat het bestreden besluit terecht een heroverweging van het primaire besluit inhoudt.

Van bezwaar en beroep gaat ingevolge art. 6:16 van de Awb geen schorsende werking uit, nog daargelaten waaruit die schorsing in een geval als hier aan de orde zou moeten bestaan. In ieder geval kan eiseres niet in deze procedure haar verzoek aan verweerster om schorsing van invorderingsmaatregelen aan de orde stellen. Artikel 21, vijfde lid, van de Wet Bpf 2000 voorziet in een verzetsprocedure bij de kantonrechter tegen een dwangbevel, zodat de bestuursrechter terzake geen bevoegdheid toekomt.

Buiten de omvang van dit geschil valt de vraag of eiseres in aanmerking komt voor de in artikel 3 van het Vrijstellingsbesluit besloten liggende concernvrijstelling nu aan de aanvraag van 10 oktober 2005 geen verzoek door of namens het concern en de vakorganisaties ten grondslag ligt, zoals artikel 3, eerste lid, onderdeel e, van het Vrijstellingsbesluit vereist. Wat in de brief van 5 juli 2006 is gesteld en wat ter zitting van de zijde van eiseres op dit punt is aangevoerd wordt daarom niet in het beroep betrokken.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres op of rond 1 januari 2005 is komen te vallen onder de werkingssfeer van de verplichtstelling van deelneming in het fonds van verweerster. Daarom ligt uitsluitend de vraag voor of verweerster gehouden was eiseres vrijstelling te verlenen op grond van artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit dan wel niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken van de bevoegdheid vrijstelling te verlenen op grond van artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit.

De rechtbank is met verweerster van oordeel dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor de verplichte vrijstelling als vervat in artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit. De rechtbank is voorts met verweerster van oordeel dat onder werkgever in de zin van die bepaling moet worden begrepen de rechtspersoon waarbij de werknemers ten behoeve waarvan vrijstelling wordt verzocht in dienst zijn. De tekst noch de ontstaansgeschiedenis van het Vrijstellingsbesluit en de Wet Bpf 2000 bieden grond voor de door eiseres voorgestane materiële invulling van het begrip werkgever. Artikel 1, onderdeel d, van de Wet Bpf 2000 verwees ten tijde in geding voor de definiëring van werkgever naar artikel 1 van de Pensioen- en spaarfondsenwet. Ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Pensioen- en spaarfondsenwet moet onder werkgever worden verstaan: het hoofd van een onderneming of, zo deze een rechtspersoon is, die rechtspersoon zelve. Deze definitie die de Wet Bpf 2000 ten tijde in geding overnam gaat derhalve uit van de rechtspersoon. Eerst indien geen sprake is van een rechtpersoon is ruimte voor een meer materiële benadering. Nu eiseres een rechtspersoon is moet zij als de werkgever in de zin van artikel 2 van de Wet Bpf 2000 worden aangemerkt.

Daar eiseres is opgericht op 3 januari 2005 is de verplichte deelneming aan het fonds van verweerster het gevolg van haar oprichting en niet het gevolg van de inwerkingtreding van de verplichtstelling zelf of van gewijzigde bedrijfsactiviteiten. De voordien voor de werknemers getroffen pensioenregeling is evenmin door eiseres getroffen.

Met betrekking tot de onverplichte vrijstelling als bedoeld in artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit dient de rechtbank te beoordelen of verweerster niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren gebruik te maken van de bevoegdheid vrijstelling te verlenen. Het betreft hier derhalve een terughoudende toets aan het in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb besloten liggende evenredigheidsbeginsel.

Uitgangspunt is dat verweerster de bevoegdheid toekomt uit een oogpunt van solidariteit zeer terughoudend om te gaan met die bevoegdheid. Dat eiseres niet onder de reikwijdte van artikel 2 van het Vrijstellingsbesluit valt, maakt niet dat zij, enkel omdat er enige gelijkenis is met omstandigheden die tot toepassing van deze verplichte vrijstellingsgrond dienen te leiden, aanspraak kan maken op de onverplichte vrijstelling.

Waar eerder door het College van Beroep voor het bedrijfsleven in zijn uitspraak van 11 november 2004 (LJN: AR5680) in het kader van artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit is overwogen dat van een werkgever niet zonder meer kan worden gevergd dat hij zijn bedrijf splitst teneinde niet verplicht deel te nemen in twee bedrijfstakpensioenfondsen, geldt hier dat LTC uit eigen beweging haar activiteiten heeft onderverdeeld in nieuw op te richten rechtpersonen. Die eigen keuze heeft ertoe geleid dat eiseres en haar werknemers door haar oprichting onder de werkingssfeer van het fonds zijn komen te vallen.

Verweerster heeft naar het oordeel van de rechtbank zonder in strijd te komen met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb een zwaarder gewicht mogen toekennen aan een vanuit een oogpunt van solidariteit zo groot mogelijke deelneming in haar fonds dan aan de wens van eiseres om de door LTC getroffen pensioenregeling voort te zetten zoals dat ook wordt gedaan door de overige vennootschappen binnen de per 3 januari 2005 ontstane structuur.

Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit in rechte stand houden. Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Kruisdijk, voorzitter en mr. D.C.J. Peeck en mr. M. Jurgens, leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen, griffier, in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2007.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.