Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA4411

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
04-05-2007
Zaaknummer
06/3763
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit onderzoek is gebleken dat eiseres 11 maal als katvanger gelden heeft overgemaakt naar het buitenland. Eiseres is in dit verband als verdachte gehoord door de Regionale Recherche Dienst Rotterdam-Rijnmond. Zij heeft verklaard dat zij geld heeft overgemaakt voor een kennis van haar en dat zij hiervoor € 50 kreeg of boodschappen ter waarde van ongeveer € 70. Het college herziet (lees: trekt) zonder nader onderzoek de bijstandsuitkering over de maanden waarin de transacties hebben plaatsgehad in en vordert die geheel terug. De rechtbank is van oordeel dat het college niet zonder meer enkel op basis van werkafspraken in het kader van het project MOT kan besluiten tot het geheel herzien van het recht op bijstand over de desbetreffende maanden ongeacht de hoogte van de ontvangen gelden. Het bestreden besluit ontbeert naar het oordeel van de rechtbank een voldoende feitelijke grondslag en daardoor een toereikende motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: WWB 06/3763-VERW

Uitspraak in het geding tussen

[Eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. A.T. Tilburg, advocaat te Spijkenisse,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 22 mei 2006 (hierna: het primaire besluit) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres herzien en teruggevorderd over de periodes van 3 december 2001 tot en met 31 december 2001, 1 maart 2002 tot en met 31 maart 2002, 1 maart 2003 tot en met 31 maart 2003, 1 juni 2003 tot en met 31 juli 2003, 1 december 2003 tot en met 29 februari 2004, 1 augustus 2004 tot en met 31 augustus 2004 en 1 oktober 2004 tot en met 31 oktober 2004. De te veel verstrekte bijstand heeft verweerder vastgesteld op € 11.464,25 (bruto).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 16 juni 2006 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 30 augustus 2006 heeft verweerder, onder wijziging dan wel aanvulling van de motivering, het primaire besluit gehandhaafd en de bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 14 september 2006 beroep ingesteld. Op 17 oktober 2007 is het beroep aangevuld.

Verweerder heeft bij brief van 5 oktober 2006 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2007. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.B. Prenger.

2 Overwegingen

In het jaaroverzicht 2005 en vooruitblik 2006 Melding Ongebruikelijk Transacties - te vinden op de website van het Ministerie van Justitie - wordt opgemerkt dat in 2004 de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond en het Bureau ter politiële ondersteuning van de landelijke officier van justitie inzake de Wet Melding Ongebruikelijk Transacties (hierna: BLOM) en het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties (hierna: MOT) een convenant hebben gesloten waarbij partijen zich vastleggen dat zij zich committeren aan een zo efficiënt mogelijke aanpak van verdachte transacties vanuit en naar de regio Rotterdam-Rijnmond. Dit als uitvloeisel van een onderzoek naar verdachte transacties, waaruit bleek dat ongeveer de helft van de verdachte geldstroom naar de Nederlandse Antillen een relatie had met het werkgebied van het korps Rotterdam- Rijnmond.

Per 1 januari 2006 zijn het BLOM en het Meldpunt geïntegreerd tot één organisatie. Op 4 januari 2006 is een nieuw convenant voor de periode van twee jaar getekend tussen het Financial Intelligence Unit Nederland (hierna: FIU-NL), de opvolger van het Meldpunt, en de Regionale Recherchedienst van het korps Rotterdam-Rijnmond. Een belangrijke noviteit ten opzichte van het oude convenant wordt genoemd dat partijen zich er niet alleen ertoe verbinden om verdachte transacties naar de Nederlandse Antillen aan te pakken, maar ook die naar de Dominicaanse Republiek.

Separaat is in Rotterdam een extra convenant gesloten tussen de politie, het OM en de korpsbeheerder om gegevensuitwisseling en samenwerking tussen de Sociale Dienst en de politie, onder het gezag van de zaaksofficier voor Hit and Run Money laundering (HARM)- zaken, mogelijk te maken. De Sociale Dienst stelt hierbij gegevens beschikbaar aan het korps Rotterdam, die deze gegevens verstrekt aan de FIU-NL voor een match met de aanwezige transacties (pagina 35 van voornoemd jaaroverzicht).

Naar aanleiding van een fraudesignaal betreffende eiseres heeft de Afdeling Bijzondere Onderzoeken van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid op 20 maart 2006 een onderzoek opgestart. Uit dit onderzoek is komen vast te staan dat eiseres 11 maal gelden heeft overgemaakt naar het buitenland voor een totaal bedrag van € 37.177,--. De transacties hebben plaatsgevonden op 3 december 2001, 1 maart 2002 (2x), 11 maart 2003, 5 juni 2003, 23 juli 2003, 11 december 2003, 13 december 2003, 16 februari 2004, 5 augustus 2004 en 20 oktober 2004.

Op 28 maart 2006 is eiseres als verdachte gehoord door de Regionale Recherche Dienst Rotterdam-Rijnmond. Eiseres heeft daarbij, voor zover thans van belang, verklaard dat zij geld heeft overgemaakt voor een kennis van haar. Voorts heeft zij verklaard dat zij hiervoor € 50,-- kreeg of boodschappen ter waarde van ongeveer € 70,--.

Vorenstaande informatie is begin mei 2006 ter kennis van verweerder gebracht, waarna hij het primaire besluit heeft genomen en ter zake van de maanden waarin de door eiseres verrichte transacties hebben plaatsgevonden het recht op bijstand van eiseres heeft herzien en de over die maanden ten onrechte uitbetaalde uitkeringen heeft teruggevorderd. Verweerder heeft hierbij overwogen dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en Wet Werk en Bijstand (WWB) heeft geschonden doordat zij de uit de verrichte transacties ontvangen inkomsten niet heeft opgegeven.

Onder overname van het advies van de algemene bezwaarschriftencommissie van de gemeente Rotterdam d.d. 22 augustus 2006 heeft verweerder bij het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres (onder meer) overwogen dat vast staat dat eiseres tegen betaling hand en spandiensten heeft verricht en daarvan geen melding heeft gemaakt. Verwezen wordt naar gemaakte werkafspraken in het kader van het project MOT, waaruit blijkt dat in het onderhavige geval waarbij sprake is van een katvanger, de uitkering wordt teruggevorderd over de maanden waarin de transacties plaatsvonden, ongeacht de hoogte van de voor deze transacties ontvangen gelden. Vervolgens wordt overwogen dat het recht op bijstand over de periodes waarin de transacties hebben plaatsgevonden niet is vast te stellen.

In beroep stelt eiseres zich op het standpunt dat het uit het strafrechtelijk onderzoek voortvloeiende bewijs in strijd met het discriminatieverbod is verkregen, waardoor dit bewijs niet mag worden meegenomen in onderhavige bestuursrechtelijke procedure. Daarnaast wijst eiseres er op dat vaststaat dat zij bij de transacties louter als zogeheten katvanger heeft gefungeerd en stelt zij dat zij nimmer gelden heeft ontvangen voor haar diensten, anders dan de in het kader van het strafrechtelijk onderzoek door haar gemelde vergoeding van boodschappen. Zij acht het onrechtvaardig dat zij voor het ontvangen van een tas met boodschappen de hele uitkering over de desbetreffende maanden moet terugbetalen.

Op 1 januari 2004 is een aantal bepalingen van de WWB in werking getreden. Uit het overgangsrecht dat is neergelegd in de Invoeringswet Werk en Bijstand en uit het bepaalde in het Besluit van 10 oktober 2003, Stb. 286, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de WWB en de eerdergenoemde Invoeringswet, volgt dat het onderhavige moet worden beoordeeld aan de hand van de WWB, met dien verstande dat in artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB voor “artikel 17, eerste lid,” wordt gelezen artikel 65, eerste lid, van de Abw. Laatstgenoemde bepaling, die gold ten tijde in geding, bevat een verplichting tot het verschaffen van inlichtingen die inhoudelijk overeenkomt met de inlichtingenplicht die is neergelegd in eerstgenoemde bepaling, welke geldt sinds 1 januari 2005 en derhalve ten tijde van verweerders besluitvorming.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Voorts zijn de volgende artikelen van de WWB van belang.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande

in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

Artikel 18, eerste lid, van de WWB bepaalt dat het college de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien:

a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm; en

b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, eerste volzin, van de WWB worden tot de middelen alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

Ingevolge artikel 54, derde lid, van de WWB - voor zover hier van belang - kan het college het besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken indien:

a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

b. anderszins de bijstand ten onrechte of tot een hoog bedrag is verleend.

Ingevolge artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

De rechtbank overweegt met betrekking tot de stelling van eiseres dat verweerder het als gevolg van het MOT-project verkregen bewijs niet mag gebruiken omdat hierbij sprake is van strijd met het verbod van discriminatie dan wel omdat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, het volgende. Overeenkomstig de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is het gebruik van beweerdelijk onrechtmatig verkregen bewijs slechts dan niet toegestaan, indien dit bewijs is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar dient te worden geacht. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Het MOT-project in de regio Rotterdam-Rijnmond had meerdere doelen, waaronder in eerste instantie een efficiënte aanpak van verdachte geldtransporten dan wel overboekingen naar de Nederlandse Antillen, maar ook het terugdringen van criminaliteit van en overlast door Antillianen in de regio Rotterdam-Rijnmond. Het ligt dan voor de hand dat hierbij met name personen die afkomstig zijn van de Antillen in het onderzoek worden betrokken. Niet geoordeeld kan worden dat deze doelen onrechtvaardig of niet gelegitimeerd zouden zijn. De rechtbank is derhalve van oordeel dat geen sprake is van een onrechtmatig verkregen bewijs dat, afgezet tegen het door de Centrale Raad van Beroep gegeven criterium, in deze procedure buiten beschouwing zou moeten worden gelaten.

De rechtbank stelt vast dat eiseres schending van de inlichtingenplicht kan worden verweten. Dit brengt in het algemeen met zich mee dat het aan eiseres is om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aan te tonen dan wel aannemelijk te maken dat als zij destijds wel aan haar plicht zou hebben voldaan, zij - nog steeds - recht op bijstand zou hebben gehad.

In het onderhavige geval is komen vast te staan dat eiseres als zogeheten katvanger heeft gefungeerd. Niet gesteld of gebleken is dat het geld dat eiseres heeft overgemaakt, geld was waarover zij kon beschikken dan wel dat aan haar toebehoorde. Eiseres is in de strafprocedure als verdachte gehoord, hetgeen (nog) niet heeft geleid tot een strafrechtelijke vervolging. In deze procedure heeft zij tegenover de opsporingsbeambte verklaard dat zij voor de geldtransporten per keer € 50,-- heeft ontvangen dan wel een tas met boodschappen ter waarde van ongeveer € 70,--.

Na de verkregen informatie uit het MOT-project heeft verweerder geen aanvullend onderzoek verricht. Niet gebleken is dat er aanwijzingen zijn dat eiseres meer heeft ontvangen dan hetgeen zij in het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft verklaard. De enige informatie waarover verweerder blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting heeft beschikt, bevat gegevens over de verrichte transacties (zoals datum, opdrachtgever en begunstigde) en de verklaring van eiseres, waarin zij heeft verklaard over de toedracht rond de transacties en de door haar ontvangen vergoedingen.

Hoewel de door eiseres verrichte werkzaamheden in het maatschappelijk verkeer op een economische waarde kunnen worden bepaald, kan niet worden vastgesteld dat sprake is van werkzaamheden die naar hun aard en/of naar de frequentie waarmee ze zijn verricht zonder meer aannemelijk maken dat eiseres met de daarmee ontvangen vergoedingen in de maanden waarin zij de desbetreffende handelingen heeft verricht in haar levensonderhoud heeft kunnen voorzien. Ook dit is - bijvoorbeeld met behulp van aanvullend onderzoek - niet aannemelijk gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank gaat het onder deze omstandigheden te ver als verweerder van eiseres verlangt een boekhouding of administratie te overleggen, waaruit blijkt dat zij niet meer heeft ontvangen dat een bedrag van € 50,-- of een tas met boodschappen ter waarde van (ongeveer) dit bedrag. Hierbij kan de rechtbank ook niet inzien waarom een dergelijke administratie van eiseres iets zou toevoegen aan de door eiseres in het kader van het strafrechtelijk onderzoek afgelegde verklaring, nu er geen aanwijzingen zijn dat eiseres meer of andere vergoedingen heeft ontvangen. Ook in het geval dat eiseres de door haar ontvangen vergoedingen direct bij verweerder zou hebben gemeld, is niet aannemelijk dat verweerder meer informatie zou hebben ontvangen dan de informatie zoals is neergelegd in de opgenomen verklaring van eiseres.

Gelet op het vorenstaande gaat verweerder naar het oordeel van de rechtbank te ver in zijn gevolgtrekkingen door te stellen dat door schending van de inlichtingenplicht in de desbetreffende maanden waarin een overboeking heeft plaatsgevonden het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De thans voorhanden zijnde informatie leidt niet tot die conclusie. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet zonder meer enkel op basis van werkafspraken in het kader van het project MOT kan besluiten tot het geheel herzien van het recht op bijstand over de desbetreffende maanden ongeacht de hoogte van de ontvangen gelden. Het bestreden besluit ontbeert naar het oordeel van de rechtbank een voldoende feitelijke grondslag en daardoor een toereikende motivering. Nu het bestreden besluit voor zover het betrekking heeft op de gehele herziening van het recht op uitkering over de desbetreffende maanden niet kan worden gehandhaafd, komt eveneens de grondslag aan het besluit tot terugvordering te ontvallen. De rechtbank overweegt meer ten overvloede dat niet wordt ontkend dat de schending van de inlichtingenplicht bij een nieuw besluit van verweerder kan leiden tot terugvordering van (mogelijk) ten dele ten onrechte ontvangen bijstand alsmede tot het opleggen van een maatregel.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit wegens strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep dient gegrond te worden verklaard. Verweerder dient een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Onder deze omstandigheden is er aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs in verband met de behandeling van haar beroep heeft moeten maken. Deze kosten zijn onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,--. Nu aan eiseres een toevoeging is verleend, zal worden bepaald dat deze kosten rechtstreeks aan de griffier dienen te worden betaald.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit,

veroordeelt verweerder in de kosten van eiseres in deze procedure ten bedrage van € 644,-- en wijst de gemeente Rotterdam aan als de rechtspersoon die deze kosten dient te betalen en bepaalt dat, nu aan eiseres een toevoeging is verleend, de betaling dient te geschieden rechtstreeks aan de griffier (rekeningnummer 19 23 25 892),

bepaalt dat de gemeente Rotterdam het door eiseres betaalde griffierecht ad € 38,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Verweij.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. A.Th.A.M. Schouw als griffier, in het openbaar uitgesproken op 19 april 2007.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.