Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA3911

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
26-04-2007
Zaaknummer
227735 / HA ZA 04-3146
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis in geschil over aansluittarieven en basistarieven voor kabelabonnement radio/tv. Gebod tot onderhandelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 227735 / HA ZA 04-3146

Uitspraak: 21 februari 2007

VONNIS van de meervoudige kamer in de zaak van:

de publiekrechtelijke rechtspersonen:

1. Gemeente Spijkenisse, zetelend te Spijkenisse,

2. Gemeente Bernisse, zetelend te Bernisse,

3. Gemeente Brielle, zetelend te Brielle,

4. Gemeente Hellevoetsluis, zetelend te Hellevoetsluis,

5. Gemeente Ridderkerk, zetelend te Ridderkerk,

6. Gemeente Rozenburg, zetelend te Rozenburg,

7. Gemeente Westvoorne, zetelend te Westvoorne,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

hierna gezamenlijk ook te noemen: “de gemeenten”,

procureur: mr. W.J. Hengeveld,

advocaten: mrs. J.F.A. Doeleman en M.F.J. Haak ( te Amsterdam),

- tegen -

1. de besloten vennootschap UPC Kabel TV & Telecom BV, gevestigd te Rotterdam,

hierna ook te noemen: “UPC”,

2. de besloten vennootschap UPC Nederland BV,

gevestigd te Amsterdam,

hierna ook te noemen: “UPC Nederland”,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie,

procureur: mr. R.B. Gerretsen,

advocaat: mr. Q.R. Kroes (te Amsterdam).

1. Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het vonnis van 10 mei 2006 en de daarin genoemde stukken;

- de conclusie na tussenvonnis in conventie, van de gemeenten, met de producties 66a tot en met 66g;

- de conclusie na tussenvonnis in reconventie, van UPC, houdende vermeerdering van eis in reconventie, met de producties 36 tot en met 51;

- de antwoordconclusie in conventie, van UPC, met productie 35;

- de antwoordconclusie in reconventie, van de gemeenten, met productie 67.

2. De vermeerdering van eis in reconventie

UPC heeft haar eis vermeerderd, in die zin dat aan de reconventionele vordering onder 7 (zie tussenvonnis van 10 mei 2006, pagina 4) wordt toegevoegd de vordering de gemeenten hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het bedrag dat het verschil is tussen het tarief dat UPC conform haar landelijk geharmoniseerde tarief per 1 januari 2006 (van € 15,83 inclusief BTW) in rekening zou hebben gebracht aan de abonnees in de gemeenten en de tarieven die UPC werkelijk in rekening heeft gebracht sinds 1 januari 2006 aan voormelde abonnees.

De gemeenten hebben hiertegen inhoudelijk verweer gevoerd.

3. De verdere beoordeling, in conventie en in reconventie:

3.1 Bij voormeld vonnis van 10 mei 2006 is over een deel van de vorderingen een beslissing genomen. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich omtrent een aantal punten nader uit te laten, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt. Thans dient nog te worden beslist op de hierna te noemen vorderingen (genummerd zoals in het vonnis van 10 mei 2006 onder “2. Het geschil”).

A. Vordering 1b en 2b in conventie (aansluitingskosten).

In overweging 3.9.1 is beslist is dat de gemeenten in een later stadium van de procedure zullen worden toegelaten tot bewijsvoering ten aanzien van de stellingen:

- dat partijen destijds met artikel 5.4 hebben beoogd te regelen dat uitsluitend aansluitingskosten in rekening kunnen worden gebracht indien UPC daarvoor daadwerkelijk een kabel moet aanleggen;

- dat het de bedoeling van partijen was dat géén andere dan deze kosten zouden worden doorberekend;

- dat is overeengekomen dat de status quo voor wat betreft het in rekening brengen van kosten zou worden bevroren;

- dat in de vóór de overname door de gemeenten gehanteerde tarieven verhuiskosten, heractiveringskosten, administratiekosten en dergelijke waren begrepen.

In overweging 3.9.2 is beslist dat partijen in de gelegenheid worden gesteld bij conclusies na tussenvonnis aan de hand van de reeds in het geding gebrachte en mogelijk nog in het geding te brengen correspondentie hun standpunten nader uiteen te zetten over het verweer van UPC dat de afspraken over aanlegkosten en heraansluitingskosten zijn gewijzigd ten opzichte van artikel 5.4 van de exploitatieovereenkomsten. Voorts zijn partijen verzocht zich bij die gelegenheid nader uit te laten over het beroep op verjaring, het beroep op rechtsverwerking en het subsidiaire verzoek tot een ex nunc-herleving van de door de gemeenten voorgestane werking van artikel 5.4.

B. Vorderingen 3 en 5 in conventie (dwangsom) en 4 in conventie (UPC Nederland).

In overweging 3.10.2 is beslist dat voor zover de vorderingen ter zake van een dwangsom betrekking hebben op de vorderingen onder 1b en 2b, de verdere beslissing wordt aangehouden. Ook op de vordering onder 4, de veroordeling van UPC Nederland, voor zover betrekking hebbend op de vorderingen onder 2b, is nog niet beslist.

C. Vorderingen 7, 8 en 9 in conventie (accountantscontrole).

In overweging 3.11 is beslist dat de gemeenten in de gelegenheid worden gesteld zich bij conclusie na tussenvonnis over de gevorderde accountantscontrole nader uit te laten.

D. Vordering 7 in reconventie (de periode vanaf 1 januari 2006).

In overweging 3.12 is beslist dat UPC in de gelegenheid wordt gesteld zich nader uit te laten over hetgeen partijen destijds met artikel 5.1 van de exploitatieovereenkomst hebben beoogd, zulks - zo mogelijk - aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waar nodig voorzien van een concreet bewijsaanbod.

E. Vordering onder 8 in reconventie (gebod tot onderhandelen).

In overweging 3.13 is beslist dat partijen in gelegenheid worden gesteld zich nader uit te laten bij conclusies na tussenvonnis over de vordering onder 8 in reconventie, ziende op de jaren 2006 en volgende.

F. Vorderingen 6 in conventie en 9 in reconventie (proceskosten en hoofdelijkheid).

In overweging 3.15 is beslist dat de beslissing over de proceskosten zal worden aangehouden tot het eindvonnis, met inbegrip van de over en weer gevorderde hoofdelijkheid ter zake van de proceskostenveroordeling.

3.2 Ad A: Aansluitingskosten.

3.2.1 UPC heeft het verweer gevoerd dat de afspraken over aanlegkosten en aansluitings-kosten zijn gewijzigd ten opzichte van artikel 5.4 van de exploitatieovereenkomsten, althans dat sprake is van rechtsverwerking c.q. van de situatie dat een beroep op artikel 5.4 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ter onderbouwing heeft UPC zich eerst alleen op een brief van 20 november 2000 beroepen, later op diverse brieven (met tarievenlijsten) van UPC aan de verschillende gemeenten (producties 28 tot en met 34).

De gemeenten hebben de ontvangst van de brief van 20 november 2000 betwist. Voor wat betreft de als producties 28 tot en met 34 door UPC overgelegde (overige) correspondentie hebben de gemeenten de ontvangst en inhoud daarvan niet, althans onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd, betwist. Bij pleidooi (onder 6.6 en 6.7) hebben de gemeenten er wel op gewezen dat niet alle brieven zijn achterhaald in hun archieven en dat “eventuele reacties” van de gemeenten niet door UPC zijn overgelegd, maar dit is onvoldoende als betwisting van de ontvangst van genoemde correspondentie. Verder laten de gemeenten na genoemde (eventuele) reacties vervolgens zelf in het geding te brengen, hetgeen wel op hun weg had gelegen. De enkele stelling van de gemeenten dat de gemeente Westvoorne in november 1999 bezwaar heeft gemaakt ter zake van aangekondigde tarieven voor heraansluiting, is ontoereikend, zulks gelet op de omvang van de door UPC overgelegde correspondentie, die ziet op alle gemeenten en op (tenminste) een viertal jaren, met name de jaren ná november 1999.

Bij conclusie na tussenvonnis zijn de gemeenten niet meer concreet ingegaan op deze correspondentie. Zij hebben hun standpunt gehandhaafd dat enkel stilzitten geen rechtsverwerking tot gevolg kan hebben en dat geen sprake is van een actieve verklaring of gedraging van gemeentezijde waardoor bij UPC het vertrouwen kan zijn gewekt dat de gemeenten hun aanspraken niet meer geldend zouden maken.

Gelet op voorgaande overwegingen dient in rechte er van uit te worden gegaan dat alle gemeenten de tarievenlijsten met begeleidende brieven hebben ontvangen voor de jaren 2000, 2001 en 2002 en een aantal gemeenten ook voor de daaraan voorafgegane jaren, alsmede dat geen sprake is geweest van een protest daartegen zijdens de gemeenten. De tarievenlijsten bevatten afzonderlijke tarieven voor abonnementsprijzen, aansluitkosten, administratiekosten, heraansluitkosten, arbeidsloon en voorrijkosten.

Voorts is onbetwist gebleven de stelling van UPC dat zij het - van artikel 5.4 afwijkende - prijsbeleid voor aanleg- en aansluitingskosten al jaren toepast en aan klanten kenbaar heeft gemaakt.

In deze omstandigheden had van de gemeenten een actieve houding mogen worden verwacht indien zij het niet eens zouden zijn geweest met de toepassing van de tarieven die zijn vermeld op de jaarlijks ontvangen tarievenlijsten. Met name gelet op de rechtsrelatie tussen partijen, op basis waarvan de gemeenten een controlerende rol is toegekend, en gelet op het herhaalde karakter van de tariefmededelingen zijdens UPC, is geen sprake van loutere passiviteit waaraan geen rechtsgevolgen zouden mogen worden verbonden.

Dit correspondeert met artikel 6:89 BW, dat bij een gebrek in de prestatie vereist - op straffe van verval van rechten - dat hierop een beroep moet zijn gedaan binnen bekwame tijd nadat het gebrek is ontdekt of redelijkerwijs ontdekt had kunnen zijn. Nu de gemeenten een aantal jaren achter elkaar niet hebben geprotesteerd, zou het naar het oordeel van de rechtbank, met het oog op het financiële belang van UPC, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn indien de gemeenten alsnog toepassing zouden kunnen verlangen van de oorspronkelijk (gestelde) afspraken over bijkomende kosten. De rechtbank honoreert derhalve het verweer van UPC dat de gemeenten geen beroep (meer) toekomt op de oorspronkelijke afspraken, zoals voortvloeiend uit artikel 5.4.

Hieruit volgt dat de vorderingen onder 1b en 2b niet toewijsbaar zijn. Nu hierdoor het belang is komen te ontvallen bij bewijsvoering omtrent de inhoud en reikwijdte van artikel 5.4 van de exploitatieovereenkomsten, zullen de gemeenten daartoe niet meer worden toegelaten.

3.3 Ad B: Dwangsom en UPC Nederland.

Uit het voorgaande volgt voorts dat de vorderingen 3, 4 en 5 in conventie, voor zover betrekking hebbend op de vorderingen 1b en/of 2b, dienen te worden afgewezen.

3.4 Ad C: Accountantscontrole.

Op basis van voorgaande overwegingen dienen ook de vorderingen 7, 8 en 9 in conventie, die betrekking hebben op vordering 2b, te worden afgewezen.

3.5 Ad D: De periode vanaf 1 januari 2006.

3.5.1 In vervolg op hetgeen in het tussenvonnis van 10 mei 2006 onder 3.12 is overwogen, dient thans met inachtneming van hetgeen partijen hierover hebben aangevoerd de gewijzigde vordering (vordering 7 in reconventie, aangevuld als hiervoor onder 2 aangegeven) te worden beoordeeld.

Centraal staat de vraag wat partijen zijn overeengekomen ten aanzien van de tarieven die UPC volgens de exploitatieovereenkomsten - in het bijzonder de artikelen 5.1 daarvan - vanaf 1 januari 2006 in rekening mag brengen bij haar abonnees.

In het tussenvonnis van 10 mei 2006 is uitgegaan van de navolgende tekst van artikel 5.1:

“5.1 Het Basistarief voor het aanbod van het Basispakket bedraagt in 1995 f 186,97 (inclusief BTW) per aansluiting. Het Basistarief mag in de periode tot en met 31 december 2005 jaarlijks met maximaal 2.5% worden verhoogd. Na afloop van deze termijn mogen tariefverhogingen slechts worden doorgevoerd, indien de kostenontwikkeling dat noodzakelijk maakt.

Eventueel noodzakelijke tariefverhogingen mogen nooit hoger zijn dan de tariefverhoging, die volgt uit het hanteren van een bestendige gedragslijn ten aanzien van de tariefontwikkeling.”

In genoemd tussenvonnis is onder 3.12 weergegeven welke betekenis partijen aan deze bepaling toekennen, te weten:

UPC: dat een tariefsverhoging per 1 januari 2006 mag worden doorgevoerd mits:

(a) die nodig is om een stijging van kosten goed te maken, waarbij geen beperking geldt ten aanzien van het soort kosten; en

(b) die aansluit bij (en niet verder gaat dan) wat UPC of andere kabelaars elders plegen te berekenen (“benchmarking”).

De gemeenten stellen dat bij de uitleg en toepassing van deze bepaling:

(a) uitsluitend kosten die ná 31 december 2005 zijn gemaakt een rol kunnen spelen, alsmede

(b) dient te worden uitgegaan van de fictie dat het coaxkabelnet, zoals dat in 1996 bestond, nog zou bestaan.

3.5.2 UPC heeft (bij conclusie na tussenvonnis in reconventie) hieromtrent in de eerste plaats nader aangevoerd dat vanaf 1 januari 2006 geen sprake meer is van enige verplichting om tariefsverhogingen vooraf te laten toetsen of goedkeuren door de gemeenten, zodat die daarmee geen inhoudelijke bemoeienis meer hebben.

Voor zover UPC heeft willen betogen dat aan het ontbreken van een voorafgaande toetsing (vanaf 1 januari 2006) de betekenis toekomt dat het haar vrijstaat zelf de tarieven te bepalen zonder bemoeienis van de gemeenten, miskent zij dat de gelding van contractuele verplichtingen ten aanzien van de tariefstelling niet afhankelijk is van voorafgaande toetsing. Voorts is gesteld noch gebleken dat de gemeenten vanaf 1 januari 2006 geen recht of belang meer hebben zich op de tariefbepalingen - te duiden als derdenbeding - te beroepen.

3.5.3 De rechtbank neemt dan ook aan dat UPC heeft willen onderstrepen dat ten opzichte van de periode van 1996 tot 2006 vanaf 1 januari 2006 een minder beperkend tariefregime is gaan gelden, zonder actieve bemoeienis van de gemeenten. Daarbij heeft UPC, onder verwijzing naar met name een aantal vergaderverslagen, er op gewezen dat destijds voor de gemeenten maximalisering van de opbrengst van het kabelnet een uitdrukkelijke doelstelling was en dat zij zich ervan bewust zijn geweest dat zij daarvoor (uiteindelijk) de controle zouden moeten opgeven. Voorts wilden de gemeenten ook rekening houden met het inwonersbelang bij zo laag mogelijke prijzen, waaraan de gemeenten invulling hebben gegeven door een tienjarige bevriezing van de prijzen, aldus UPC. Voorts stelt UPC dat niet blijkt dat bij de gemeenten de verwachting bestond dat hun inwoners ook na die tien jaar nog enige bescherming van betekenis zouden kunnen ontlenen aan de tariefafspraken.

Volgens UPC is de tariefontwikkeling in de periode vanaf 2006 tussen partijen nooit uitvoerig besproken en is over het desbetreffend tariefregime ook niet of nauwelijks onderhandeld, hetgeen past bij haar visie dat de gemeenten er niet van uitgingen dat zij na 2005 nog bemoeienis met de tariefontwikkeling zouden hebben. Anders zou zij hierover zeker hebben onderhandeld en zou bij ook na 2005 blijvende strenge tariefbeperkingen de verkoopprijs van het kabelnet lager zijn geweest, aldus UPC.

Concreet heeft UPC er nog op gewezen dat haar interpretatie van “bestendige gedragslijn” steun vindt in een toelichting van een wethouder van de gemeente Spijkenisse (productie 42) en dat haar interpretatie van de zinsnede “indien de kostenontwikkeling dat noodzakelijk maakt” steun vindt in een toelichting van het college van B&W van de gemeente Ridderkerk (productie 43). Volgens UPC is destijds niet gesproken over een fictief voortbestaan van het coaxkabelnet, daarbij verwijzend naar een verklaring van de toenmalige advocaat van Eneco (productie 51).

De gemeenten hebben in reactie hierop aangevoerd dat zij bij het aangaan van de exploitatieovereenkomsten hebben beoogd te voorkomen dat de abonnees vanaf 1 januari 2006 met onredelijke tariefstijgingen zouden worden geconfronteerd. Hieraan koppelen de gemeenten de conclusie dat UPC alleen stijgingen van kosten die zich vanaf 1 januari 2006 zouden voordoen voor zover het betreft het analoge pakket, zou mogen doorberekenen en dat het niet de bedoeling was dat na de eerste periode van tien jaar alsnog de restricties van vóór 2006 ongedaan zouden worden gemaakt. De gemeenten beroepen zich op een verklaring van hun toenmalige advocaat (productie 67), waarin wordt gesproken van de bedoeling een tariefsprong te voorkomen, welke tariefsprong zou ontstaan als per 1 januari 2006 alsnog de daarvóór gedane investeringen voor nieuwe diensten zouden kunnen worden doorberekend. De gemeenten stellen dat in de onderhandelingen altijd uitgangspunt was dat de abonnee op het analoge pakket niet voor upgrading ten behoeve van nieuwe diensten zou betalen, ook niet vanaf 2006.

Met “een bestendige gedragslijn ten aanzien van de tariefontwikkeling” werd bedoeld dat vanaf 2006 ten hoogste de alsdan in de branche gebruikelijke verhogingspercentages van tarieven zouden mogen worden toegepast op het tarief zoals dat in 2005 gold, aldus de gemeenten, die benadrukken dat niet de tarieven zelf maar de verhogingen daarvan aan de landelijke trend zijn gebonden.

Ter staving van haar stellingen beroepen de gemeenten zich op een aantal verklaringen van destijds bij de totstandkoming van de exploitatieovereenkomsten betrokken medewerkers (producties 66a tot en met 66g).

3.5.4 Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de stellingen van partijen, gebaseerd op de diverse overgelegde verklaringen, niet worden afgeleid dat de betekenis en reikwijdte van artikel 5.1 onderwerp van bespreking is geweest tussen partijen. UPC heeft dit laatste ook expliciet gesteld en de gemeenten hebben dit niet, althans onvoldoende gemotiveerd, bestreden (vergelijk antwoordconclusie na tussenvonnis onder 1.5). Beide partijen bepleiten de door hen aan artikel 5.1 toegekende betekenis aan de hand van bedoelingen en veronderstellingen, zonder evenwel voldoende concreet te stellen en te onderbouwen dat deze bedoelingen op zodanige wijze aan de ander kenbaar zijn gemaakt dat zij zijn aan te merken als verklaringen of gedragingen waaraan die andere partij redelijkerwijs die betekenis had moeten toekennen. In deze situatie bestaat geen aanleiding partijen tot nadere bewijsvoering toe te laten. Bezien zal moeten worden welke rechtsgevolgen in de omstandigheden van het geval naar redelijkheid aan artikel 5.1 moeten worden verbonden.

3.5.5 Uit de tekst van artikel 5.1 volgt - slechts - dat tariefsverhogingen (vanaf 2006) noodzakelijk moeten zijn vanwege de kostenontwikkeling en moeten passen in een bestendige gedragslijn ten aanzien van de tariefontwikkeling. De interpretatie van UPC dat vanaf 2006 het tarief mag worden vastgesteld op het bedrag dat UPC of andere kabelexploitanten elders plegen te berekenen, valt hiermee niet te rijmen.

In een redelijke interpretatie duiden de bewoordingen “een bestendige gedragslijn” op een duurzame trend ten aanzien van de in de onderhavige gemeente toegepaste tariefsverhogingen in de aan 2006 voorafgegane jaren. Een redelijke uitwerking hiervan zou in beginsel met zich brengen dat aan de hand van de tariefsverhogingen in een aantal jaren vóór 2006 een maximaal toelaatbaar stijgingspercentage wordt bepaald voor het tarief van 2006 ten opzichte van het tarief van 2005. Voor 2007 zou het aldus bepaalde tarief van 2006 meegewogen dienen te worden bij de bepaling van het maximaal toelaatbare stijgingspercentage. Hetzelfde zou m.m. hebben te gelden voor de daarop volgende jaren.

Deze interpretatie zou er evenwel toe leiden dat UPC tot in lengte van jaren gebonden zou zijn aan een maximale tariefsverhoging van (circa) 2,5%. Dit percentage is immers (globaal en behoudens toepassingen van artikel 5.3 van de exploitatieovereenkomsten) het maximaal toelaatbare verhogingspercentage geweest in de periode van 1996 tot 2006. Dit blijkt ook concreet uit vergelijking van de toegepaste tarieven voor 1995 (zoals opgenomen in de artikelen 5.1 van de exploitatieovereenkomsten) en het tarief zoals dat bij indexering van het tarief van 2003 per 1 januari 2004 zou zijn gaan gelden (zie productie 3 bij dagvaarding; productie 27 van UPC; en producties 55 en 63 van de gemeenten). Zo was het tarief in de gemeente Spijkenisse in 1995 (omgerekend naar euro’s per maand) € 7,07 en bij bedoelde indexering per 1 januari 2004 € 8,94.

Naar het oordeel van de rechtbank past genoemde consequentie niet bij een redelijke toepassing van artikel 5.1. Niet in discussie is immers dat de radio- en televisieontvangst van “analoge abonnees” inmiddels ook plaatsvindt via het door UPC grotendeels door middel van glasvezelkabels “verglaasd” en gedigitaliseerd netwerk. Het gescheiden aanbod van een analoog pakket en een digitaal pakket impliceert niet een gescheiden infrastructuur, noch een gescheiden kostenstructuur.

Het is niet redelijk dat de kosten van het verglaasde netwerk en andere kosten ter zake van het kabelbedrijf (zoals de gestelde kosten van verbetering van de dienstverlening; vergelijk conclusie van antwoord onder 70), ook voor zover de kosten zijn gemaakt vóór 2006, tot in lengte van jaren uitsluitend aan de “digitale abonnees” doorberekend zouden mogen worden. Aangenomen moet worden dat deze investeringen door kwaliteitsverbetering mede ten goede komen aan de “analoge abonnees”, alsmede dat investeringen in de verbetering of vervanging van het oorspronkelijke coaxkabelnet toch op enig moment uit technisch oogpunt nodig zouden zijn geweest. De voor de “nieuwe diensten” (zoals uitgewerkt in de exploitatieovereenkomsten) noodzakelijke digitalisering van het netwerk heeft weliswaar eerder plaatsgevonden dan voor de “analoge abonnees” nodig was, maar het is redelijk dat deze na een aantal jaren door een verdergaande tariefontwikkeling gaan bijdragen aan de kosten van het totale kabelnet. De rechtbank volgt derhalve niet de door de gemeenten aan artikel 5.1 van de exploitatieovereenkomsten gegeven beperkende interpretatie.

3.5.6 Voorshands oordeelt de rechtbank dat het een redelijke toepassing van artikel 5.1 zou zijn indien de tarieven vanaf 1 januari 2006 in een periode van vijf jaren door jaarlijkse tariefsverhogingen zo gelijkmatig mogelijk zouden groeien tot het tarief dat UPC dan landelijk hanteert voor het basispakket. Passend binnen de contractuele begrenzingen van artikel 5.1 wordt aldus voldoende recht gedaan aan de bedrijfsmatige belangen van UPC en worden al te grote tariefsprongen voorkomen.

3.5.7 Uit het voorgaande volgt dat de door UPC gevorderde verklaring voor recht dat het haar vanaf 1 januari 2006 (in beginsel) vrijstaat een door haarzelf bepaald tarief in rekening te brengen, niet toewijsbaar is.

3.6 Ad E: Gebod tot onderhandelen.

Gelet op voorgaande overwegingen is sprake van een leemte in de regeling van de rechtsverhouding tussen partijen, waarbij op basis van een redelijke toepassing van artikel 5.1 de (maximale) tariefsverhogingen nader moeten worden ingevuld. In deze situatie acht de rechtbank, op grond van de redelijkheid die contractspartijen jegens elkaar in acht moeten nemen, partijen gehouden hierover in onderhandeling te treden. De vordering onder 8 in reconventie is derhalve in zoverre toewijsbaar. Naar het oordeel van de rechtbank valt de in het dictum te formuleren veroordeling tot onderhandelen onder de reikwijdte van de vordering onder 8 in reconventie.

Een nadere invulling van deze gehoudenheid tot onderhandelen, met name ter zake van de gevraagde mogelijkheid van aanwijzing van een onzijdige persoon en oplegging van een dwangsom, acht de rechtbank niet zinvol, mede gelet op het reeds lopende hoger beroep tegen het tussenvonnis van 10 mei 2006 voor zover dit een eindvonnis is, alsmede gelet op de mogelijkheid thans van dit vonnis hoger beroep in te stellen. Wel zal het gebod tot onderhandelen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

3.7 Ad F: Proceskosten en hoofdelijkheid.

In de omstandigheid dat partijen over en weer op essentiële onderdelen in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld, wordt aanleiding gezien de proceskosten aldus te compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. De verdere beslissing:

in reconventie:

gebiedt de gemeenten om gedurende een periode van twee maanden na het wijzen van dit vonnis te goeder trouw te onderhandelen met UPC over de tariefsverhogingen vanaf 1 januari 2006;

verklaart dit gebod uitvoerbaar bij voorraad;

in conventie en in reconventie:

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans, mr. M. Fiege en mr. J.A. Dullaart.

Uitgesproken in het openbaar.

[1694/204/1727]