Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA3538

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-04-2007
Datum publicatie
23-04-2007
Zaaknummer
MEDED 06/1220 VRLK
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het door het CBb in zijn uitspraak van 27 september 2002 (LJN: AE8688) weergegeven toetsingskader bij vergunningverlening/-weigering voor de concentratie is naar het oordeel van de rechtbank evenzeer relevant bij de daaraan voorafgaande vraag, te weten of er voor het tot stand brengen van de betreffende concentratie een vergunning is vereist. Het bestreden besluit is door de rechtbank dan ook op die wijze getoetst.

Verweerder heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit voor een groot deel gebaseerd op de overwegingen van de Europese Commissie in haar beschikking in de zaak Sovion/HMG. De Europese Commissie heeft daarbij weliswaar een andere concentratie, maar wel in dezelfde markt beoordeeld. De argumenten die eiseressen in de onderhavige zaak hebben aangevoerd komen overeen met de argumenten die zij bij de Europese Commissie in de zaak Sovion/HMG hebben aangevoerd. Verweerder mag, mede gelet hierop, naar het oordeel van de rechtbank voor de vaststelling van de geografische markt in beginsel uitgaan van de geografische markt zoals deze door de Europese Commissie is vastgesteld, tenzij uit het eigen onderzoek dat verweerder heeft uitgevoerd door middel van gesprekken met marktpartijen, zoals varkenshouders en –handelaren en slachterijen, en gesprekken met en gegevens van derden, zoals onderzoeksinstituten en beleidsorganen, dan wel uit de aangevoerde argumenten van eiseressen zou blijken dat er redenen zijn om daarvan af te wijken. Dat eiseressen tegen de beschikking van de Europese Commissie een procedure tot vernietiging bij het Gerecht van Eerste Aanleg aanhangig hebben gemaakt maakt dit niet anders.

De rechtbank stelt vast dat het eigen onderzoek van verweerder de bevindingen van de Europese Commissie bevestigt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het onderhavige geval voldoende gemotiveerd waarom er is gekozen voor de vaststelling van een geografische markt die ruimer is dan Nederland, hetgeen ook bezien in het licht van de door VION geschetste ontwikkeling gaande naar een internationalisering van de markt, in de rede ligt.

Eiseressen hebben aangevoerd dat het bestreden besluit afwijkt van het “bestaande beleid”. Van de zijde van verweerder is gesteld dat het gaat om één eerder besluit, te weten in de zaak Dumeco/Sturkomeat. De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsregel verweerder verbiedt om de door de Europese Commissie gehanteerde werkwijze te volgen, ook al wijkt deze werkwijze in enige mate af van de eerdere werkwijze in de zaak Dumeco/Sturkomeat. Eiseressen hebben ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de eerdere werkwijze, toegepast op onderhavige concentratie, tot een ander eindoordeel van verweerder zou hebben geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: MEDED 06/1220 VRLK

Uitspraak in het geding tussen

Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV), gevestigd te Lunteren, en de Nederlandse Bond van Handelaren in Vee (NBHV), gevestigd te ’s-Gravenhage, eiseressen,

gemachtigden mr. J. Kneppelhout en mr. M. de Putter, advocaten te Rotterdam,

en

de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit (NMa), verweerder,

gemachtigde mr. B.J. Drijber, advocaat te ’s-Gravenhage.

Met als derde partij

VION Services Boxtel B.V., gevestigd te Boxtel,

gemachtigden mr. J.K. de Pree en mr. W.W. Geursen, advocaten te ’s-Gravenhage.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 8 december 2005 heeft verweerder een melding ontvangen van een voorgenomen concentratie in de zin van artikel 34 van de Mededingingswet (Mw). Hierin is medegedeeld dat Dumeco B.V. voornemens is zeggenschap te verkrijgen, in de zin van artikel 27, aanhef en eronder b, van de Mw, over Slachthuis Groenlo Beheer B.V.

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft verweerder medegedeeld dat voor het tot stand brengen van de concentratie waarop de melding betrekking heeft geen vergunning is vereist.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben eiseressen bij brief van 21 maart 2006 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 24 mei 2006 de stukken ingediend. Ten aanzien van (gedeelten van) die stukken heeft verweerder op grond van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank medegedeeld dat uitsluitend zij daarvan kennis zal mogen nemen en heeft verweerder de rechtbank verzocht met toepassing van artikel 8:29, derde lid, van de Awb te beslissen dat de beperkte kennisneming gerechtvaardigd is. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank een rechter-commissaris benoemd.

Verweerder heeft bij brief van 6 september 2006 een verweerschrift ingediend.

Bij beslissing van 1 november 2006, verzonden op 2 november 2006, heeft de rechter-commissaris de beperking van de kennisneming van (gedeelten van) de door verweerder overgelegde stukken gerechtvaardigd geacht.

Bij brief van 7 november 2006 heeft de gemachtigde van de derde partij de toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend. Bij brief van 16 november 2006 heeft de gemachtigde van eiseressen aangegeven dat geen toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb wordt verleend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 januari 2007. Aanwezig waren de gemachtigden van eiseressen, bijgestaan door P. Thijsse, voorzitter van de NBHV, en J. Zegers, secretaris van de NBHV, alsmede door W. Zwanenburg, voorzitter van de NVV en J. Geurts, secretaris van de NVV. Tevens is verschenen de door eiseressen meegebrachte deskundige P. Bens. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door mr. J. Hoekstra en drs. I.S. Nobel, werkzaam bij de directie Concentratiecontrole van de NMa. Voor de derde partij zijn verschenen haar gemachtigden, bijgestaan door P.J.C.A. van Balkom, directeur Inkoop Varkens bij Vion Services Boxtel B.V.

2 Overwegingen

De melding van de voorgenomen concentratie ziet op het voornemen van Dumeco B.V. zeggenschap te verkrijgen over Slachthuis Groenlo Beheer B.V., in de zin van artikel 27, aanhef en onder b, van de Mw, door de aankoop van alle aandelen in Slachthuis Groenlo en alle activa van de Dutch Bacon Company B.V.

2.1. Betrokken fusiepartijen

Dumeco B.V. (thans Vion Services Boxtel B.V.) is een besloten vennootschap naar Nederlands recht en is een groepsmaatschappij van Sovion N.V. Sovion N.V. staat aan het hoofd van een groep vennootschappen die actief zijn in het slachten van varkens, zeugen en runderen, het verwerken en het verkopen van vlees (door Vion B.V. en haar dochtervennootschappen, waaronder Dumeco B.V.) en het verwerken van slachtbijprodukten (door Sobel N.V. en haar dochtervennootschappen).

Alle aandelen van Sovion N.V. zijn in eigendom van de vereniging Noordbrabantse Christelijke Boerenbond, RK Vereniging van Boeren en Tuinders-Ontwikkeling (NCB). Leden van NCB zijn de regionale afdelingen van de vereniging Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie (ZLTO). Leden van de regionale afdelingen zijn boeren en tuinders in Noord-Brabant, Zeeland en Zuid Gelderland. Per 1 juli 2006 heeft Sovion N.V. haar naam gewijzigd in VION Services Boxtel B.V. en zijn de subholdings Sobel N.V. en VION B.V. met de holding geïntegreerd.

Slachthuis Groenlo Beheer B.V. is een besloten vennootschap naar Nederlands recht. Zij is de houdstervennootschap van Slachthuis Groenlo B.V. Slachthuis Groenlo B.V. is op haar beurt houdstervennootschap van Vee- en Vleeshandel Garant B.V. die geen activiteiten verricht en EuroMeat Groenlo B.V. Deze laatste vennootschap is actief in het slachten van levende varkens en zeugen en het verkopen van vers vlees. Dutch Bacon Company B.V. is een besloten vennootschap naar Nederlands recht die sinds februari 2005 actief is op het gebied van het verwerken en het verkopen van vers vlees (het verwerken van varkensvlees tot bacon).

2.2. Het bestreden besluit

In het besluit heeft verweerder de productmarkten inkoop van slachtvarkens, inkoop van zeugen voor de slacht, de markt voor karkassen en technische delen, de markt voor verkoop van vers varkensvlees, stroomafwaartse markten op het gebied van verwerkt vlees en de markt voor de inkoop en verwerking van slachterijbijproducten gedefinieerd. Voor elk van deze markten heeft verweerder ook de relevante geografische markt vastgesteld. Verweerder heeft de geografische markt voor slachtvarkens en die voor zeugen voor de slacht vastgesteld op een gebied dat bestaat uit een straal van 150 km rondom de drie voornaamste varkenshoudergebieden in Nederland. Voor de geografische markt voor de productmarkt(en) voor karkassen en technische delen van varkens wordt er vanuit gegaan dat de markt(en) ten minste de Europese Unie omvat(ten). Voor de productmarkten van verkoop van vers varkensvlees en mogelijke nadere onderverdelingen, stroomafwaartse markten op het gebied van verwerkt vlees en de markt(en) voor de inkoop en verwerking van slachterijbijproducten, laat verweerder in het midden of de geografische markt nationaal of ruimer dan nationaal is, aangezien de materiële beoordeling hierdoor niet wordt beïnvloed.

Verweerder heeft vervolgens geconcludeerd dat er voor elk van deze productmarkten geen reden is om aan te nemen dat als gevolg van de concentratie een economische machtspositie kan ontstaan of kan worden versterkt die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd. Verweerder heeft dan ook medegedeeld dat voor het tot stand brengen van de concentratie waarop de melding betrekking heeft geen vergunning is vereist.

2.3. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 27, aanhef en onder b, van de Mw wordt onder een concentratie verstaan het direct of indirect verkrijgen van zeggenschap door:

1°. een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die reeds zeggenschap over ten minste een onderneming hebben, of

2°. een of meer ondernemingen over een of meer andere ondernemingen of delen daarvan door middel van de verwerving van participaties in het kapitaal of van vermogensbestanddelen, uit hoofde van een overeenkomst of op enige andere wijze.

Ingevolge artikel 34 van de Mw is het verboden een concentratie tot stand te brengen voordat het voornemen daartoe aan verweerder is gemeld en vervolgens vier weken zijn verstreken.

In artikel 37, eerste lid, van de Mw is bepaald dat verweerder binnen vier weken na het ontvangen van een melding mededeelt of voor het tot stand brengen van de concentratie, waarop die melding betrekking heeft, een vergunning is vereist. In het derde lid is bepaald dat indien niet binnen vier weken toepassing is gegeven aan het eerste lid, voor de concentratie geen vergunning is vereist. De in de vorige volzin bedoelde termijn vangt aan met ingang van de eerstvolgende dag na ontvangst van de melding die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is in de zin van de Algemene termijnenwet.

Ingevolge artikel 35, tweede lid, van de Mw kan verweerder, indien de verstrekte gegevens onvoldoende zijn voor de beoordeling van een melding, van degene die de melding heeft gedaan, aanvulling van de melding verlangen. In artikel 38 van de Mw is bepaald dat dan de termijn van vier weken wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de raad op grond van artikel 35, tweede lid, aanvulling van de melding verlangt tot de dag waarop die aanvulling is gegeven.

Op grond van het tweede lid van artikel 37 van de Mw kan verweerder bepalen dat voor een concentratie een vergunning is vereist, indien hij reden heeft om aan te nemen dat als gevolg van die concentratie een economische machtspositie kan ontstaan of worden versterkt die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op significante wijze wordt belemmerd.

2.4. Gronden van beroep

Naar de mening van eiseressen heeft verweerder de relevante geografische markt voor slachtvarkens en voor zeugen voor de slacht onjuist gedefinieerd en daardoor ten onrechte overwogen dat er als gevolg van de voorgenomen concentratie geen economische machtspositie kan ontstaan of worden versterkt die tot gevolg heeft dat een daadwerkelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan op een significante wijze wordt belemmerd. Verweerder heeft zich daarbij ten onrechte in grote mate gebaseerd op de beschikking van 21 december 2004 van de Europese Commissie inzake de goedkeuring van de concentratie tussen Dumeco B.V. (Sovion N.V.) en Hendrix Meat Group B.V. (kenmerk: COMP/M 3605 Sovion/HMG), nu tegen deze beschikking nog een vernietigingsprocedure loopt bij het Gerecht van Eerste Aanleg. Volgens eiseressen heeft verweerder onvoldoende onderzoek verricht naar de relevante geografische markt en ten onrechte zonder nader onderzoek aangenomen dat de stellingen en de informatie waarop hij zich baseert juist zijn. Tevens heeft verweerder ten onrechte beslist dat voor de voorgenomen concentratie geen vergunning is vereist.

Eiseressen hebben er op gewezen dat een aantal elementen van essentieel belang is voor de analyse van de relevante geografische markt. Deze elementen beperken de afzetmogelijkheden voor de Nederlandse varkenshouders en –handelaren in Duitsland zodanig dat de concentratie en de door de overname ontstane machtspositie beoordeeld dienen te worden met Nederland als relevante geografische markt. Deze elementen zijn de uitwisselbaarheid van slachtvarkens voor de Nederlandse en Duitse markt, de prijsverschillen voor de inkoop tussen Nederland en Duitsland en export naar Duitsland, de veterinaire maatregelen bij uitbreken van dierziekten en de transportafstand. Eiseressen benadrukken dat deze drempels om varkens te exporteren veelal cumulatief werken en derhalve in onderling verband moeten worden gezien.

2.4.1. Uitwisselbaarheid van varkens

Vleesvarkens voor de Duitse markt en voor de Nederlandse markt zijn niet onderling uitwisselbaar. Er zijn niet alleen verschillen in gewicht, maar ook verschillen in type en kwaliteit varken. De varkenshouder richt zijn bedrijfsvoering in op het gewenste type en kwaliteit varken en kan niet zomaar wisselen van een slachthuis in Nederland naar een slachthuis in Duitsland. Alleen varkens van het juiste type en de juiste kwaliteit brengen op de Duitse markt meer op dan op de Nederlandse markt. Het is juist dat het voor de slacht belangrijk is dat het varken beschikt over een bepaald percentage vlees, bespiering en vet. In de praktijk is het zo dat slachterijen bekijken of een bepaald ras aan deze eisen voldoet. Bepaalde rassen hebben namelijk specifieke kenmerken. De keuze voor een bepaald type varken hangt derhalve samen met de keuze voor een bepaald ras. Het is financieel alleen interessant om varkens te exporteren die geschikt zijn voor de desbetreffende slachterij/markt in Duitsland. Er is een prijsverschil tussen Nederland en Duitsland, maar om dit optimale prijsverschil te kunnen ontvangen, dienen de Nederlandse varkens 100% overeen te komen met de door Duitse slachterijen gevraagde varkens. Indien varkens minder aan deze eisen voldoen, wordt het prijsverschil met Nederland kleiner. Alleen wanneer het prijsverschil tussen Nederland en Duitsland groter dan gemiddeld is, wordt een Duitse slachterij ook bij varkens die niet voor 100% aan de Duitse eisen voldoen mogelijk interessant. Daarnaast zijn de buiten Duitsland geproduceerde varkens slechts complementair aan de in Duitsland zelf geproduceerde varkens. Duitse slachterijen hebben een voorkeur voor Duitse varkens en kopen slechts een beperkt gedeelte van hun varkens in het buitenland in.

2.4.2. Prijsverschillen en export naar Duitsland

In de praktijk blijkt dat prijsverschillen voor de inkoop door slachthuizen in Nederland en Duitsland er niet toe leiden dat de export naar Duitsland toeneemt bij een groter prijsverschil. Achterliggende reden daarvoor is dat op internationaal niveau verschillende prijzen worden gehanteerd die gecorrigeerd moeten worden om deze vergelijkbaar te maken. Er is een zekere correlatie, maar deze is afhankelijk van andere factoren, hetgeen bijvoorbeeld blijkt uit het feit dat er zelfs bij een negatief prijsverschil nog wordt geëxporteerd. Gelet hierop kan niet op basis van de prijs worden geconcludeerd dat het gemakkelijk is om varkens en/of zeugen naar Duitsland te exporteren. Ook uit het overgelegde overzicht van de Productschappen Vee, Vlees en Eieren (PVE) van de export van varkens en biggen per week van Nederland naar Duitsland en een overzicht van de in die weken in Nederland en Duitsland gehanteerde basisprijzen blijkt volgens eiseressen dat er nauwelijks een relatie bestaat tussen de hoogte van de export en de grootte van het prijsverschil tussen beide landen.

Verder zijn er ook (andere) financiële drempels die ervoor zorgen dat de Nederlandse markt voor slachtvarkens zich onderscheidt van de Duitse markt voor slachtvarkens. Het gaat daarbij onder meer om kostprijsverhogende drempels, zoals extra transportkosten, exportkeuring, kosten van een extra veterinaire keuring en extra kosten van bloedonderzoek in verband met de hogere status van Duitsland voor de Ziekte van Aujeszky. Slechts voor een beperkt aantal in Nederland geproduceerde slachtvarkens, namelijk die varkens die volledig aan de Duitse eisen voldoen, kunnen de kosten worden gecompenseerd door een hogere inkoopprijs. Daarnaast neigen slachterijen ertoe om contracten voor langere periode met varkensboeren af te sluiten, hetgeen de mogelijkheden om te switchen naar een andere slachterij voor varkensboeren verder beperkt.

2.4.3. Veterinaire maatregelen bij uitbreken van dierziekten

Veterinaire maatregelen en de gevolgen van en/of reacties op dierziekten leiden tot regionalisering en nationalisering van de markt. Uit de websites van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) blijkt dat de Nederlandse overheid bij het uitbreken van varkensziektes maatregelen voorschrijft die voor nationalisering van de markt zorgen. Bij het uitbreken van varkensziekten in het verleden is verschillende malen gebleken dat de in- en uitvoer van varkens niet alleen werd beperkt tot een bepaald gebied, maar veelal ook gevolgen had voor de gehele nationale markt. De getroffen maatregelen (in de meeste gevallen de afsluiting van het getroffen gebied) hebben immers ook hun weerslag op de import van en export naar het buitenland, waardoor de vrije marktwerking op de gehele nationale markt negatief wordt beïnvloed. Dit is temeer het geval omdat de varkenshandel in Nederland is geconcentreerd in drie gebieden. Daarbij hebben dierziekten ook gevolgen op de lange(re) termijn. Juist omdat dierziekten bijna altijd leiden tot grensafsluiting zullen varkenshouders en -handelaren mede om die reden terughoudend zijn om een groot gedeelte van hun productie in te richten op de export. Als na enige tijd de dierziekte onder controle is, zullen de varkens in eerste instantie slechts binnen het afgegrendelde gebied kunnen worden geslacht. Bij een recente uitbraak van varkenspest in Duitsland heeft de Europese Commissie de export vanuit Nederland geheel verboden. Het vervoeren van varkens was binnen Duitsland wel toegestaan. Hieruit kan worden afgeleid dat de Europese Commissie bij een uitbraak van de varkenspest een nationaal criterium hanteert en niet een afstandscriterium.

2.4.4. Transportafstand

In de praktijk blijkt dat het overgrote gedeelte van vleesvarkens over korte afstanden wordt vervoerd naar het slachthuis. Dit blijkt uit het rapport van de leerstoelgroep Agrarische Bedrijfseconomie van de Wageningen Universiteit: Contactstructuur varkenshouderij: I&R data-analyse. Meer dan 95% van de transporten vindt plaats over een afstand van minder dan 95 kilometer; meer dan 85% over een afstand van minder dan 70 kilometer en meer dan 70% over een afstand van minder dan 50 kilometer. Ook vanuit de politiek wordt in toenemende mate druk uitgeoefend om de afstand van het vervoer van levende dieren zoveel mogelijk te beperken.

2.5. Beoordeling van het beroep

Blijkens het (aanvullend) beroepschrift hebben de grieven van eiseressen betrekking op de vaststelling van de geografische markt ten aanzien van de productmarkten inkoop van slachtvarkens en inkoop van zeugen voor de slacht. Eiseressen hebben geen bezwaar tegen de vaststelling van de productmarkten op zichzelf en de bij de andere productmarkten vastgestelde geografische markten. De rechtbank zal de behandeling van het beroep dan ook beperken tot de vraag of verweerder de geografische markt van de productmarkten inkoop van slachtvarkens en inkoop van zeugen juist heeft vastgesteld.

Zoals het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) in de zaak Essent en Eon/Nma, (uitspraak van 27 september 2002, LJN AE8688) heeft overwogen, heeft de NMa een zekere beoordelingsvrijheid bij zijn waardering van economische feiten en omstandigheden in het licht van de bepalingen van de Mw. Dit neemt niet weg dat de rechterlijke toetsing de beoordeling omvat of NMa heeft voldaan aan zijn verplichting aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 41, tweede lid, van de Mw is voldaan. Hierbij dient derhalve niet alleen te worden beoordeeld of het besluit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en of het op een deugdelijke motivering berust, maar ook of NMa de wettelijke begrippen op juiste wijze heeft geïnterpreteerd en aannemelijk heeft gemaakt dat de feiten en omstandigheden aan de wettelijke voorwaarden voldoen. Met name dient de rechter niet alleen de materiële juistheid van de bewijselementen, de betrouwbaarheid en de samenhang te controleren, maar ook moet hij beoordelen of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen.

Hoewel dit toetsingskader ziet op de volgende stap in de concentratiezaken, te weten de vergunningverlening/-weigering zelf, is het naar het oordeel van de rechtbank evenzeer relevant voor het onderhavige geval, waarin het gaat om de daaraan voorafgaande vraag, te weten of er voor het tot stand brengen van de concentratie, waarop de melding betrekking heeft, een vergunning is vereist. De rechtbank zal het bestreden besluit dan ook toetsen op de wijze zoals hiervoor vermeld.

Verweerder heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit voor een groot deel gebaseerd op de overwegingen van de Europese Commissie in haar beschikking in de zaak Sovion/HMG. De Europese Commissie heeft daarbij weliswaar een andere concentratie, maar wel in dezelfde markt beoordeeld. In haar beschikking heeft de Europese Commissie geoordeeld dat de geografische dimensie van deze markt en de markt voor de inkoop van zeugen voor de slacht een straal van 150 kilometer omvat rondom de drie belangrijkste varkenshoudersgebieden in Nederland (Twente, met Enschede als middelpunt van de 150 km radius, de Achterhoek, met Doetinchem als middelpunt van de 150 km radius en Noord-Brabant en het noordelijk deel van Limburg met Eindhoven als middelpunt van de 150 km radius). Daarbij heeft de Europese Commissie voor het bepalen van de geografische markt, slachtvarkens en zeugen voor de slacht gezamenlijk bezien, daar de analyse opgaat voor beide productmarkten.

De rechtbank stelt vast dat de argumenten die eiseressen in de onderhavige zaak hebben aangevoerd overeenkomen met de argumenten die zij bij de Europese Commissie in de zaak Sovion/HMG hebben aangevoerd. Verweerder mag, mede gelet hierop, naar het oordeel van de rechtbank voor de vaststelling van de geografische markt in beginsel uitgaan van de geografische markt zoals deze door de Europese Commissie is vastgesteld, tenzij uit het eigen onderzoek dat verweerder heeft uitgevoerd door middel van gesprekken met marktpartijen, zoals varkenshouders en –handelaren en slachterijen, en gesprekken met en gegevens van derden, zoals onderzoeksinstituten en beleidsorganen, dan wel uit de aangevoerde argumenten van eiseressen zou blijken dat er redenen zijn om daarvan af te wijken. Dat eiseressen tegen deze beschikking een procedure tot vernietiging bij het Gerecht van Eerste Aanleg aanhangig hebben gemaakt maakt dit niet anders.

De rechtbank zal aan de hand van de door eiseressen aangevoerde elementen het beroep beoordelen.

2.5.1. Uitwisselbaarheid varkens

De Europese Commissie komt in haar beschikking (randnummers 31 en 32) tot de conclusie dat het enige verschil tussen in Nederland en Duitsland gefokte varkens het gewicht is, waarbij Duitse varkens ongeveer twee kilo zwaarder zijn dan de Nederlandse varkens. Gezien de groei van de varkens, wordt na ongeveer twee dagen extra wachten het ideale gewicht bereikt voor export naar de Duitse markt. Er zijn geen significante genetische verschillen tussen varkens die worden geslacht in Nederland en varkens die in het westen en noorden van Duitsland worden geslacht, aldus de beschikking van de Commissie.

Uit onderzoek van verweerder zelf komt een zelfde beeld naar voren. Uit het verslag van 6 januari 2006 van het gesprek met de heer Backus van het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) :

“…. Met betrekking tot de verschillen in varkensras die door Nederlandse en Duitse slachterijen wordt gevraagd, merkt Backus op dat Duitsland een alternatieve afzetmarkt vormt voor Nederlandse boeren. … Feitelijk is de categorie belangrijker dan het ras, aldus Backus”.

Uit het verslag van het gesprek van 24 januari 2006 met medewerkers van het Ministerie van LNV:

“….. Er is een Europese richtlijn die varkens indeelt in kwaliteitsklassen (E,U,R,O of P-klasse). Porte geeft aan dat een slachtvarken vaak een kruising is tussen verschillende rassen. Vion heeft wel een soort ideaaltype slachtvarken dat geschikt is voor de massa. Het soort varken is een samenspel tussen de geneticaleverancier en de slachterijsector. Landbouw meent dat daar niet te veel aandacht aan zou moeten worden geschonken in het kader van de beoordeling van concentraties. In principe kunnen varkensboeren hun varkens altijd wel kwijt; de verschillen in genetica zijn niet zo groot. ….. Porte geeft aan dat de markt voor vers vlees West-Europa omvat. Dat deze markt niet nationaal is, blijkt alleen al uit het feit dat de zelfvoorzieningsgraad in Nederland meer dan 200% is. 60% van het vlees moet dus wel geëxporteerd worden, vooral naar Duitsland en Italië. ….. Wat betreft zeugen is export naar Duitsland een alternatief.”

Uit gespreksverslagen met slachterijen:

“….. geen belangrijke verschillen in aanbod varkensrassen Duitsland en Nederland. Er is sprake van één markt”… ; “…. we zijn een exportland …. We kopen alle varkensrassen in en maken geen onderscheid naar ras. De rassen lopen niet ver uit elkaar….. Van de Nederlandse zeugen gaat al 50% naar buitenland… Iedere willekeurige boer kan nu exporteren.”; “ … Belangrijk is dat de zeugen worden geïnjecteerd met sperma van bepaalde beren, Piétrain. Er is een aanbevelingslijst met Duitse beren, zodat er Piétrainbloed in het varken zit. Kenmerken waarop men zich baseert om varkens al dan niet in te kopen is het gewicht, bij voorkeur tussen de 93 – 95 kilo. Meer dan 55% mager vleesaandeel, maar niet meer dan 59%. Het varken moet goed bespierd zijn en IKB of IKB-plus (gemonitord door het Duitse Q&S-systeem) is ook nodig….. Komt voor dat afnemers alleen varkensvlees uit Duitsland willen… “; “…. Er gaat veel naar Duitsland. Daar heb je een hogere prijs voor zware varkens met een hoog gehalte Piétrain. …. koopt een gemiddeld type Nederlands varken in, voor verwerkt vlees. In Duitsland worden betere varkens beter betaald. ….. De bovenkant van het Nederlandse landras kan ook de bovenkant van de markt in Duitsland leveren”.

Uit gesprekken met varkenshandelaren:

“Export is een optie, doe ik ook, maar structureel vind ik het te nadelig in verband met dierziekten. … (vertrouwelijk) exporteer ik naar Duitsland, de verkoopmogelijkheden in Nederland zijn te gering. Ik bepaal puur op prijs waar de varkens heen gaan. Export neemt toe naar Duitsland, België is geen alternatief omdat het te ver weg is ”; “ …. Italië vraagt om specifieke varkens. Met Duitsland scheelt het niet zoveel. …. Het moet wel een geschikt varken zijn. Duitsland vraagt een vleesrijker varken. In principe kun je met een half jaar een ander varken hebben. Als er iets gebeurt ben je wel overgeleverd …. Er is wel concurrentiedruk vanuit Duitsland”.

Uit onderzoek onder varkenshouders en varkenshandelaren:

“… Voor varkens in Duitsland moet je Piétrain-achtige varkens hebben. Dit kan zowel in Topics zitten als in PSI. Als je in Duitsland varkens afzet moet je een ander type hebben om een optimale prijs te krijgen. … Ik kijk naar prijstechnische en fokkerijtechnische aspecten. Een gemiddeld Nederlands varken (geen Piétrain) kan het beste worden verwaard in Nederland; “… Het betreft de gewone rassen….. Ik ben niet bezig met export; dit is vooral voor grotere aantallen. … Ik volg wel de prijzen in Duitsland, als het lucratief wordt om te exporteren zou ik dat wel doen. Het is een geluk dat Duitsland kort bij ligt. De afgelopen weken zijn er genoeg varkens, dan gaat de prijs omlaag”; “…. Het zou ook geschikt zijn voor de Duitse markt, maar we maken in het binnenland royaal de Duitse prijs. …. Ik heb ook het varken waarmee ik naar Duitsland kan. Zie Duitsland en Nederland maar als één land”; “ … In feite (verhandel ik) alle soorten rassen. Bij basiszeugen is sprake van een kruising, dus daar maakt het niet uit. Bij varkens maakt het wel uit: van belang is dat het een hybride varken is, dat wil zeggen een kruising tussen verschillende soorten. Het grootste deel is ook een kruising. …. zeugen gaan vrijwel volledig voor de levende export. De slachtvarkens gaan ook voor het grootste deel voor de export, ik schat voor 60 - 70%. Ze gaan naar diverse slachterijen in Duitsland. ….. Zwaardere en vettere varkens worden geëxporteerd. Op dit moment is ook vraag naar kwaliteitsvarkens in buitenland. … Voor mindere kwaliteit kun je een betere prijs krijgen, bijvoorbeeld in Roemenië en Hongarije…. Luxe varkens worden meer naar Duitsland geëxporteerd”; “… Topics en eigen fokmateriaal met Topics bloedlijnen. …. (vertrouwelijk)% van zeugen gaat naar buitenland en we exporteren bij tijden ook naar België. Van de slachtvarkens blijft … (vertrouwelijk)% in Nederland. Dit heeft te maken met het verschil in vraag naar soorten varkens in Nederland en Duitsland…”; “… De zeugen zijn kruisingen, de vleesvarkens zijn Piétrain . … De vleesvarkens gaan naar (vertrouwelijk) in Duitsland … De zeugen gaan naar (vertrouwelijk) in Duitsland of naar een handelaar … De meeropbrengst/prijs bepaald naar welke slachterij we gaan. .. “; “… we exporteren ook en alles gaat via de handelaar. De varkens en zeugen gaan naar Duitsland. .. De varkens worden geselecteerd, gewogen en geladen door de handelaar. Dan krijg ik een prijs per kilo. De slachtgegevens worden nagezonden via de handelaar naar de fokkerij … Op basis van die slachtgegevens krijg ik inzicht in spekdikte, spierdikte en vleespercentage. … De hoofdzaak gaat naar de vleeswarenindustrie in Duitsland. …. België is zelf ook een varkensexporterend land. Duitsland is een importerend land, zij is maar voor 70 - 75% zelfvoorzienend …”; “… Gemengd van verschillende varkens. .. bijna, alles gaat via de handelaar…. De prijs bepaalt waar de varkens naar toe gaan….”

De rechtbank stelt vast dat de gesprekken van verweerder met marktpartijen en derden de bevindingen van de Europese Commissie over de uitwisselbaarheid van de varkens bevestigen. Uit deze gesprekken blijkt weliswaar dat er kennelijk een voorkeur bestaat voor een bepaald type varken en dat bepaalde typen varkens aantrekkelijk zijn voor afnemers in Duitsland, maar niet dat het gewone gemiddelde varken niet kan worden geëxporteerd naar Duitsland. Integendeel, partijen, concurrenten van partijen en derden hebben aangegeven dat er ruime en diverse afzetmogelijkheden zijn op de verkoopmarkten, waardoor slachterijen de mogelijkheid hebben om varkens uit iedere mogelijke categorie zonder problemen te vermarkten. In dit verband is van belang dat binnen de Europese Unie een homogeen classificatiesysteem wordt gebruikt bij de inkoop van slachtvarkens door een slachterij. De varkens worden ingedeeld op basis van Verordening 3220/84 van de Raad van 13 november 1984 tot vaststelling van het communautaire indelingsschema voor geslachte varkens, Pb 1984, L 301/1. Deze Verordening stelt regels die een uniforme indeling van de geslachte varkens garandeert, teneinde te bereiken dat aan de producenten een billijke prijs wordt betaald op basis van het gewicht en de samenstelling van de door hen aan het slachthuis geleverde varkens. Naast de indeling op basis van de in de Verordening genoemde categorieën worden in Nederland de varkens ingedeeld in bepaalde types voor de kwaliteit. In Duitsland bestaat een vergelijkbaar systeem voor de kwaliteitsindeling. Gelet hierop, alsmede gelet op de exportstromen - er werden vanuit Nederland in 2004 bijna 2.3 miljoen ofwel 14% slachtvarkens (naar met name Duitsland) en 179.000 ofwel 48% van de zeugen voor de slacht (naar met name België en Duitsland) geëxporteerd - is het niet aannemelijk dat sprake is van een geringe mate van onderlinge uitwisselbaarheid van Nederlandse en Duitse slachtvarkens. Eiseressen hebben hun stelling dat de varkens niet uitwisselbaar zijn naar het oordeel van de rechtbank niet met concreet bewijs onderbouwd.

2.5.2. Prijsverschillen

Uit de beschikking van de Europese Commissie in de zaak Sovion/HMG (randnummers 36 t/m 42) blijkt dat de Duitse prijzen voor de inkoop van levende varkens van oudsher hoger zijn dan de Nederlandse prijzen. Niettemin zijn deze twee prijzen sterk gecorreleerd en tenderen ze op middellange termijn parallel te bewegen. Wanneer de prijzen in Nederland lager worden ten opzichte van de Duitse prijzen, of de prijzen in Duitsland hoger worden ten opzichte van de Nederlandse prijzen, neemt de export van levende varkens naar Duitsland toe. Met andere woorden: varkensboeren kunnen omschakelen van Nederlandse naar Duitse slachthuizen om de beste prijsvoorwaarden te verkrijgen.

Deze analyse van de Europese Commissie wordt onderschreven door hetgeen in de van de zijde van verweerder gevoerde gesprekken met de slachterijen, varkenshouders en -handelaren en derden naar voren is gekomen. Blijkens het verslag van het gesprek met de heer Backus van het LEI 6 januari 2006 stelt deze:

“…De prijs die Duitse slachterijen bieden is hoger dan de prijs die in Nederland en Denemarken wordt geboden, hoofdzakelijk omdat Duitsland een import land is. Tussen Nederland en Duitsland zit een aantal centen prijsverschil. Het prijsverloop tussen Nederland en Duitsland loopt verder behoorlijk parallel. Als Dumeco zakt met haar prijs, dan wijken de boeren uit naar Duitsland. Een 1-op-1-vergelijking gaat niet altijd op, maar dat Duitse slachterijen meer betalen is duidelijk.”

Uit het verslag van 9 januari 2006 met de secretaris LTO-Noord, vakgroep varkenshouderij:

“…Markt voor slachtzeugen is Europees getint en er is sprake van Europese prijsvorming.”

Uit gespreksverslagen met slachterijen:

“… Prijs bepaalt de inkoop, ook een keurmerk (bv. IKB) kan een rol spelen. …. Als prijs in Nederland zou stijgen dan zou aanbod uit Nederland minder worden. In praktijk zal dat niet gebeuren, want als prijs in Nederland stijgt is de prijs in Duitsland daarvoor al gestegen …”; “… De prijzen in Nederland en Duitsland hangen heel erg samen. Als de prijs in Duitsland stijgt gebeurt dat ook in Nederland, anders gaan ze allemaal naar Duitsland…”

Uit gesprekken met varkenshandelaren:

“… De prijzen in Nederland volgen de prijzen in Duitsland, dus er gaat wel druk uit van de Duitse slachterijen..”; “… Duitse prijs is hoger dan de Nederlandse prijs. De kosten van export maken de prijs vergelijkbaar…”; “… Wat prijs betreft is de relatie Nederland – Duitsland er wel…”

Uit onderzoek onder varkenshouders:

“ …Slachterijen volgen elkaar in prijzen, ook over de grens wordt gekeken…”; “ De prijs bepaalt waar de varkens naar toe gaan. Als prijzen zouden stijgen in Duitsland dan is export reëel alternatief …”

De rechtbank ziet de bevindingen van de Europese Commissie bevestigd in de door verweerder verzamelde informatie van slachterijen, varkenshouders en -handelaren en derden. Nederlandse slachterijen geven aan dat zij naar de prijzen kijken die Duitse slachterijen bieden, om te voorkomen dat varkenshouders en -handelaren massaal uitwijken naar Duitsland op het moment dat daar de prijzen aanzienlijk hoger komen te liggen dan in Nederland. Een aantal varkenshouders en -handelaren stelt te letten op de prijzen die in Duitsland worden geboden voor de varkens in verband met het verkrijgen van de beste prijs. Reeds hierom kan worden gesteld dat sprake is van een sterke correlatie tussen de prijs in Nederland en Duitsland en de export naar Duitsland.

Blijkens het bestreden besluit is door middel van een regressieanalyse onderzocht of de waargenomen export van slachtvarkens naar Duitsland kan worden verklaard door het verschil tussen de prijs voor de slachtvarkens in Duitsland en Nederland. De gegevens voor deze analyse zijn verkregen van de PVE, die beschikt over de aantallen varkens die wekelijks geslacht worden, de export/importcijfers van varkens naar land van bestemming/herkomst en de wekelijke prijzen voor slachtvarkens in Nederland en Duitsland. Er is een correctie gemaakt vanwege de verschillen tussen de Nederlandse en Duitse prijzen voor het landbouwforfait, gewichtskorting en aanhoudingpercentage, het verschil in basisvleespercentage, het verschil in gemeten vleespercentage, de inhoudingen, de afkeuringen, keuringskosten, PVV-heffingen en betalingstermijnen en extra bancaire kosten. Door deze correcties zijn de Nederlandse en Duitse prijzen onderling vergelijkbaar gemaakt. Uit de regressieanalyse blijkt dat voor de onderzochte periode een significant verband bestaat tussen het prijsverschil en de export van slachtvarkens naar Duitsland. Met andere woorden, voor de onderzochte periode geldt dat hoe groter het wekelijkse prijsverschil tussen de Duitse en Nederlandse gecorrigeerde prijzen, hoe meer slachtvarkens naar Duitsland worden geëxporteerd.

Eerst ter zitting hebben eiseressen kritiek geuit op deze statistische analyse. Wat daar verder ook van zij, het aanvoeren van deze grief in dit stadium van de procedure is in strijd met de goede procesorde. Niet is in te zien dat eiseressen deze grief niet eerder in de procedure naar voren hadden kunnen brengen. De rechtbank zal deze grond dan ook niet betrekken bij de beoordeling van het beroep.

Met betrekking tot de stelling van eiseressen dat er andere (kostprijsverhogende) drempels zijn die ervoor zorgen dat de Nederlandse markt voor slachtvarkens zich onderscheidt van de Duitse markt voor slachtvarkens overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van de speciale veterinaire eisen die gelden wanneer wordt geëxporteerd, blijkt uit de randnummers 33 t/m 36 van de genoemde beschikking van de Europese Commissie dat alle levende varkens moeten worden onderzocht, ongeacht de plaats waar zij worden geslacht. De aanwezigheid van een dierenarts op de boerderij of op een exportverzamelpunt is evenwel vereist wanneer varkens worden geëxporteerd. De extra kosten die hiermee gemoeid zijn bedragen circa EUR 1-1,25 per varken, overeenkomend met circa 1% van de inkoopprijs van een varken. De bevindingen van de Commissie zijn dat de extra kosten voor deze exportgerelateerde vereisten worden gecompenseerd door de van oudsher hogere inkoopprijs op de Duitse markt. Weliswaar is het zo dat er bij varkens bestemd voor de export slechts vrachtwagens mogen worden geladen op één boerderij of exportverzamelpunt, maar daar staat tegenover dat de exportverzamelpunten talrijk, geografisch verspreid en derhalve gemakkelijk bereikbaar zijn en dat het eenvoudig is om varkens naar deze verzamelpunten te vervoeren.

De rechtbank ziet deze bevindingen van de Europese Commissie bevestigd in artikel 2.4 van de Regeling handel levende dieren en levende producten, waaruit blijkt dat er bij export van vee, één veterinaire keuring dient te worden uitgevoerd door de een medewerker van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (VWA) of door een veearts. Anders dan eiseressen hebben gesteld, zijn er geen andere extra keuringen verbonden aan de export dan deze veterinaire keuring. Het tappen van bloed ter controle van drie dierziektes dient ook bij slacht in Nederland te worden uitgevoerd en kan om die reden geen barrière voor de export opleveren. De rechtbank ziet in hetgeen eiseressen hebben aangevoerd geen aanleiding om de bevindingen van de Europese Commissie dat de extra kosten, die gemoeid zijn met de exportkeuring, gecompenseerd kunnen worden door de hogere inkoopprijs op de Duitse markt voor onjuist te houden.

De transportkosten voor een slachtvarken bedragen, zo blijkt uit de randnummer 20 van de beschikking van de Commissie over de eerste 50 kilometer 1% van de prijs van een varken met een gemiddeld slachtgewicht van 90 kg. Iedere verdere 50 km kost EUR 0,19 per varken, hetgeen overeenkomt met 0,16% van de prijs van een varken. Deze gegevens zijn niet door eiseressen betwist. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de transportkosten voor de eerste 50 kilometer het hoogst zijn. De kosten voor de eerste 50 kilometer moeten echter ook gemaakt worden bij transport naar een slachterij binnen Nederland en vormen om die reden geen barrière voor de export. De kosten van transport bij meer dan 50 kilometer zijn voorts dermate gering zijn ten opzichte van de prijs die kan wordt verkregen dat het niet reëel is te stellen dat daardoor de export zal worden belemmerd.

Wat betreft de grief van eiseressen dat slachterijen contracten voor langere tijd met boeren afsluiten en daarmee de flexibiliteit van de boeren om te switchen bij wijzigingen in de inkoopprijzen verminderen, overweegt de rechtbank het volgende. Uit gesprekken van verweerder met varkenshouders en -handelaren, slachterijen en derden is gebleken dat, hoewel er een beperkte tendens lijkt te zijn naar het aangaan van wat meer vaste relaties tussen varkenshouders en -handelaren enerzijds, en slachterijen anderzijds, de eerstgenoemden over het algemeen nog steeds tamelijk flexibel zijn in hun keuzen waar zij de slachtvarkens aanbieden. Ook Nederlandse varkenshouders en -handelaren die tegen de voorgenomen overname zijn, omdat er dan te weinig verkoopmogelijkheden over zouden blijven op de Nederlandse markt, geven aan dat zij op flexibele basis hun varkens aan slachterijen (kunnen) leveren. Deze informatie wordt bevestigd door de gegevens van de PVE, waaruit blijkt dat de hoeveelheden varkens die worden geëxporteerd zelfs op weekbasis sterk fluctueren (in de periode 2003-2005 werden er naar Duitsland minimaal 11.769 en maximaal 52.956 slachtvarkens per week geëxporteerd). Er zijn derhalve geen aanwijzingen dat sprake is van een dermate starre marktstructuur dat als gevolg daarvan onvoldoende zou kunnen worden ingespeeld op prijsstijgingen in Duitsland of prijsdalingen in Nederland.

2.5.3. Veterinaire maatregelen

In randnummer 43 van de beschikking komt de Europese Commissie op basis van exportdata tot de conclusie dat het uitbreken van dierziekten en het tijdelijk sluiten van de grenzen niet hebben belemmerd dat grote hoeveelheden varkens uit Nederland werden geëxporteerd. Voorts hoeven de tijdelijk gesloten gebieden ingeval van dierziekten niet samen te vallen met de nationale grenzen, maar kunnen het ook gemeenten of provincies betreffen en kunnen deze derhalve ook de handel binnen Nederland raken. Om deze redenen vormen de uitbraken van ziekten niet de bepalende factor bij het definiëren van de geografische markt, aldus de beschikking van de Commissie.

Uit de stukken komt naar voren dat bij een uitbraak van een besmettelijke dierziekte de Europese Commissie zo snel mogelijk een beschikking afkondigt waarin maatregelen staan ter voorkoming van verspreiding van de ziekte. Daarnaast is van belang dat recent een nieuw systeem is ontwikkeld voor de vorming van een aantal compartimenten bij de uitbraak van een besmettelijke dierziekte. Dit systeem zal worden toegepast in alle gevallen van een uitbraak van een besmettelijke dierziekte die op basis van de Europese regels bestrijdingsplichtig is, zoals bijvoorbeeld mond- en klauwzeer en klassieke varkenspest. Het doel van de compartimenten is om de kans dat het virus zich verspreidt te minimaliseren. De mate van compartimentering, de maatregelen en de grootte van de gebieden zal worden aangepast aan de betreffende dierziekte. De lidstaten zijn verplicht om maatregelen te nemen binnen een bepaalde straal van de plaats waar de uitbraak zich heeft voorgedaan. Het ministerie van LNV stelt op basis hiervan twee “kringen” in. Een kring die bevat een straal van tenminste drie kilometer rond het besmette bedrijf (het beschermingsgebied) en andere kring, een straal van tien kilometer van het besmette bedrijf (het toezichtsgebied).

De rechtbank concludeert hieruit dat de maatregelen voor bepaalde gebieden gelden en niet hoeven samen te vallen met de nationale grenzen. Verder zijn de maatregelen tegen verspreiding van dierziektes tijdelijk van aard en blijkt uit cijfers van de PVE dat de export zich na verloop van tijd herstelt. Gelet hierop kan de grief van eiseressen dat de uitbraken van dierziekten een bepalende factor is bij het definiëren van de geografische markt niet slagen.

2.5.4. Transportafstanden

In de randnummers 17 t/m 26 van haar beschikking heeft de Europese Commissie uiteengezet hoe zij tot de conclusie is gekomen dat de relevante geografische markt voor slachtvarkens en zeugen voor de slacht alle gebieden omvat die gelegen zijn binnen een straal van 150 km rond de drie voornaamste gebieden waar varkens worden gehouden.

Ten aanzien van de stelling van eiseressen dat de afstanden waarover slachtvarkens en zeugen voor de slacht worden vervoerd in de praktijk gemiddeld genomen veel kleiner is dan 150 km, overweegt de rechtbank allereerst dat het rapport van de leerstoelgroep Agrarische Bedrijfseconomie van de Universiteit Wageningen waarop eiseressen in dit verband hebben gewezen alleen ziet op de transportafstanden van slachtvarkens binnen Nederland, zodat daaraan in dit kader niet de waarde kan worden gehecht die eiseressen daaraan gehecht willen zien. Overigens is, anders dan eiseressen kennelijk menen, de gemiddelde transportafstand in de praktijk niet relevant voor de afbakening van de geografische markt. Bepalend is het antwoord op de vraag of aanbieders van slachtvarkens naar aanleiding van een hypothetische geringe duurzame verlaging van de inkoopprijs van een slachterij er naar verwachting toe over zouden gaan hun varkens over een afstand tot 150 km te vervoeren naar concurrerende slachterijen, zodat een dergelijke prijsverlaging van die slachterij niet rendabel is. Uit het onderzoek van verweerder is naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam naar voren is gekomen dat dit het geval is. Het overgrote deel van de ondervraagde markpartijen heeft bevestigd dat levende slachtvarkens zonder problemen over afstanden van 500 tot 600 km kunnen worden en ook worden vervoerd, hetgeen ook door de exportcijfers wordt bevestigd. De druk vanuit de politiek om de afstanden waarover slachtvarkens mogen worden vervoerd aan banden te leggen, waar eiseressen in hun beroepschrift op gewezen hebben, ziet op veel grotere afstanden dan de straal van 150 km die hier in geding is.

De grief van eiseressen dat verweerder een afzonderlijke analyse had moeten maken van de relevante geografische markt voor zeugen voor de slacht, omdat deze kleiner zou zijn dan voor slachtvarkens, slaagt niet. Eiseressen hebben niets concreets aangevoerd waaruit de geringere omvang van de relevante geografische markt voor zeugen voor de slacht zou blijken. Nu uit cijfers van de PVE blijkt dat in 2004 niet minder van 48% van alle in Nederland gefokte zeugen voor de slacht naar het buitenland werd geëxporteerd - hetgeen door eiseressen niet bestreden is - ziet de rechtbank niet in dat verweerder ten aanzien van de zeugen voor de slacht zich niet heeft mogen aansluiten bij de analyse van de Europese Commissie.

Tot slot hebben eiseressen nog aangevoerd dat verweerder met het bestreden besluit afwijkt van het “bestaande beleid”. Van de zijde van verweerder is gesteld dat het gaat om één eerder besluit, te weten in de zaak Dumeco/Sturkomeat. Daarin is inderdaad overwogen dat de relevante markt geografische markt voor slachtvarkens een nationale markt is. De in die zaak vastgestelde sterke concurrentiedruk van buitenlandse slachterijen had in die zaak eveneens kunnen leiden tot de conclusie dat de relevante geografische markt ruimer is dan Nederland. Destijds is echter de keuze gemaakt deze concurrentiedruk bij de beoordeling van de gevolgen van de concentratie mee te wegen. De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsregel verweerder verbiedt om de door de Europese Commissie gehanteerde werkwijze te volgen, ook al wijkt deze werkwijze in enige mate af van de eerdere werkwijze in de zaak Dumeco/Sturkomeat. Eiseressen hebben ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de eerdere werkwijze, toegepast op onderhavige concentratie, tot een ander eindoordeel van verweerder zou hebben geleid.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het onderhavige geval voldoende gemotiveerd waarom er is gekozen voor de vaststelling van een geografische markt die ruimer is dan Nederland, hetgeen ook bezien in het licht van de door VION geschetste ontwikkeling gaande naar een internationalisering van de markt, in de rede ligt.

Nu uit al het voorgaande volgt dat de overwegingen van de Europese Commissie in haar beschikking zijn bevestigd in het eigen onderzoek dat door verweerder is verricht, kan het besluit van verweerder waarbij de relevante geografische markt voor slachtvarkens én zeugen voor de slacht is vastgesteld op een gebied dat bestaat uit een straal van 150 km rondom de drie voornaamste varkenshoudergebieden in Nederland, dan ook de vorenbedoelde rechterlijke toetsing doorstaan.

Het beroep dient dan ook ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzitter en mr. J.H. de Wildt en mr. A.A.J. Lemain, leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. M. Traousis - van Wingaarden, griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 april 2007.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseressen worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.