Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA3252

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-03-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
279016 HA RK 07-33
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

wrakingszaak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Zaaknummer : 279016

Rekestnummer : HA RK 07-33

Uitspraak : 26 maart 2007

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

gemachtigde Zijlstra Juridisch Advies Buro te Zoetermeer,

strekkende tot wraking van [rechter], vice-president tevens kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, sector civiel recht (hierna: de rechter).

1. Het procesverloop en de processtukken

Op 1 september 2006 heeft het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering bij de rechtbank Rotterdam een verzoekschrift ingediend, strekkende tot verlenging van de ondertoezicht-stelling en de machtiging uithuisplaatsing van [kind], het minderjarig kind van verzoeker en mevrouw [moeder]. Deze verzoekschriftprocedure draagt als kenmerk 268308 / J2 RK 06-964.

Bij beschikking van 25 januari 2007 heeft de rechter de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een pleeggezin verlengd tot 13 maart 2007 en voorts bepaald dat het verhoor van het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering en belanghebbenden zal plaatsvinden op 26 februari 2007.

Bij fax-bericht van 26 februari 2007 heeft de gemachtigde van verzoeker de rechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het griffiedossier van genoemde verzoekschriftprocedure met het kenmerk 268308 / J2 RK 06-964, waarin zich onder meer bevinden de hiervoor genoemde stukken.

Verzoeker, zijn gemachtigde, de rechter, mevrouw [moeder], alsmede de gezinsvoogdes mevrouw [voogdes] zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld.

Verzoeker, zijn gemachtigde, alsmede de rechter zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

De gemachtigde van verzoeker heeft vervolgens een schriftelijke reactie ingezonden bij fax-bericht van 5 maart 2007.

Ter zitting van 12 maart 2007, alwaar de gedane wraking is behandeld, is verschenen: de gemachtigde van verzoeker.

2. Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

In de beschikking van 25 januari 2007 overweegt de rechter dat de door verzoeker aan zijn verzoek om aanhouding gegeven motivering onvoldoende grond oplevert voor aanhouding van de behandeling van de zaak. Deze motivering bestond hierin dat verzoeker een nieuwe oproeping wenste te ontvangen, met daarin de naam van de nieuwe behandelend rechter, waarbij hem een redelijke termijn (14 dagen) zou worden gelaten om onderzoek te doen naar deze rechter. Door deze motivering als onvoldoende grond voor aanhouding aan te merken, legt de rechter de uitspraak van de wrakingskamer van deze rechtbank d.d. 19 december 2006 naast zich neer, hetgeen voldoende grond voor wraking vormt. In bedoelde uitspraak werd beslist dat een justitiabele steeds moet kunnen nagaan of er uit hoofde van een nevenbetrekking van de rechter sprake is van onverenigbaarheid van functies, welke waarborg alleen betekenis heeft wanneer procespartijen voorafgaand aan de procedure beschikken over de naam van de rechter die hun zaak behandelt.

2.1.2

De rechter vervult nevenfuncties, waaronder het voorzitterschap van de klachtencommissie van de raad voor de kinderbescherming. De rechter maakt deel uit van verschillende werkgroepen, welke met de raad voor de kinderbescherming overleg voeren. Deze nevenfuncties laten zich niet verenigen met de behandeling van de zaak van de minderjarige [kind] door de rechter omdat in die procedure rapporten van de raad voor de kinderbescherming zijn overgelegd, welke door verzoeker zullen worden aangevochten. Vanwege de nauwe betrokkenheid van de rechter bij de raad voor de kinderbescherming door middel van de genoemde nevenfuncties, is de schijn van vooringenomenheid gewekt.

2.1.3

De rechter is tevens voorzitter van de Vereniging voor Familie- en Jeugdrecht, welke vereniging studie en onderzoek deed, op basis waarvan geconcludeerd werd dat kinderrechters vaak aan de hand van te weinig informatie een uitspraak doen. Juist vanwege deze bij de rechter aanwezige kennis had zij alle zorgvuldigheid in acht dienen te nemen en ervoor dienen zorg te dragen dat alle informatie voorhanden is voordat een beslissing werd genomen.

2.1.4

Nagenoeg alle nevenfuncties van de rechter betreffen activiteiten met betrekking tot door kinderen te lopen risico’s. Hieruit blijkt de mentaliteit van de rechter, waarbij het kind voorop staat en waarbij je als ouder de schijn tegen je hebt.

2.1.5

De rechter heeft op verzoek van de gezinsvoogdes de parketpolitie gevraagd aanwezig te zijn bij de mondelinge behandeling op 25 januari 2007. Hiervoor bestond onvoldoende aanleiding aangezien er in het verleden geen problemen zijn geweest tussen de vader en de gezinsvoogdes.

De rechter ging zonder meer in op het verzoek van de gezinsvoogdes. Hieruit blijkt de vooringenomenheid van de rechter.

2.1.6

Ter zitting van 25 januari 2007 heeft de rechter een procespartij gehoord buiten aanwezigheid van verzoeker en zijn gemachtigde en aansluitend beslist dat deze procespartij in het vervolg van de procedure niet meer ter zitting hoeft te verschijnen. Vervolgens heeft de rechter, mede op basis van dit horen van de betreffende procespartij, een beschikking gegeven. Verzoeker beschikt nog immer niet over het proces-verbaal van de zitting van 25 januari 2007 en weet niet wat er op die zitting is gezegd. De rechter houdt informatie achter voor verzoeker.

2.1.7

Door de rechter is in het verleden in haar hoedanigheid van voorzitter van het betreffende team van de rechtbank opdracht gegeven om alle door de gemachtigde van verzoeker ingezonden verzoeken te retourneren, om reden dat die stukken c.q. de wijze van indiening ervan in strijd zouden zijn met het toepasselijke procesreglement. Hieromtrent is een klachtprocedure gevoerd, waarna de rechter zich ter zake door middel van een brief bij de gemachtigde heeft geëxcuseerd. Uit deze feitelijk handelingen van de rechter blijkt dat zij vooringenomen is.

2.1.8

De rechter heeft zich in het verleden fysiek bemoeid met andere door de gemachtigde van verzoeker bij de rechtbank Rotterdam ingebrachte zaken, waardoor deze maandenlang zijn uitgesteld en waardoor de cliënten van de gemachtigde ernstig zijn benadeeld. De rechter weert alle informatie, die een andere blik op een zaak zou kunnen werpen. Tevoren van de zijde van verzoeker aangemelde deskundigen worden door de rechter niet toegelaten.

2.1.9

Uit al het voorafgaande blijkt dat er ten aanzien van de rechter sprake is van zowel subjectieve als objectieve partijdigheid. Verzoeker heeft geen enkel vertrouwen in een onpartijdige behandeling van de zaak door de rechter.

2.2

De rechter heeft niet in de wraking berust.

De rechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de rechter kan opleveren.

3. De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door de rechter in de beschikking van 25 januari 2007 aan de afwijzing van het verzoek om aanhouding gegeven motivering valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter - subjectief dan wel objectief - niet onpartijdig is. Anders dan verzoeker stelt, kan uit de door verzoeker aangehaalde uitspraak van de wrakingskamer d.d. 19 december 2006 niet worden afgeleid dat de naam van de behandelend rechter ten minste twee weken voor de behandeling ter zitting aan partijen bekend gemaakt dient te worden. Wel dient blijkens deze uitspraak de naam van de behandelend rechter op een dusdanig tijdstip aan partijen bekend te zijn, dat zij voordat een eindbeslissing is genomen een wrakingsverzoek kunnen doen. Gelet hierop geeft de motivering ten aanzien van het verzoek om aanhouding geen blijk van vooringenomenheid van de rechter.

3.3

De stellingen van verzoeker dat uit fysieke bemoeienis van de rechter met andere dan de onderhavige zaken een vooringenomenheid blijkt en dat zij informatie en/of deskundigen uit eerdere procedures waarbij verzoekers gemachtigde was betrokken, heeft geweerd, zijn onvoldoende concreet gemaakt. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de rechter in de onderhavige procedure van de zijde van verzoeker aangedragen stukken dan wel deskundigen niet heeft toegelaten. De enkele mededeling dat er in het verleden een klachtenprocedure is gevoerd, waarna de rechter aan de gemachtigde van verzoeker een excuusbrief heeft gezonden, kan – wat daar overigens van zij – er niet toe leiden dat er thans in de onderhavige zaak sprake is van een zwaarwegende aanwijzing voor subjectieve dan wel objectieve partijdigheid.

3.4

Uit de aanwezigheid van partketpolitie bij de zitting van 25 januari 2007 kan niet worden afgeleid dat de rechter ten gunste of ten nadele van een van de procespartijen heeft gehandeld. Daaraan kan geen zwaarwegende aanwijzing voor subjectieve dan wel objectieve partijdigheid worden ontleend.

3.5

Dat de rechter ter zitting van 25 januari 2007 een procespartij heeft gehoord buiten aanwezigheid van verzoeker en zijn gemachtigde en aansluitend heeft beslist dat de aldus gehoorde procespartij bij de volgende behandeling niet ter zitting behoeft te verschijnen, vormt evenmin een aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter. Dat verzoeker en zijn gemachtigde tot op heden niet het proces-verbaal van die zitting hebben ontvangen, valt terug te voeren op artikel 290, lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarin is bepaald dat de griffier zo spoedig mogelijk een afschrift van het proces-verbaal verstrekt aan de verzoeker (in casu het Leger des Heils Jeugdzorg & Reclassering) en de verschenen belanghebbenden. Verzoeker noch zijn gemachtigde waren ter zitting van 25 januari 2007 verschenen. Dit alles doet er niet aan af dat verzoeker alsnog om afgifte van het proces-verbaal van die zitting kan verzoeken. Bovendien ligt voor de hand dat de rechter in het vervolg van de procedure, bij verschijnen van verzoeker op een vervolg-zitting, aan hem mededeling zal doen omtrent hetgeen er op de eerdere zitting is verhandeld en dat verzoeker gelegenheid zal worden geboden daarop te reageren.

3.6

Voor zover het wrakingsverzoek is gegrond op de onverenigbaarheid van door de rechter beklede nevenfuncties met haar hoedanigheid van behandelend rechter in de onderhavige procedure, stelt de rechtbank vast dat deze argumenten eerst ter zitting van de wrakingskamer van 12 maart 2007 zijn aangevoerd en uitvoerig zijn toegelicht. Dit is in strijd met artikel 37, lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarin is voorgeschreven dat alle feiten en omstandigheden, op grond waarvan volgens verzoeker de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, tegelijk moeten worden voorgedragen. Deze argumenten zullen derhalve buiten beschouwing worden gelaten. Overigens merkt de rechtbank op dat de van de zijde van verzoeker gestelde nevenfuncties van de rechter (voorzitterschap van klachtencommissie van de raad voor de kinderbescherming, lid van werkgroepen welke samenwerken met de raad voor de kinderbescherming, voorzitterschap van de Vereniging voor Familie- en Jeugdrecht) niet zijn opgenomen in het register van nevenfuncties van rechters op www.rechtspraak.nl, terwijl niet is gesteld of gebleken dat dit register niet correct of niet volledig is.

3.7

Op grond van het vorenstaande is de wraking ongegrond. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

4. De beslissing

wijst het verzoek tot wraking van [rechter] af.

Deze beslissing is gegeven op 26 maart 2007 door mr. M.J.A.M. Ahsmann, voorzitter,

mr. L.A.C. van Nifterick en mr. D.C.J. Peeck, rechters.

Deze beslissing is door de voorzitter uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.