Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA3244

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
18-04-2007
Zaaknummer
242700 / HA ZA 05-2090
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opdracht tot verzorgen aangiften documentair douanevervoer. Opdrachtgever is op grond van artikel 7:406 lid 2 BW aansprakelijk voor schade die voortvloeit uit de niet- zuivering van T1-documenten, nu opdracht is beperkt tot opmaken van vier T1-documenten tegen geringe vergoeding. Rechtbank bevoegd (artikel 1021 BW vereist dat overeenkomst tot arbitrage met een geschrift wordt bewezen); Fenex-voorwaarden niet toepasselijk (niet op grond van verwijzing in eerdere correspondentie en niet krachtens gewoonterecht dan wel als gebruikelijk bestendig beding); buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar (nu gevorderde kosten niet zien op verrichtingen die meeromvattend zijn van verrichtingen waarvoor artt. 237-240 Rv een vergoeding pleegt in te sluiten); wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW niet toewijsbaar (nu vordering in feite strekt tot betaling bij wijze van schadeloosstelling).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2008, 15
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 242700 / HA ZA 05-2090

Uitspraak: 21 maart 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

POMPA B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. F. Askvig te Rotterdam,

- tegen -

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MTC Havenservice en Koeriersdiensten B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. R.W.F. Heijmeriks,

advocaat mr. A.P.E. de Brouwer.

Partijen worden hierna aangeduid als "Pompa" respectievelijk "MTC".

1 Procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in het griffiedossier. Uit die stukken blijkt het procesverloop.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Pompa heeft in opdracht van MTC in de periode van 22 april 2004 tot omstreeks 16 juni 2004 vier aangiften voor communautair douanevervoer - van containers met diverse goederen van Rotterdam naar Nijmegen - opgemaakt, hetgeen leidde tot afgifte van vier T1-documenten (met de aanduiding 04NL56622802007680, 04NL56651102569745, 04NL56651102570048, 04NL56622804095259; hierna ook aan te duiden als: T1-document 80, 45, 48 en 59) door het douanekantoor waar de bij de T1-documenten behorende goederen zijn binnengekomen, het zgn. douanekantoor van vertrek.

2.2

Deze T1-documenten zijn niet gezuiverd, dat wil zeggen dat het douanekantoor van vertrek ten aanzien van de hiervoor bedoelde T1-documenten geen (tijdige) terugmelding van het kantoor van bestemming heeft ontvangen, zodat de goederen worden aangemerkt als te zijn onttrokken aan douanetoezicht, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat de bij invoer verschuldigde belastingen, van de aangever (dat is degene die de aangiften heeft gedaan, in dit geval Pompa), worden geheven.

2.3

Ten aanzien van T1-document 80 ontving Pompa op 17 maart 2005 een uitnodiging tot betaling (hierna: UTB) van de Belastingdienst, waarin een bedrag van € 28.825,61 van Pompa werd gevorderd. Pompa heeft dit bedrag bij factuur d.d. 17 maart 2005 in rekening gebracht bij MTC. Pompa heeft die belastingaanslag vervolgens op 22 maart 2005 betaald. Pompa heeft tegen deze UTB aanvankelijk zelf bezwaar gemaakt bij brief van 29 maart 2005; Blokland Custom Services B.V. (hierna: Blokland), dat is één van de (indirecte) opdrachtgevers van MTC, heeft het bezwaar - op verzoek van MTC en met machtiging van Pompa - verder afgewikkeld. Bij uitspraak van 14 september 2005 is het bezwaar gegrond verklaard, waarna op 21 september 2005 het hiervoor bedoelde bedrag van € 28.825,61 door de Belastingdienst aan Pompa is terugbetaald.

2.4

Ten aanzien van T1-documenten 45 en 48 ontving Pompa op 24 maart 2005 een UTB voor een bedrag van € 33.248,64 en één voor een bedrag van € 54.919,69. Pompa heeft die bedragen bij factuur d.d. 24 maart 2005 bij MTC in rekening gebracht. Pompa heeft voormelde aanslagen vervolgens op 13 april 2005 voldaan. Bij beschikkingen d.d.

30 augustus 2005 zijn op (het door MTC ingestelde) bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard. Vervolgens zijn voormelde bedragen gedeeltelijk, op

€ 5.434,94 na, op 3 september 2005 door de Belastingdienst aan Pompa gerestitueerd.

2.5

Ten aanzien van T1-document 59 ontving Pompa op 28 april 2005 een UTB voor een bedrag van € 17.895,81. Pompa heeft voornoemd bedrag bij factuur d.d. 28 april 2005 in rekening bij MTC gebracht. Pompa heeft vervolgens de belastingaanslag op 10 mei 2005 voldaan. Het door Blokland gemaakte bezwaar werd bij beslissing d.d. 5 september 2005 gegrond verklaard, waarna het volledig door Pompa voldane bedrag ad € 17.895,81 op

14 september 2005 door de Belastingdienst aan Pompa werd gerestitueerd.

2.6

Voorafgaand aan de ontvangst van voornoemde UTB’s heeft Pompa op 23 juli 2004,

5 augustus 2004 en 2 september 2004 van de Belastingdienst een schriftelijke ‘mededeling niet beëindiging regeling douanevervoer T’ ontvangen, waarin om bewijsstukken werd verzocht teneinde aan te tonen dat de regeling op regelmatige wijze was beëindigd.

3 De vordering

De gewijzigde vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad MTC te veroordelen tot betaling van € 22.171,74, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 5.434,94 vanaf de vervaldata van de facturen, althans vanaf de dag van ingebrekestelling, althans vanaf de dag der dagvaarding,

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Pompa aan de gewijzigde vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1

Pompa maakt aanspraak op betaling van € 5.434,94, zijnde het - onder 2.4 bedoelde - door Pompa ten gevolge van de niet-zuivering van T1-documenten 45 en 48 aan de Belastingdienst voldane bedrag, dat na bezwaar door de Belastingdienst/Douane niet aan Pompa is gerestitueerd. Dit bedrag dient MTC aan Pompa te voldoen,

- primair op grond van artikel 11 jo 17 lid 6 van te ten dezen toepasselijke Fenexvoorwaarden, dan wel

- subsidiair - indien de Fenex-condities niet toepasselijk zijn - op grond van artikel 7:406 lid 2 BW, nu het opleggen van naheffingen en bestuurlijke boetes dient te worden aangemerkt als een niet aan Pompa toe te rekenen verwezenlijking van een aan de opdracht tot aangifte verbonden bijzonder gevaar.

3.2

Pompa maakt voorts aanspraak op:

- € 2.244,95 aan de wettelijke rente ex artikel 6:119 a BW dan wel ex artikel 6:119 BW over de door de Belastingdienst gerestitueerde bedragen; berekend vanaf de vervaldata van de oorspronkelijke (onder 2.3 tot en met 2.5 bedoelde) facturen tot de datum van terugbetaling door de Belastingdienst;

- de wettelijke rente over de resterende hoofdsom ad € 5.434,94 vanaf de vervaldatum van de betreffende (onder 2.5 bedoelde) factuur tot de dag der algehele voldoening;

- € 16.736,80 aan advocaat-, deurwaarders-, en gerechtelijke kosten, althans een door de rechtbank conform de door haar gehanteerde tarieven vast te stellen bedrag.

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Pompa bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding.

MTC heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

(a) de rechtbank is ingevolge artikel 23 van de Fenex-condities niet bevoegd van de onderhavige vordering kennis te nemen;

(b) de Fenex-condities zijn niet van toepassing;

(c) voor zover de artikelen 7:400 BW e.v. van toepassing zijn tussen partijen, heeft Pompa in strijd met artikel 7:401 BW gehandeld door alle belastingaanslagen meteen na ontvangst te voldoen zonder (pro forma) bezwaar te maken dan wel uitstel van betaling te verzoeken; Pompa heeft haar schade niet beperkt;

(d) verschuldigdheid van de verminderde hoofdsom ad € 5.434,94 wordt betwist, nu niet bekend is waarom dit bedrag niet door de fiscus is gerestitueerd;

(e) verschuldigdheid van de gevorderde kosten en rente wordt betwist.

5 De beoordeling

Bevoegdheid

5.1

MTC heeft de absolute bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam betwist op grond van het feit dat arbitrage zou zijn overeengekomen. Pompa heeft dat weersproken. Nu niet in geschil is dat de opdrachten van MTC aan Pompa mondeling zijn verstrekt, is, wat er ook zij van de toepasselijkheid van de Fenex-condities, niet voldaan aan artikel 1021 Rv, dat vereist dat de overeenkomst tot arbitrage met een geschrift wordt bewezen. Derhalve is geen sprake van een rechtsgeldige arbitrageovereenkomst en wordt voormeld verweer verworpen.

Fenex-voorwaarden toepasselijk?

5.2

Ter onderbouwing van haar stelling dat op de onderhavige werkzaamheden de Fenex-condities van toepassing zijn, heeft Pompa in de eerste plaats aangevoerd dat partijen vaker zaken met elkaar deden en dat in correspondentie van vóór het onderhavige geschil naar de Fenex-condities werd verwezen, zodat MTC wist of had moeten weten dat Pompa voor al haar werkzaamheden de Fenex-condities van toepassing wenste te verklaren.

5.3

Deze stelling faalt op grond van de volgende overwegingen. Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomsten op grond waarvan Pompa de onder 2.1 bedoelde werkzaamheden in opdracht van MTC heeft verricht mondeling tot stand zijn gekomen en dat daarbij (de toepasselijkheid van) de Fenex-condities niet ter sprake zijn (is) gekomen. De door Pompa na de totstandkoming van de overeenkomsten aan MTC verzonden facturen bevatten geen verwijzing naar de Fenex-condities en dat geldt, naar de directeur van Pompa ter comparitie heeft verklaard, tevens voor alle daaraan voorafgaande facturen die Pompa in het kader van de tussen Pompa en MTC sinds 2004 bestaande zakelijke relatie heeft verzonden. Pompa heeft weliswaar een tweetal door haar aan “MTC” verzonden faxen d.d. 24 februari 2004 en 11 mei 2004 overgelegd, waarop een verwijzing naar de Fenex-condities is opgenomen, maar de rechtbank is van oordeel dat die verwijzingen onvoldoende gewicht in de schaal leggen om in dit geschil tot toepasselijkheid van de Fenex-condities te besluiten, omdat die faxen betrekking hebben op door Pompa aan “MTC” verstrekte transportopdrachten, terwijl het in dit geschil gaat om de vraag of die voorwaarden van toepassing zijn op door MTC aan Pompa verstrekte opdrachten tot het aangeven van communautair douanevervoer. Daar komt dan nog bij dat MTC gemotiveerd heeft aangevoerd dat bedoelde faxberichten niet aan haar zijn gericht, maar aan haar dochtermaatschappij MTC Transport B.V.

Pompa heeft nog een beroep gedaan op de passage in de brief d.d. 17 mei 2005 die MTC aan haar opdrachtgever CTN heeft geschreven en die luidt “wij maken aanspraak op het ons krachtens art 18 lid 2 Fenex-voorwaarden toekomende recht het bedrag der vordering te verhogen met 10% administratiekosten”. Dit betreft echter een passage in correspondentie niet tussen partijen, maar tussen MTC en haar opdrachtgever CTN. Bovendien stemt deze passage woordelijk overeen met de passage in de brief d.d. 13 mei 2005 waarin Pompa MTC aansprakelijk heeft gesteld. De rechtbank acht aannemelijk dat het is gegaan zoals MTC hierover ter comparitie heeft verklaard, namelijk dat zij gemakshalve deze passage uit de brief van Pompa aan haar heeft gekopieerd in haar brief aan CTN. Hieruit volgt dan niet dat MTC zelf de Fenex-condities hanteert.

5.4

Pompa heeft voorts aangevoerd dat de Fenex-condities krachtens gewoonte dan wel als bestendig gebruikelijk beding van toepassing zijn. Voor zover Pompa bedoeld heeft te stellen dat de Fenex-condities en meer bepaald de artikelen 11 jo. 17 lid 6 daarvan, waarop zij haar vordering heeft gebaseerd, voorschriften en/of gedragslijnen bevatten die in de kring waarin Pompa en MTC werkzaam zijn, met betrekking tot soortgelijke overeenkomsten als Pompa en MTC hebben gesloten, zodanig algemeen en voortdurend worden gevolgd, dat sprake is van regels van gewoonterecht waaraan men zich heeft te houden, tenzij partijen van het tegendeel hebben doen blijken, verwerpt de rechtbank deze stelling op de grond dat Pompa haar onvoldoende met concrete gegevens heeft onderbouwd. Voor zover Pompa zich erop beroept dat de Fenex-condities bestendig gebruikelijk zijn, wordt vooropgesteld dat voor het slagen van dit beroep in ieder geval vereist is dat Pompa feiten of omstandigheden stelt waaruit voortvloeit dat MTC wist of had behoren te begrijpen dat als MTC geen bezwaar zou maken tegen de toepasselijkheid van de Fenex-voorwaarden of althans daaromtrent zou zwijgen, de Fenex-voorwaarden als bestendig gebruikelijk van toepassing zouden zijn. Uit de onder 5.3 besproken feiten en omstandigheden volgt niet dat dit het geval is geweest. Ook de enkele omstandigheid dat de Fenex-voorwaarden in de expeditiebranche veelvuldig worden gehanteerd, brengt nog niet mee dat deze in de relatie tussen Pompa en MTC als bestendig gebruikelijk hebben te gelden. In dit verband is nog van belang dat MTC ter gelegenheid van de comparitie onweersproken heeft verklaard dat zij ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten niet met de Fenex-voorwaarden bekend was, dat MTC geen expeditiewerkzaamheden pleegt te verrichten en eigenlijk vooral een koeriersdienst onderhoudt (vervoer van pakketten en documenten, zoals cognossementen). Voor het overige heeft Pompa onvoldoende feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, meebrengen dat de Fenex-voorwaarden tussen partijen als bestendig gebruikelijk hebben te gelden.

Artikel 7:406 lid 2 BW

5.5

Het beroep van Pompa op artikel 7:406 BW slaagt daarentegen wel. In het tweede lid van voornoemd artikel is (onder meer) bepaald dat de opdrachtgever aan de opdrachtnemer de schade moet vergoeden die deze lijdt ten gevolge van de hem niet toe te rekenen verwezenlijking van een aan de opdracht verbonden bijzonder gevaar, voorzover - in het geval de opdrachtnemer in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf heeft gehandeld - dat gevaar de risico’s welke de uitoefening van het beroep of bedrijf van de opdrachtnemer naar zijn aard meebrengt, te buiten gaat.

5.6

Niet in geschil is dat Pompa bij het in opdracht van MTC opmaken van de T1-documenten, heeft gehandeld in de uitoefening van haar beroep of bedrijf. In algemene zin is aan de opdracht om een T1-document op te maken het bijzondere gevaar van niet-zuivering van dat document verbonden. De opdracht zelf schept dat gevaar, dat voor de opdrachtnemer groter is naarmate de afstand tussen hem en de daadwerkelijke uitvoering van of betrokkenheid bij het vervoeren of doen vervoeren van de goederen groter is. Indien de opdrachtnemer zelf het vervoer uitvoert of doet uitvoeren waarvoor hij tevens een T1-document heeft opgemaakt kan wellicht gezegd worden dat het risico van niet-zuivering door hemzelf moet worden gedragen omdat het deel uitmaakt van het grotere geheel. Evenwel is de onderhavige opdracht aan Pompa beperkt gebleven tot het opmaken van vier T1-documenten. Pompa kan niet geacht worden met het genoemd gevaar rekening te hebben gehouden bij de vaststelling van het door haar in rekening gebrachte loon, dat - zoals uit de overgelegde producties valt af te leiden - € 10,- à € 20,- per document bedroeg. Deze vergoeding staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet in verhouding tot het risico dat Pompa als opdrachtnemer loopt. Daarmee doet zich, nu gesteld noch gebleken is dat de niet-tijdige zuivering van de documenten aan Pompa valt toe te rekenen, de onder 5.7, tweede volzin, bedoelde situatie voor. Dientengevolge is MTC gehouden de door Pompa geleden schade, voor zover die het gevolg is van de verwezenlijking van het daar bedoelde bijzondere gevaar, te vergoeden.

5.7

Nu vaststaat dat € 5.434,94 niet is gerestitueerd, kan in het midden blijven om welke reden dat bedrag niet is gerestitueerd. Het risico daarvan ligt immers niet bij Pompa maar bij MTC.

Voorts heeft MTC ten verweer gevoerd dat artikel 7:406 BW Pompa niet ontslaat van haar plicht haar schade te beperken; Pompa zou hebben nagelaten tijdig (pro forma) bezwaar te maken, tijdig MTC of de door haar aangewezen partijen te machtigen dan wel uitstel van betaling te verzoeken. Zij zou voorts de ingevolge artikel 7:401 BW op haar rustende zorgplicht hebben geschonden.

Dit door MTC gemaakte verwijt gaat niet op. Pompa heeft onweersproken gesteld dat zij telkens enkele dagen na ontvangst van ieder van de onder 2.6 bedoelde ‘mededelingen niet beëindiging regeling douanevervoer T’ MTC tevergeefs aanschreef met het verzoek om verschaffing van bewijsstukken. Tevens bleef een reactie van MTC uit toen Pompa MTC ten aanzien van alle vier de onderhavige T1-documenten nogmaals op 9 december 2004 aanschreef. Voorts heeft Pompa ter zitting onweersproken verklaard dat in de UTB’s vermelde bedragen door de Belastingdienst onder de door Pompa gestelde borgsom werden geïncasseerd, nog voor zij aangifte kon doen. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat Pompa haar schadevergoedingsplicht heeft verzaakt.

MTC heeft voorts ten verweer gevoerd dat Pompa haar - in artikel 7:401 BW neergelegde - zorgplicht heeft geschonden. MTC heeft echter onvoldoende concrete en specifieke feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot de conclusie zouden kunnen leiden dat sprake was van schending van de in artikel 7:401 BW neergelegde zorgplicht, zodat ook dat verweer faalt.

Omvang van de schade

5.8

De door MTC aan Pompa te vergoeden schade bestaat in de eerste plaats uit het bedrag dat Pompa aan de Belastingdienst heeft betaald, voor zover dat na bezwaar niet aan Pompa is gerestitueerd. De verminderde hoofdsom ad € 5.434,94 is dan ook toewijsbaar.

Kosten

5.9

Pompa heeft daarnaast (uiteindelijk) een bedrag van € 16.736,80 aan advocaat-, deurwaarders- en gerechtelijke kosten gevorderd. Deze - overigens gemotiveerd betwiste - vordering zal worden afgewezen, nu niet is gesteld, en evenmin uit de door Pompa overgelegde stukken is gebleken, dat de gevorderde kosten zien op verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De door Pompa overgelegde producties betreffen met name advocaatkosten die na de dag der dagvaarding (8 juli 2005) zijn gemaakt; daaruit blijkt niet van een (voor de dag der dagvaarding verzonden) brief aan de wederpartij teneinde te trachten de zaak in der minne te regelen dan wel de procedure te voorkomen, en evenmin van een verstuurde sommatie van vóór de datum der dagvaarding.

Rente

5.10

Pompa heeft haar vordering tot betaling van wettelijke rente over de door haar aan de Belastingdienst betaalde bedragen primair op artikel 6:119 a BW gegrond. De tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht kan als een handelsovereenkomst worden gekwalificeerd. Echter, zoals MTC terecht aanvoert, vordert Pompa in de onderhavige procedure niet de betaling van de overeengekomen wederprestatie (dus van een primaire verplichting) van de tussen partijen gesloten handelsovereenkomst, maar vordert zij vergoeding van schade (uit hoofde van artikel 7:406 lid 2 BW). De vordering strekt in feite tot betaling bij wijze van schadeloosstelling. Artikel 6:119a BW heeft daarop geen betrekking.

5.11

Zoals uit hetgeen hiervoor onder 5.6 is overwogen voortvloeit, moet de gevorderde hoofdsom worden aangemerkt als schade in de zin van artikel 7:406 lid 2 BW. De vordering tot vergoeding van die schade is opeisbaar op het moment waarop die schade geleden is. De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW is in dit geval verschuldigd vanaf het moment waarop Pompa de door de Belastingdienst gevorderde bedragen heeft voldaan, tot het moment waarop deze zijn gerestitueerd dan wel - ten aanzien van de gevorderde hoofdsom - tot de dag der voldoening. Dit betekent dat de wettelijke rente toewijsbaar is als volgt:

- ten aanzien van T1-document 80: over € 28.825,61 vanaf 22 maart 2005 tot 21 september 2005;

- ten aanzien van T1-document 45: over € 30.689,72 vanaf 13 april 2005 tot 3 september 2005 en over € 2.558,92 vanaf 13 april 2005 tot de dag der algehele voldoening;

- ten aanzien van T1-document 48: over € 52.043,66 vanaf 13 april 2005 tot 3 september 2005 en over € 2.876,03 vanaf 13 april 2005 tot de dag der algehele voldoening;

- ten aanzien van T1-document 59: over € 17.895,81 vanaf 10 mei 2005 tot 14 september 2005.

Proceskostenveroordeling

5.12

MTC wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

6 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt MTC om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Pompa te betalen het bedrag van € 5.434,94 vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW over € 28.825,61 vanaf 22 maart 2005 tot 21 september 2005, over € 30.689,72 vanaf 13 april 2005 tot 3 september 2005, over € 2.558,92 vanaf 13 april 2005 tot de dag der algehele voldoening, over € 52.043,66 vanaf 13 april 2005 tot 3 september 2005, over € 2.876,03 vanaf 13 april 2005 tot de dag der algehele voldoening en over € 17.895,81 vanaf 10 mei 2005 tot 14 september 2005;

veroordeelt MTC in de proceskosten, die van de beslagen daaronder begrepen, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Pompa bepaald op € 3.325,- aan vast recht, op € 862,08 aan overige verschotten en op € 1.728,- aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis voorzover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A. van de Laarschot.

Uitgesproken in het openbaar.

1848/559