Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA1304

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
265557 / HA ZA 06-2005
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een 10-jarige brugklasleerling komt tijdens de gymles ten val bij sprong over bok en loopt letsel op. Aan de orde is de vraag of er bij de bewuste gymnastiekles voldoende en passende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen ter voorkoming of beperking van het risico van een ongeval en de gevolgen daarvan. De rechtbank acht in dat verband een deskundigenbericht noodzakelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 265557 / HA ZA 06-2005

Uitspraak: 7 maart 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[vertegenwoordiger]

in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van

[kind],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

procureur mr. A.W.M. Roozeboom,

- tegen -

de publiekrechtelijke rechtspersoon DE GEMEENTE SCHIEDAM,

zetelende te Schiedam,

gedaagde,

procureur mr. H.E. Schweers,

advocaat mr. T.J.J. van Dijk te Den Haag.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiser]” respectievelijk “de gemeente”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 13 juli 2006 en de door [eiser] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 27 september 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- de bij brief van 8 november 2006 door mr. T.J.J. van Dijk ten behoeve van de comparitie overgelegde producties;

- de bij brieven van 21, 24 en 29 november 2006 door mr. A.W.M. Roozeboom ten behoeve van de comparitie overgelegde producties;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 6 december 2006.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1 Op 11 februari 2005 nam de destijds 1[kind]ige [kind] (hierna: [kind]) in de 1e klas op het Stedelijk Gymnasium te Schiedam deel aan de gymnastiekles, gegeven door de docente lichamelijke opvoeding [docente]

2.2 Tijdens deze gymnastiekles is [kind] bij het onderdeel bokspringen ten val gekomen. Hij is daarbij geblesseerd geraakt aan zijn rechterknie en heeft een zogeheten eminentiafractuur opgelopen die met gips is behandeld. De kniefunctie is inmiddels weer normaal.

2.3 Het Stedelijk Gymnasium (hierna: de school) wordt geëxploiteerd door de gemeente.

3 De vordering

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht te verklaren dat de gemeente aansprakelijk is voor het ongeval op 11 februari 2005;

II. de gemeente te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.824,48 aan materiële schade en een bedrag van € 2.723,00 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 februari 2005;

III. de gemeente te veroordelen tot vergoeding van alle schade die [eiser] tengevolge van het ongeval heeft geleden en nog zal lijden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 februari 2005;

IV. de gemeente te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

V. de gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft [eiser] aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

3.1 Er diende in een spreidstand over de bok gesprongen te worden. Achter de bok lagen twee matten en elke springende leerling zou worden opgevangen door twee medeleerlingen (zogeheten vangers) die achter de bok stonden opgesteld. Tijdens de sprong van [kind] stond de bok verkeerd. Dit heeft de docente na de val tegenover hem verklaard. Daarnaast is [kind] bij zijn sprong niet opgevangen door de vangers, waardoor hij over de bok heenschoot en op zijn rechterknie is gevallen.

3.2 De gemeente is, als exploitant van de school, aansprakelijk voor het ongeval nu de school is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht.

Door het inzetten van medeleerlingen als vangers heeft de school de primaire veiligheidsmaatregelen in handen van 12- en 13-jarige kinderen gelegd, hetgeen zich niet verhoudt tot de hoge eisen die bij dit soort oefeningen aan de te treffen voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen moeten worden gesteld. Bovendien waren de getroffen voorzorgs- en veiligheidsmaatregelen afgestemd op de leeftijdsgroep van 12- en 13 jarigen. [kind], die op de basisschool twee klassen heeft overgeslagen, was ten tijde van het ongeval 10 jaar oud en kleiner dan zijn klasgenoten. De school had in het specifieke geval van [kind] aanvullende maatregelen moeten treffen, bijvoorbeeld extra aandacht van de docente of een aangepast niveau van de gymnastiekles bij risicovolle oefeningen.

Daarnaast heeft de docente het opstellen van de gymtoestellen overgelaten aan 12- en 13-jarige kinderen en heeft zij nagelaten te controleren of de bok op de juiste wijze was neergezet.

3.3 [kind] heeft door het ongeval een gebroken plateau in zijn rechterknie opgelopen waardoor de aanhechting van de kruisbanden was beschadigd. Van 11 februari tot 29 april 2005 heeft zijn rechterbeen in het gips gezeten en mocht het been op geen enkele manier belast worden.

3.4 Tengevolge van het ongeval lijden de ouders/verzorgers van [kind] en [kind] zelf

schade. Door het ongeval heeft [kind] lessen gemist en moest hij eerst per rolstoeltaxi en later per auto naar/van school worden gebracht/gehaald.

De materiële schade bedraagt in totaal € 7.824,48 en bestaat uit de volgende posten.

- Gedurende vier weken is [kind] per rolstoeltaxi naar/van school gebracht/gehaald.

De kosten hiervan bedragen € 1.462,00 (17 dagen x € 86,00).

- Aangezien de kosten van de rolstoeltaxi niet door de verzekering werden gedekt, hebben de ouders/verzorgers per 1 april [kind] zelf met de auto naar/van school gebracht/gehaald. De hiermee verband houdende kosten bedragen € 1.052,48 (52 dagen x 92 km x

€ 0,22 per km).

- [kind] heeft enkele speciale broeken moet aanschaffen in verband met zijn been dat in het gips zat. De hiermee verband houdende kosten bedragen € 90,00.

- De ouders/verzorgers van [kind] hebben een eigen bedrijf. In verband met het vervoer van [kind] hebben zij extra vrije dagen moeten nemen en inkomsten misgelopen. Het gaat om een bedrag van € 1.170,00 (26 uur x € 45,00). Daarnaast hebben zij ook vrij moeten nemen voor ziekenhuisbezoek, gesprekken met de gemeente etc. Dit betreft een bedrag van

€ 4.050,00 (90 uur x € 45,00).

De immateriële schade bedraagt € 2.723,00, waarbij aansluiting is gezocht bij een uitspraak van de Rechtbank Utrecht van 15 november 2000 (Smartengeldgids 2003 nummer 38).

4 Het verweer

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad van eiser in de kosten van het geding.

De gemeente heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 [kind] is na zijn sprong over de bok opgevangen door de twee vangers. Pas nadat [kind] op de mat was geland, hebben de vangers hem losgelaten. Hij is vervolgens gestruikeld waarbij hij zich heeft geblesseerd.

4.2 De school heeft de vereiste voorzorgsmaatregelen getroffen. Het springen over de bok is een gebruikelijke oefening waaraan geen bijzondere gevaren zijn verbonden. Het is geen oefening waarbij ernstig letsel is te verwachten, zodat er ook geen bijzondere (veiligheids)maatregelen getroffen hoeven te worden. Voorafgaand aan de gymnastiekles op 11 februari 2005 hadden de leerlingen van de 1e klas, zo ook [kind], ervaring met deze oefening opgedaan. Zowel het springen over de bok als het vangen was reeds gedurende vier lessen uitgelegd en uitgebreid geoefend. Achter de bok waren twee matten geplaatst en er waren steeds twee vangers aanwezig om degene die over de bok springt op te vangen. Er was dus voldoende valbescherming aanwezig. Verder werd er continue toezicht gehouden door de docente. De omstandigheid dat medeleerlingen als vangers fungeren is algemeen gebruikelijk en niet onzorgvuldig nu alle leerlingen goed waren geïnstrueerd en de docente toezicht hield.

4.3 De gemeente betwist dat [kind] en zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) enige vorderbare schade hebben geleden. Indien er al een indicatie zou zijn voor vervoer per rolstoeltaxi, had [eiser] aanspraak kunnen maken op een vergoeding via de WVG. De gemeente betwist voorts dat [kind] gedurende 52 dagen als gevolg van de val met de auto vervoerd moest worden. De door de wettelijk vertegenwoordigers van [kind] gemiste inkomsten in verband met de tijd die zij hebben besteed aan vervoer, ziekenhuisbezoek en gesprekken met de gemeente, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Het gaat namelijk niet om taken die anders door professionele hulpverleners verricht zouden moeten worden.

Ook de gevorderde immateriële schade moet worden afgewezen nu geen sprake is geweest van enig noemenswaardig letsel.

4.4 De gemeente betwist de verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten.

4.5 In het geval aansprakelijkheid van de gemeente moet worden aangenomen, dient de schade in deze procedure vastgesteld te worden en kan verwijzing naar de schadestaatprocedure niet aan de orde zijn, nu niet is gesteld dat er nog meer of andere schade is geleden dan wel dat in de toekomst nog meer of andere schade zal worden geleden.

5 De beoordeling

5.1 In geschil is of de gemeente, als exploitant van de school, aansprakelijk is voor de schade die [kind], zijn moeder en stiefvader als gevolg van diens val bij het bokspringen op 11 februari 2005 stellen te hebben geleden. Daarbij heeft [eiser] aan haar vordering ten grondslag gelegd dat de school jegens [kind] is tekortgeschoten in de op haar rustende zorgplicht door - kort samengevat - 12- en 13-jarige medeleerlingen bij het bokspringen in te zetten als vangers, de getroffen veiligheidsmaatregelen af te stemmen op de leeftijdsgroep van 12- en 13-jarigen terwijl [kind] 10 jaar oud was en door het opstellen van de bok over te laten aan deze leeftijdsgroep.

5.2 De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om letsel dat is ontstaan bij een gymnastiekoefening onder leiding van een door de school aangestelde (kennelijk ook gekwalificeerde) docente lichamelijke opvoeding, waarbij de te beantwoorden vraag is of deze docente bij het leiding geven en de school bij haar aanstelling gelet op alle omstandigheden van het geval, zijn tekortgeschoten in de zorg die van hen jegens de leerlingen van de gymnastiekoefening kan worden gevergd. Met name komt het aan op de vraag of er bij de bewuste gymnastiekles voldoende en passende voorzorgsmaatregelen zijn getroffen ter voorkoming of beperking van het risico van een ongeval en de gevolgen daarvan. Enerzijds moeten in een gymlessituatie in de brugklas van een middelbare school diverse onderdelen van het turnen zinvol geoefend kunnen worden, anderzijds mag van de betrokken docent worden verwacht dat deze de onvermijdelijk aan deze oefeningen verbonden risico’s op een professionele wijze minimaliseert.

5.3 Voor de beantwoording van de onder 5.2 vermelde vraag, heeft de rechtbank behoefte aan voorlichting door een onafhankelijk deskundige. Gelet op de aan de deskundige voor te leggen vraagstelling, zoals deze hierna nog aan de orde komt, kan de rechtbank zich voorstellen dat als deskundige zou kunnen fungeren een aan een Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO) verbonden docent turnen.

5.4 Partijen twisten verder over de feitelijke toedracht van de val. [eiser] stelt dat de val is veroorzaakt doordat [kind] bij zijn sprong niet is opgevangen door de twee medeleerlingen (vangers) die achter de bok stonden opgesteld in combinatie met een verkeerd opgestelde bok. De gemeente stelt daarentegen dat [kind] wel degelijk is opgevangen door deze vangers en pas nadat hij op de mat was geland is gestruikeld. Ook stelt de gemeente dat een bok niet verkeerd kan staan (hij staat in de breedte of in de lengte).

De rechtbank acht het praktisch om eerst het oordeel van de deskundige af te wachten alvorens te bezien of het nodig is om ten aanzien van deze toedracht (en eventuele andere feiten) over te gaan tot nadere bewijsvoering. De deskundige zal worden gevraagd om in het onderzoeksrapport aan te geven of en zo ja, in hoeverre, deze ter discussie staande feiten bij zijn oordeel een rol spelen.

5.5 De rechtbank stelt voor, mede in aanmerking nemend hetgeen hiervoor is overwogen, om in ieder geval de volgende vragen aan de deskundige te stellen:

1. Heeft de gymnastiekdocente bij de inrichting en uitvoering van de gymnastiekles op 11 februari 2005 voldoende en passende voorzorgsmaatregelen getroffen ter voorkoming of beperking van het risico van een ongeval en de gevolgen daarvan?

Wilt u bij de beantwoording van deze vraag in ieder geval ingaan op de volgende aspecten:

- de inzet van 12- en 13-jarige medeleerlingen als vangers;

- het laten opstellen van de gymtoestellen (waaronder de bok) door 12- en 13-jarige leerlingen.

2. Had de gymnastiekdocente in het specifieke geval van [kind], gelet op diens leeftijd en lengte, bij het oefenen van het onderdeel bokspringen aanvullende voorzorgs- en/of veiligheidsmaatregelen moeten treffen? Indien ja, waaruit zouden deze aanvullende voorzorgs- en/of veiligheidsmaatregelen dan moeten hebben bestaan?

3. Maakt het voor de beantwoording van de onder 1 vermelde vraag uit en zo ja, in

hoeverre, of:

- [kind] al dan niet door de vangers is opgevangen;

- [kind] mogelijk pas nadat hij is opgevangen is gestruikeld;

- de bok mogelijk verkeerd heeft gestaan.

4. Zijn er nog andere feiten waarover tussen partijen discussie bestaat, die van belang zijn voor het eindoordeel van de deskundige, en zo ja, welke zijn dat?

5. Welke omstandigheden zijn naar het oordeel van de deskundige verder van belang, ten behoeve van de door de rechtbank te nemen beslissing?

5.6 De rechtbank stelt partijen in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten over het voorstel van de rechtbank ten aanzien van de aan de deskundige voor te leggen vragen

en over eventueel aanvullende vragen, alsmede over het vakgebied en de persoon van de te benoemen deskundige. Het verdient de voorkeur dat partijen dienaangaande met een eensluidend voorstel komen. Verder zij opgemerkt dat in verband met het bepaalde in artikel 195, derde volzin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter zake van het deskundigenonderzoek ten laste van [eiser] geen voorschot zal worden opgelegd.

5.7 In afwachting van de uitkomsten van een te gelasten deskundigenonderzoek houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

6 De beslissing

De rechtbank,

alvorens verder te beslissen,

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 4 april 2007 voor het nemen van een akte als bedoeld in rechtsoverweging 5.6, eerst aan de zijde van [eiser].

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Hoendervoogt.

Uitgesproken in het openbaar.

798