Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA1294

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-03-2007
Datum publicatie
22-03-2007
Zaaknummer
250717 /HA ZA 05-3365
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijkse voorwaarden; koude uitsluiting. Vergoedingsrecht of voldoening aan een natuurlijke verbintenis?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 121
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2007/202
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer : 250717 /HA ZA 05-3365

Uitspraak: 14 maart 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. P.H.C.M. van Swaaij,

advocaat mr. W. Römelingh te ‘s-Gravenhage,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te [plaats],

gedaagde,

procureur mr. A. Konijnenburg-de Heer.

Partijen worden hierna aangeduid als "de man" respectievelijk "de vrouw".

1 Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 22 november 2005 en de door de man overgelegde producties;

- conclusie van antwoord;

- vonnis d.d. 12 april 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 19 juli 2006;

- akte na comparitie aan de zijde van de man, met producties;

- akte na comparitie aan de zijde van de vrouw, met producties.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:

2.1

Partijen zijn op 7 augustus 1981 op huwelijkse voorwaarden gehuwd, welk huwelijk op

27 januari 2004 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van 22 september 2003 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2

Partijen waren met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd, zonder verrekenbeding.

2.3

De voormalige echtelijke woning (verder te noemen de woning) aan de [straat] te [plaats] staat op naam van beide partijen.

3 De vordering

De vorderingen luiden - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- te bepalen dat van de netto-opbrengst van de verkoop van de woning de eerste € 100.000,= althans ƒ 219.000,= aan te man toevallen;

- de man te machtigen de echtelijke woning te gelde te maken, dan wel de vrouw te veroordelen haar medewerking te geven aan de verkoop van de woning, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= voor elke dag dat zij in gebreke blijft;

- te bepalen dat de verzameling jeugdboeken, muziekdragers (met –spelers), stoommachines en stripboeken aan de man worden toebedeeld;

- met veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft de man aan zijn vorderingen de volgende stellingen ten grondslag gelegd.

3.1

De woning dient te worden verkocht en de overwaarde dient te worden verdeeld tussen partijen.

De man wenst zijn nominale inleg bij de aankoop van de woning terug te ontvangen. De woning is volgens de man gefinancierd met de opbrengst van een andere woning, die in zijn geheel eigendom van de man was.

De man heeft twee wijzen van verdeling voorgesteld; de vrouw wenst overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden te verdelen. Partijen dienen derhalve overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden te verdelen, hetgeen naar de mening van de man inhoudt dat hij zijn nominale inbreng van ƒ 219.000,00 (€ 99.377,87) in de aanschaf van de woning terug krijgt en dat het restant van de overwaarde bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.

De man is van mening dat de door de vrouw aangehaalde jurisprudentie uitzonderlijke gevallen betreffen. Naar zijn mening valt uit de aangehaalde arresten te lezen dat onder omstandigheden op grond van redelijkheid en billijkheid een uitzondering op de (hoofd)regel wordt toegestaan. Die (hoofd)regel luidt dat een met uitsluiting van elke gemeenschap gehuwde echtgenoot, die een tegenprestatie voldoet voor een goed dat geheel of gedeeltelijk op naam van de andere echtgenoot wordt geplaatst, tegenover die andere echtgenoot in beginsel recht heeft op een vergoeding van het nominale bedrag dat met die tegenprestatie was gemoeid. Uitzondering op die regel wordt slechts gemaakt, wanneer een objectieve aanwijzing is voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis op het tijdstip dat die natuurlijke verbintenis wordt vervuld. De man is van mening dat zulks in casu niet het geval is, omdat:

- de woning niet enkele maanden voorafgaand aan de echtscheiding is gekocht;

- de man ook zelf in de woning heeft gewoond;

- er geen andere woningen zijn;

- de vrouw niet jarenlang onbetaalde arbeid voor de zaak van de man heeft verricht;

- de vrouw geen (zakelijke) schulden van de man heeft afgelost;

- de twee kinderen van partijen (nagenoeg) zelfstandig zijn.

De man verwijst naar een uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage, waarin het Gerechtshof in een zaak, die overeenkomt met de onderhavige, aangeeft op welke wijze de verdeling dient te geschieden.

3.2

De man is van mening dat de vrouw niet meewerkt aan de verkoop van de woning. Naar hij van de makelaar heeft begrepen, zien de belangstellenden voor de woning na een gesprek met de vrouw af van het doen van een bod. De man wenst daarom zelf de woning te gelde te maken.

3.3

De man wenst een aantal aan hem verknochte zaken terug, en met name zijn jeugdboeken, muziekdragers (met -spelers), stoommachines en stripboeken. Deze zaken hebben voor de man naast economische waarde tevens een emotionele waarde.

4 Het verweer

De conclusie van antwoord strekt tot afwijzing van de vorderingen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, met veroordeling van de man in de kosten van het geding.

De vrouw vordert daarnaast harerzijds:

- te bepalen dat de vermogensoverheveling van de man is te beschouwen als een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw;

- te verklaren voor recht dat aan de vrouw de helft toekomt van de verkoopopbrengst van de woning;

- te bepalen dat het ten deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de medewerking van de man aan de verkoop en levering van de woning;

- met veroordeling van de man in de proceskosten.

De vrouw heeft het volgende aangevoerd.

4.1

De vrouw is van mening dat slechts één wijze van verdeling mogelijk is: overeenkomstig de huwelijkse voorwaarden. Op grond van die voorwaarden dient niet verdeeld of verrekend te worden. Partijen hebben ieder voor de onverdeelde helft de woning in eigendom. De vrouw is van mening dat uitsluitend de (over)waarde van de woning dient te worden verdeeld.

De vrouw is voor de geboorte van de dochter van partijen in 1981gestopt met werken en vanaf dat moment heeft zij voor het gezin en het huishouden gezorgd, overeenkomstig de wens van partijen. Het gezin woonde toen in de woning van de man aan de [straat] te [plaats]. In juli 1993 is deze woning verkocht en op 8 juli 1993 geleverd aan een derde. Op 23 juni 1993 hebben partijen de woning aan de [straat] te [plaats] (de woning) gekocht voor ƒ 227.000,00 (€ 103.008,11). Door de koopovereen-komst en de notariële akte van de woning op beider naam te stellen, kan naar de mening van de vrouw worden afgeleid dat het de wens van de man is geweest dat deze woning gezamenlijk eigendom van partijen zou zijn. Op 13 augustus 1993 is op de woning een hypothecaire lening gevestigd van ƒ 82.500,00 (€ 37.436,87), zodat door de man een bedrag van ƒ 144.500,00 (€ 65.571,24) uit de verkoop van de eerste woning voor de woning ter beschikking is gesteld.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat het ter beschikking stellen van genoemd bedrag heeft plaatsgevonden ter nakoming van een natuurlijke verbintenis, die bestaat uit een dringende morele verplichting van de man om zijn echtgenote en kinderen goed verzorgd achter te laten. Op grond daarvan dient niet te worden verrekend met de man. De vrouw verwijst naar jurisprudentie ter zake, waarin wordt aangegeven dat van de hoofdregel kan worden afgeweken indien tussen partijen iets anders is overeengekomen of wanneer één en ander is geschied om te voldoen aan een natuurlijke verbintenis. De vrouw betwist dat deze arresten als uitzonderlijke gevallen dienen te worden aangemerkt.

De vrouw onderbouwt haar stelling met betrekking tot de natuurlijke verbintenis als volgt:

- ten tijde van de aankoop van de woning had de vrouw geen financiële middelen om de helft van de koopsom te voldoen;

- de betalende dienstbetrekking van de vrouw werd beëindigd, aangezien de vrouw zwanger was van de dochter van partijen; de man wenste dat de vrouw thuis zou zijn voor de verzorging en opvoeding van de kinderen en het huishouden;

- de vrouw heeft gedurende drie jaren tegen geringe betaling parttime gewerkt in het bedrijf van de man.

De vrouw kan op dit moment nauwelijks voorzien in haar levensonderhoud en zij is niet vermogend. Voor de vrouw is bovendien geen pensioenvoorziening.

4.2

In november 2004 hebben beide partijen Voorberg makelaardij opdracht gegeven tot verkoop van de woning. De man heeft ermee ingestemd dat de bezichtigingen via de vrouw zouden lopen, nu de vrouw in de woning woont. De vraagprijs is eerst verlaagd naar

€ 225.000,=, maar er zijn geen bieders geweest. De makelaar heeft in februari 2006 voorgesteld de vraagprijs verder ter verlagen naar € 209.000,=. De man heeft op dit voorstel nog niet gereageerd. Ook de vrouw wenst dat de woning zo spoedig mogelijk wordt verkocht.

De vrouw betwist de stelling van de man dat zij niet zou meewerken aan de verkoop van de woning.

4.3

Alle bezittingen van de man staan al geruime tijd in dozen klaar. De vrouw stelt het op prijs wanneer de man zijn spullen, na daartoe gemaakte afspraak, komt ophalen.

5 De beoordeling

5.1

De man stelt bij akte na comparitie dat hij de opbrengst, welke ƒ 229.000,00 (€ 103.915,67) bedroeg, van de oude woning aan de [straat] heeft aangewend voor de financiering van de woning aan de [straat], waarvan de koopprijs ƒ 227.000,00

(€ 103.008,11) bedroeg. De man beantwoordt de vraag of de gehele opbrengst van de oude woning daadwerkelijk volledig is ingebracht voor de financiering van de woning, omdat de woning is bezwaard met een hypothecaire lening van circa € 37.400,=, als volgt. De woning is op 8 juli 1993 geleverd en de hypothecaire lening is op 13 augustus 1993 gevestigd. Tussen deze twee data ligt een periode van zes weken. Er zou namelijk volgens de man geen overdracht hebben plaatsgevonden als op de dag van de levering de koopprijs en de overdrachtsbelasting niet daadwerkelijk zouden zijn voldaan.

Hieruit blijkt dat op 8 juli 1993 tenminste de koopprijs van € 103.000,= plus de overdrachtsbelasting van € 6.200,= is voldaan, zonder dat daarvoor de hypothecaire lening van € 37.400,= is aangewend. Dit kan volgens de man alleen als de opbrengst van de oude woning daadwerkelijk volledig is ingebracht voor de financiering van de woning. De reden van de hypothecaire lening bestond uit een aantal kosten tot een totaalbedrag van

€ 22.400,=. Deze kosten waren:

- overdrachtsbelasting € 6.200,=

- notaris € 1.600,=

- opknappen € 3.100,=

- verhuizen € 1.500,=

- aankoop grond € 2.500,=

- bouwhek en tuinhuis € 7.500,=.

De man heeft van de door hem opgevoerde kosten geen bewijsstukken overgelegd, terwijl hij een aantal posten heeft begroot, omdat hij stelt dat een deel van deze posten moeilijk te herleiden is. Hij kan het verschil van € 15.000,= niet herleiden. Voor het bewijs van zijn stellingen verwijst de man naar de openbare registers, het principe van feiten van algemene bekendheid en van stellingen die geen bewijs behoeven.

Tot slot merkt de man nog op dat, zelfs ingeval zou worden aangenomen dat niet de volledige opbrengst van de oude woning zou zijn aangewend, dan in ieder geval circa

€ 22.400,= van de € 37.400,= aan de woning is besteed.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

De vrouw betwist dat de man de gehele opbrengst van de oude woning heeft aangewend voor de aankoop van de woning. De verkoopopbrengst van de oude woning was volgens de vrouw ƒ 310.000,00 of € 142.940,76. De rechtbank constateert dat de vrouw hierbij een rekenfout maakt, want de tegenwaarde van ƒ 310.000,00 is € 140.671,87. Wat hiervan ook zij, de man stelt primair een bedrag van € 100.000,= te hebben ingebracht.

Uit de verkoopopbrengst van de oude woning is aan de notaris een bedrag van ƒ 243.444,06 (€ 110.470,10) voldaan volgens de vrouw. In dit bedrag waren de volgende kosten begrepen:

- overdrachtsbelasting

- notariskosten

- overige kosten.

Ten bewijze van haar stelling legt de vrouw kopie van de nota van de notaris over.

Vervolgens bevestigt de vrouw dat op 13 augustus 1993 op de woning een hypothecaire lening van ƒ 82.500,00 (€ 37.436,87) is gevestigd. Hieruit volgt volgens de vrouw dat het bedrag dat de man in de woning heeft ingebracht komt op € 110.470,10 minus € 37.436,87 is € 73.003,22. De rechtbank stelt hierbij vast dat het bedrag dat de man heeft ingebracht voor de aankoop van de woning minimaal € 73.003,22 bedraagt.

De door de man begrote kosten worden eveneens gemotiveerd door de vrouw betwist.

Blijkens de nota van de notaris bedragen de kosten voor:

- overdrachtsbelasting: ƒ 13.620,00 (€ 6.180,49)

- de notaris: ƒ 2.485,71 (€ 1.127,97)

- kadastraal recht: ƒ 215,50 (€ 97,79)

- verrekening zakelijke lasten: ƒ 122,85 (€ 55,75)

Deze kosten zijn geheel verwerkt in het bedrag van € 110.470,09.

De overige door de man opgevoerde kosten betwist de vrouw eveneens. Zij stelt dat voor het opknappen van de woning bij Ikea rollen behang, zeil en blikken verf zijn gekocht, waaraan de vrouw zeker voor de helft heeft meebetaald.

Het door man genoemde bedrag van € 3.100,= kan de vrouw niet plaatsen.

Nu de man het door hem genoemde bedrag van € 3.100,= niet heeft onderbouwd met bewijsstukken en de vrouw dit bedrag heeft betwist, houdt de rechtbank met dit bedrag geen rekening.

De man voert aan verhuiskosten een bedrag van € 1.500,= op. De vrouw heeft dit bedrag betwist tot een bedrag van € 1.000,=. De rechtbank zal met het laatste bedrag rekening houden, nu het meerdere, dat de man niet heeft gestaafd met enig bewijsstuk, door de vrouw is betwist.

De vrouw betwist het door de man genoemde bedrag van € 2.500,= voor de aankoop van een stuk grond. De vrouw legt kopie van de notariële akte over waaruit blijkt dat de aanschaf van het stuk grond ƒ 1.420,86 (€ 644,76) bedroeg. De rechtbank zal met dit laatste bedrag rekening houden.

Ten aanzien van de bouw van een hek en tuinhuis betwist de vrouw eveneens het door de man opgevoerde bedrag van € 7.500,=. De vrouw legt een offerte over van bouwbedrijf Van der Wilk, waarin de kosten exclusief BTW zijn begroot op ƒ 9.300,00 (€ 4.220,16). De vrouw stelt dat deze kosten inclusief BTW op ƒ 11.067,00 (€ 5.021,99) komen. De rechtbank constateert dat in 1994 een BTW-tarief van 17.5% gold, hetgeen neer komt op een bedrag van ƒ 1.627,50 (€ 738,53), derhalve in totaal ƒ 10.927,50 (€ 4.958,68).

De rechtbank gaat uit van laatstgenoemd bedrag.

Het vorenstaande houdt in dat de man naast genoemde bedrag van € 73.003,22 heeft ingebracht een bedrag van in totaal (€ 1.000,= + € 644,76 + € 4.958,68 is) € 6.603,44.

Totaal is door de man derhalve ingebracht € 79.636,55.

5.2

Vast staat dat overeenkomstig de tussen partijen destijds geldende huwelijkse voorwaarden dient te worden verdeeld.

Gegeven het door partijen gekozen huwelijksregiem -uitsluiting van elke gemeenschap- geldt dat een vergoedingsrecht voor de man kan ontstaan doordat de woning die gedurende het huwelijk (1993) op beider naam is verkregen met een bedrag van € 79.636,55, als onder 5.1 becijferd, door de man is gefinancierd. Zodanig vergoedingsrecht strekt in beginsel tot vergoeding van een gelijk bedrag als is verstrekt, doch dit kan anders zijn wanneer een en ander is geschied om te voldoen aan een natuurlijke verbintenis van de ene echtgenoot tot verzorging van de andere.

De vrouw is van mening dat de man ten opzichte van haar en de kinderen een dringende morele verplichting heeft om hen goed verzorgd achter te laten en doet daartoe een beroep op het bestaan van een natuurlijke verbintenis.

De man heeft deze stelling van de vrouw gemotiveerd betwist.

In artikel 6:3 lid 2 sub b van het Burgerlijk Wetboek is bepaald dat van een natuurlijke verbintenis sprake is, wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. De vraag is derhalve of sprake is van een natuurlijke verbintenis. Het antwoord op deze vraag moet worden beoordeeld naar objectieve maatstaven. Daarbij is doorslaggevend de situatie op het moment van voldoening daarvan.

Het feit van de tenaamstelling van de woning leidend tot gezamenlijk eigendom van de woning en de betalingen door de man vormen op zich een objectieve aanwijzing voor het aannemen van een natuurlijke verbintenis, maar daarbij moet ook acht worden geslagen op de overige omstandigheden van het geval.

De vrouw heeft onweersproken als omstandigheden aangevoerd dat zij ten tijde van de aankoop van de woning niet over financiële middelen beschikte, zij haar inkomsten uit arbeid in overleg met de man had opgegeven in verband met de op handen zijnde geboorte van de dochter van partijen en zij gedurende drie jaren tegen geringe betaling parttime arbeid heeft verricht in het bedrijf van de man.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden van het geval -als het gegeven dat het gaat om een wederbelegging van volledig voorhuwelijks vermogen, de reden om betaalde arbeid op te geven, de leeftijd van de kinderen en de beperkte tijd dat de vrouw tegen geringe vergoeding arbeid heeft verricht in het bedrijf van de man geen dringende verplichting van moraal en fatsoen opleveren, mede omdat het te onzent niet gebruikelijk is huishoudelijke arbeid in het huwelijk te vergoeden.

Ook het argument van de vrouw dat zij op dit moment nauwelijks is haar levensonderhoud kan voorzien en voor haar geen pensioenvoorziening aanwezig is, acht de rechtbank niet van belang, nu het ontstaan van de natuurlijke verbintenis moet worden beoordeeld naar het moment van voldoening daarvan.

De hoofdregel, dat partijen aan de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden zijn gehouden behoudens bijzondere omstandigheden, die zich -zoals hiervoor door de rechtbank is vastgesteld- hier niet voordoen, is derhalve van toepassing. Dit houdt in dat de deelgenoot (in casu de man) die meer vermogen heeft aangewend te verkrijging van een goed dat tot een eenvoudige gemeenschap behoort dan waartoe deze op grond van zijn of haar aandeel daarin verplicht was, een vergoedingsrecht krijgt op de gemeenschap ter hoogte van dat meerdere bedrag dat ter beschikking is gesteld, derhalve € 79.636,55. Dit betekent dat de nog vast te stellen overwaarde van de woning, die resteert nadat voormeld bedrag van

€ 79.636,55 van die overwaarde aan de man is toebedeeld, bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld.

5.3

Ten tijde van de comparitie van partijen hebben partijen afgesproken dat de vrouw contact zal opnemen met de heer Schöenbergen, makelaar/taxateur van Voorberg makelaardij te Berkel en Rodenrijs, zodat hij in een gesprek met de man kan uitleggen waarom de vraagprijs van de woning naar beneden dient te worden bijgesteld en hij omtrent de vraagprijs van de woning duidelijkheid verkrijgt.

De man wordt in de gelegenheid gesteld om via een door hem aan te zoeken taxateur de vraagprijs te laten beoordelen; de man dient de daaraan verbonden kosten te voldoen.

De vrouw behoeft de woning ten tijde van de bezichtiging niet te verlaten.

Indien makelaar Voorberg zich terugtrekt, komen partijen overeen dat makelaar Drie B wordt ingeschakeld. Partijen zullen daartoe gemeenschappelijk opdracht geven en de kosten van deze makelaar zullen door partijen worden gedeeld.

Partijen zullen de rondleiding en de bezichtiging voor de verkoop van de woning over laten aan de makelaar; geen van partijen of (een van de) kinderen zal hierbij aanwezig zijn.

In de akten na comparitie heeft geen van partijen zich uitgelaten omtrent hetgeen hiervoor in 5.3 is vermeld. De rechtbank gaat er van uit dat partijen uitvoering (hebben ge)geven aan de door hen gemaakte afspraken.

De vordering van de man hem te machtigen de echtelijke woning te gelde te maken, dan wel de vrouw te veroordelen haar medewerking te geven aan de verkoop van de woning, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,= voor elke dag dat zij in gebreke blijft, zal daarom worden afgewezen.

5.4

De vordering van de man te bepalen dat de verzameling jeugdboeken, muziekdragers (met –spelers), stoommachines en stripboeken aan de man worden toebedeeld, ligt als niet weersproken voor toewijzing gereed.

5.5

De vrouw heeft in haar conclusie van antwoord een aantal zelfstandige vorderingen gedaan. De rechtbank zal de vrouw in deze vorderingen niet ontvankelijk verklaren, nu zij heeft verzuimd deze vorderingen in reconventie te doen.

5.6

De rechtbank ziet aanleiding de proceskosten te compenseren, nu het een geschil betreft tussen voormalige echtelieden.

6 De beslissing

De rechtbank,

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar vorderingen;

bepaalt dat aan de man van de nog vast te stellen overwaarde van de woning aan de [straat] te [plaats] toekomt een bedrag van € 79.636,55 en dat het daarna overgebleven restantbedrag bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld;

bepaalt dat aan de man de verzameling jeugdboeken, muziekdragers (met –spelers), stoommachines en stripboeken worden toebedeeld;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Soutendijk-van Appeldoorn.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

227 / 1529