Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA0994

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-02-2007
Datum publicatie
19-03-2007
Zaaknummer
BC 06/3411-HAM1
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2008:BC3413, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelet op CBB 13 juni 2006 (LJN: AX8793; AB 2006/334) ziet de rechtbank aanleiding het bezwaarschrift van eiseres, voorzover het ziet op deelneming aan het fonds van verweerster, moet worden aan te merken als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bpf 2000, waarbij dan tevens de werkingssfeer aan de orde kan komen.

Wetsverwijzingen
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 13
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 2
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 25
Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2007, 91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige kamer

Reg.nr.: BC 06/3411-HAM1

Uitspraak in het geding tussen

Opstap Uitzendbureau B.V., gevestigd te Eindhoven, eiseres,

gemachtigde mr. L.K. Wouterse, advocaat te Tilburg,

en

Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor Langdurige Uitzendkrachten, verweerster.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 7 juli 2006 heeft verweerster eiseres bericht de aansluiting van eiseres bij het fonds van verweerster te handhaven.

Tegen deze brief heeft eiseres bij brief van 18 augustus 2006, aangevuld bij brief van 21 september 2006, beroep ingesteld.

Verweerster heeft bij brief van 12 oktober 2006 een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van de zitting.

2 Overwegingen

2.1 Wettelijk kader en vaststaande feiten

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (hierna: Wet Bpf 2000) kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor een of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplichtstellen.

Artikel 13 van de Wet Bpf 2000 luidt als volgt:

“1. Het bedrijfstakpensioenfonds heeft tot taak het verlenen en het intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling.

2. Het bedrijfstakpensioenfonds kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder het bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichtstelling verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken alsmede met betrekking tot de voorschriften die het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling kan verbinden.”.

Uit de artikelen 21, vijfde lid, 25 en 26 Wet Bpf 2000 volgt dat voor burgerlijke rechtsvorderingen ter zake van deelneming in en uitkering uit een bedrijfstakpensioenfonds alsmede met betrekking tot het verzet tegen een dwangbevel ter invordering van achterstallige bijdragen de kantonrechter competent is gebleven en dat voor wat betreft besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) expliciet een bestuursrechtelijke rechtsgang openstaat, waarbij de rechtbank Rotterdam in eerste aanleg als bevoegde rechter is aangewezen.

Ingevolge artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 kan - voor zover hier van belang - door het bedrijfstakpensioenfonds op verzoek van een werkgever voor de werknemers van die werkgever ook om andere redenen vrijstelling worden verleend.

Verweersters administrateur PVF Achmea heeft eiseres bij brief van 12 december 2005 verzocht een vragenformulier aan haar te retourneren opdat kan worden vastgesteld of eiseres valt onder de werkingssfeer van het fonds van verweerster.

Na enige correspondentie over en weer en een bezoek door de relatiemanager van PVF Achmea bij eiseres heeft verweerster eiseres bij brief van 3 maart 2006 bericht dat de laatste ingaande 28 april 2004 als uitzendonderneming verplicht is aangesloten bij het fonds van verweerster.

Eiseres heeft bij brief van 10 mei 2006 bezwaar gemaakt tegen deze aansluiting. Eiseres stelt sinds haar oprichting ingedeeld te zijn bij het GUO als agrarisch loonbedrijf.

Verweerster heeft eiseres bij brief van 18 mei 2006 onder meer meegedeeld dat het bedrijf van eiseres onder de werkingssfeer van het fonds van verweerster valt, dat eiseres niet eerder heeft aangegeven te zijn ingedeeld bij het GUO als agrarisch loonbedrijf, dat er tussen het GUO en verweerster geen afspraken zijn gemaakt in verband met vrijstelling van deelneming aan het fonds van verweerster en dat de aansluiting wordt gehandhaafd.

Eiseres heeft bij schrijven van 14 juni 2006 ook tegen deze brief bezwaar gemaakt. In dit verband is aangevoerd dat eiseres - ondanks dat zij als zodanig is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel - geen uitzendonderneming is, zij sinds haar oprichting in 1988 slechts twee opdrachtgevers heeft, dat de werkzaamheden bestaan uit het handmatig plukken van champignons en dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen in 2000 heeft geoordeeld dat eiseres onjuist was ingedeeld in de sector uitzendbureaus, omdat zij thuishoorde bij het GUO als agrarisch bedrijf.

Bij brief van 7 juli 2006 is ten slotte door verweerster overwogen dat eiseres geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd, zodat verweerster onder verwijzing naar haar brief van 18 mei 2006 de aansluitingen handhaaft.

2.2 Standpunten van partijen

In het aanvullend beroepschrift heeft de gemachtigde van eiseres de in rubriek 2.1 van deze uitspraak genoemde standpunten herhaald en aangevoerd dat verweerster onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan zij van oordeel is dat eiseres onder de werkingssfeer van verweersters fonds valt. Voorts is aangevoerd dat de opdrachtgever geen toezicht houdt op de werkzaamheden, maar dat een voorman van eiseres zelf toezicht houdt op de ‘pluk’-unit van eiseres en dat er volgens eiseres mede gelet hierop sprake is van aanneming van werk en niet van inlening van personeel.

In het verweerschrift heeft verweerster aangevoerd dat verweerster terzake aansluiting geen bestuursorgaan is; zij kan geen afzonderlijk besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb afgeven omtrent verplichte deelneming. De verplichte deelneming volgt namelijk rechtstreeks uit een besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: de Staatssecretaris). De correspondentie van verweerster in deze zaak ziet derhalve slechts op de uitvoering van de verplicht gestelde pensioenregeling. De brieven van eiseres zijn door verweerster als een klacht in behandeling genomen en afgedaan. Nu de burgerlijke rechter competent is inzake deelnemingsgeschillen dient de bestuursrechter zich onbevoegd te verklaren.

2.3 Beoordeling

Ambtshalve overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen is een bedrijfstakpensioenfonds met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de Wet Bpf 2000 uitsluitend als een bestuursorgaan aan te merken betreffende het beslissen op een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bpf 2000. Verweerster komt aldus niet de bevoegdheid toe om een (afzonderlijk) besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb af te geven omtrent verplichte deelneming. Verplichte deelneming volgt rechtstreeks uit een besluit van de Staatssecretaris tot verplichtstelling als bedoeld in artikel 2 van de Wet Bpf 2000, terwijl geschillen omtrent deelneming en daaraan verbonden verplichtingen aan de kantonrechter kunnen worden voorgelegd. Evenwel heeft de rechtbank voorts eerder overwogen dat indien om vrijstelling van deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds is verzocht, daarbij tevens de vraag aan de orde kan zijn of het bedrijfstakpensioenfonds bevoegd is tot het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bpf 2000.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (hierna: het College) heeft in zijn uitspraak van 13 juni 2006 (LJN: AX8793; AB 2006/334) ondermeer het volgende overwogen:

“6.2 (…) Aan appellante is bij schrijven van MN Services van 20 januari 2003 onder meer meegedeeld dat de Commissie Werkingssfeer heeft beslist dat appellante behoort tot de Metaal en Technische Bedrijfstakken en verplicht is tot deelname in het bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Techniek. Naar aanleiding van dit schrijven heeft appellante bij brief van 25 februari 2003 MN Services meegedeeld dat zij bezwaar maakt tegen voornoemde indeling door die Commissie.

Het College is van oordeel dat hetgeen in de brief van appellante van 25 februari 2003 naar voren is gebracht tegen eerder genoemde deelnemingsverplichting, geduid moet worden als een verzoek aan MN Services om appellante - al dan niet namens het bedrijfspensioenfonds voor de Metaal en Techniek - vrijstelling te verlenen van de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van artikel 13 Wet Bpf 2000, zulks evenwel onder de mededeling dat appellante van mening is dat zij niet valt onder die verplichtstelling, doch hiervan uitsluitend vrijstelling verzoekt voor zover dit nodig is.

6.3 Gelet hierop had de rechtbank in de onderhavige zaak (-) de brief van appellante van 25 februari 2003 moeten aanmerken als een verzoek van appellante om vrijstelling van de verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds op grond van artikel 13 Wet Bpf 2000 in plaats van een bescheid gericht tegen het schrijven van MN Services van 20 januari 2003 (-) het schrijven van MN Services van 16 april 2003 moeten kwalificeren als een primaire beslissing op dit verzoek in plaats van een reactie op de bezwaren van appellante van 25 februari 2003 en (-) het stuk van 25 juli 2003 moeten opvatten als bezwaar tegen de primaire beslissing van 16 april 2003 in plaats van als een beroepschrift.”.

Toegepast op onderhavige casus leiden deze overwegingen van het College ertoe dat het bezwaarschrift van eiseres van 10 mei 2006, voorzover het ziet op deelneming aan het fonds van verweerster, moet worden aangemerkt als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 13 van de Wet Bpf 2000, waarbij dan tevens de werkingssfeer aan de orde kan komen. Verweersters brief van 18 mei 2006 moet aldus worden beschouwd als een primair besluit tot afwijzing van het verzoek om vrijstelling. Daarvoor is in onderhavig geval te meer aanleiding nu verweerster zelf in die beslissing nog heeft vermeld dat tussen het GUO en verweerster geen afspraken zijn gemaakt in verband met vrijstelling van deelneming aan het fonds van verweerster. Het tweede bezwaarschrift van eiseres van 14 juni 2006 is dan ook een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 1:5, eerste lid, in verbinding met artikel 6:4, eerste lid, van de Awb. Verweersters brief van 7 juli 2006 waarin zij kenbaar maakt haar besluit van 18 mei 2006 te handhaven kwalificeert dan ook als een beslissing op bezwaar terzake de weigering toepassing te geven aan artikel 13 van de Wet Bpf 2000.

Nu eiseres beroep heeft ingesteld bij de rechtbank tegen verweersters besluit van 7 juli 2006 is de rechtbank gelet op artikel 26 van de Wet Bpf 2000 bevoegd daarvan kennis te nemen.

In het vorenstaande ligt tevens besloten dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit van 7 juli 2006 niet in stand kan blijven. Verweerster heeft immers nagelaten om een expliciete beslissing omtrent vrijstelling te nemen. Verder ontbreekt in verweersters correspondentie niet alleen enige motivering omtrent de vraag of eiseres gelet op haar deelname aan het GUO als agrarisch loonbedrijf een zogenoemde onverplichte vrijstelling ten deel zou moeten vallen, maar ook omtrent de voorvraag of eiseres valt onder de werkingssfeer van verweersters fonds valt uit de stukken nauwelijks een begin van een motivering te onderkennen. Zo ontbreekt tussen de stukken een (vindplaats)verwijzing naar het besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als bedoeld in artikel 2 van de Wet Bpf 2000 waarop verweerster haar correspondentie rond de verplichte aansluiting van eiseres blijkbaar heeft gebaseerd.

De rechtbank zal het besluit van 7 juli 2006 gelet hierop vernietigen wegens strijd met artikel 13 van de Wet Bpf 2000 en de artikelen 3:2, 3:4, eerste lid, en 7:12, eerste lid, van de Awb.

Verweerster zal zich derhalve met een nieuwe beslissing op het bezwaar tegen de impliciete weigering eiseres vrijstelling te verlenen alsnog inhoudelijk dienen te buigen over de voorvraag of eiseres onder werkingssfeer van verweersters fonds valt en, zo ja, of zij in aanmerking komt voor een vrijstelling. In dit verband merkt de rechtbank nog op dat indien uit het door verweerster in te stellen onderzoek mocht blijken dat eiseres onder de werkingssfeer van twee bedrijfstakpensioenfondsen valt, verweerster niet snel in redelijkheid een vrijstelling als bedoeld in artikel 6 van het Vrijstellingsbesluit Wet Bpf 2000 kan weigeren. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van het College van 11 november 2004 (LJN: AR5680). Gelet op het wellicht in dit verband in te stellen onderzoek zal de rechtbank verweerster opdragen binnen veertien weken opnieuw op het bezwaar te beslissen.

De rechtbank merkt in dit verband nog op dat de hiervoor geciteerde overwegingen van het College naar het oordeel van de rechtbank overigens onverlet laten dat het eiseres vrij staat om tevens aan de kantonrechter een verklaring voor recht te vragen terzake deelneming aan het Prepensioenfonds. Ook kan zij die vraag in een verzet als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de Wet Bpf 2000 eerst aan de orde stellen.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 644,- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerster op binnen veertien weken na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het bezwaar van eiseres,

bepaalt dat verweerster aan eiseres het betaalde griffierecht van € 281,- vergoedt,

veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van € 644,- en wijst haar aan als de rechtspersoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is op 22 februari 2007 gedaan door mr. J.M. Hamaker, in tegenwoordigheid van mr. drs. R. Stijnen, griffier.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerster kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.