Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA0922

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
185737/HA ZA 02-2352
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

rangregeling na executoriale verkoop 26 casco's binnenschepen; kosten conservatoire beslagen als kosten van uitwinning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2008, 26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

zaak-/rolnummer: 185737/HA ZA 02-2352 (zaak B)

Uitspraak: 7 maart 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de vennootschap onder firma V.O.F. G.C. DE JONG & ZN.,

ook aangeduid als V.O.F. Scheepvaartbedrijf G.C. de Jong & Zn.,

gevestigd te Hardinxveld-Giessendam,

eiseres in renvooi,

procureur mr D.J.R.M. Braakenburg,

advocaten mr T. Roos en mr A.A. Marcus,

- tegen -

de naamloze vennootschap KBC BANK NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

verweerster in renvooi,

procureur en advocaat mr A.J. van Steenderen.

Partijen worden hierna aangeduid als "De Jong" respectievelijk "KBC".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- proces-verbaal van de op 17 juli 2002 gehouden mondelinge behandeling inzake de

rangregeling betreffende 26 casco's (zaak-/rekestnummer 154285/HA RK 01-61);

- conclusie van eis in renvooi, met producties;

- conclusie van antwoord in renvooi;

- conclusie van repliek in renvooi;

- conclusie van dupliek, met productie.

2 Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1

Deze renvooiprocedure heeft de volgende achtergrond.

(a) Op 30 januari 2001 heeft ten verzoeke van KBC en ten laste van de besloten vennootschap Dutch Marine Associates (D.M.A.) B.V., gevestigd te Rotterdam (hierna: DMA), ten overstaan van notaris mr J.B. van Nieuwland de executoriale verkoop plaatsgevonden van 26 casco's van stalen binnenvaartschepen, waaronder het casco van een motorcontainerschip gemerkt 24795 B R 2000, bouwnummer JJTS99-408;

(b) Bij een op 21 maart 2001 ter griffie ontvangen verzoekschrift heeft KBC verzocht een rechter-commissaris te benoemen ter verdeling van de veilingopbrengst van

NLG 32.510.000,- (exclusief BTW en rente); dat is gebeurd bij beschikking van 6 april 2001; nadat de schuldeisers hun vorderingen hadden ingediend, zijn op 1 mei 2002 vijfentwintig voorlopige staten van verdeling opgemaakt, onder andere terzake van de opbrengst van het casco met bouwnummer JJTS99-408 (rangregelingsprocedure nr. 13);

(c) Na de mondelinge behandeling van deze voorlopige staten van verdeling op 17 juli 2002, heeft de rechter-commissaris partijen verwezen naar de terechtzitting van de rechtbank inzake hun geschil "Zaak B", betreffende de vraag of de door De Jong vóór aanvang van de executie gemaakte beslagkosten als uitwinningskosten dienen te worden aangemerkt.

2.2

Van het volgende kan voorts - als vaststaand - worden uitgegaan.

(a) De executieveilingen van de casco's geschiedden uit kracht van een op 12 december 2000 door de president van de rechtbank Rotterdam bij verstek gewezen kortgedingvonnis waarbij DMA werd veroordeeld tot betaling van een aantal vorderingen van "de Kwantes-groep". Dat vonnis is op 14 december 2000 aan DMA betekend met tevens bevel om aan het vonnis te voldoen. Op 18 december 2000 werd executoriaal beslag gelegd op de 26 casco's. KBC heeft de executie daarna overgenomen;

(b) De Jong had op 11 december 2000, ter verzekering van een op NLG 2.410.000,- begrote vordering op DMA, op elk casco conservatoir beslag doen leggen;

(c) De Jong heeft bij het indienen van haar vordering - naast de hoofdsom - een bedrag van NLG 6.669,- opgevoerd terzake van de beslagkosten, waarbij werd gesteld dat deze dienden te worden gelijkgesteld met uitwinningskosten;

(d) de rechter-commissaris heeft te dien aanzien overwogen:"Deze opvatting vindt geen steun in de wet. Slechts de kosten van het cumulatief conservatoire beslag op een schip of de executieopbrengst dat is gelegd nà aanvang van de executie (i.e. 14 december 2000), worden op één lijn gesteld met uitwinningskosten, hoewel zij daar formeel niet onder vallen, nu het geen executiehandeling betreft. Reden daarvoor is dat, afgezien van de hyotheekhouder, een schuldeiser die ten tijde van de executie nog geen executoriale titel heeft geen executoriaal beslag kan leggen, zonder dat dit beslag bedoeld is als inleiding op het verkrijgen van een executoriale titel. De voor aanvang van de executie gemaakte beslagkosten zijn derhalve niet als zodanig aan te merken."

2.3

Overeenkomstig het door haar bij de rangregeling ingenomen standpunt luidt de vordering van De Jong - verkort weergegeven - dat de rechtbank, bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

primair:

1. zal verklaren voor recht:

A. dat de kosten voor De Jong wegens de conservatoire beslaglegging [te weten van

11 december 2000] op het casco met bouwnummer JJTS 99-408 een bedrag belopen

van NLG 6.669,- met rente vanaf 11 december 2000,

en dat deze op één lijn dienen te worden gesteld met uitwinningskosten, althans kosten

van gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de schuldeisers als

bedoeld in art. 8:820 lid 1 BW;

B. dat deze kosten in de rangregeling nr. 13 direct uit de (bruto) executieopbrengst , boven

alle andere vorderingen waaraan voorrecht is toegekend, aan De Jong dienen te worden

voldaan,

2. machtiging zal verlenen aan notaris mr J.B. van Nieuwland om deze kosten, vermeerderd

met rente, ten laste van de veilingopbrengst uit te keren aan De Jong;

subsidiair:

de vordering van De Jong zal verifiëren door te bepalen:

A. dat de vordering van De Jong terzake van de beslagkosten een bedrag beloopt van

NLG 6.669,- met rente vanaf 11 december 2000;

B. dat deze kosten op één lijn dienen te worden gesteld met uitwinningskosten, althans

kosten van gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst onder de

schuldeisers als bedoeld in art. 8:820 lid 1 BW en als zodanig in de rangregeling nr. 13

boven alle andere vorderingen waaraan voorrecht is toegekend ten laste van de

veilingopbrengst dienen te worden gebracht, althans dienovereenkomstig zal worden

gerangschikt in de staat van verdeling,

en voorts (primair en subsidiair) zal bepalen dat de kosten van deze renvooiprocedure als kosten van gerechtelijke rangregeling op de voet van art. 8:820 lid 1 BW ten laste van de veilingopbrengst zullen worden voldaan aan De Jong, althans KBC te veroordelen in de kosten van de renvooiprocedure.

2.4

KBC heeft deze vordering gemotiveerd bestreden en heeft geconcludeerd tot afwijzing daarvan met veroordeling van De Jong - uitvoerbaar bij voorraad - in de kosten van de renvooiprocedure.

2.5

De rangregelingsprocedure is het vervolg op de executoriale verkoop van de 26 casco's, die plaatsvond op grond van de executoriale titel van de Kwantes-groep. Uit de opbrengst van

deze executoriale verkoop dienen allereerst de kosten van uitwinning, de kosten van bewaking tijdens de uitwinning en de kosten van de gerechtelijke rangregeling en verdeling van de opbrengst te worden betaald (art. 8:820 BW). Deze kosten worden ook wel tezamen aangeduid als 'kosten van uitwinning'. Met uitwinning is bedoeld de executie, die is aangevangen met het door art. 563 Rv voorgeschreven bevel op 14 december 2000 van een door de executant ingeschakelde deurwaarder aan DMA om te voldoen aan de bedoelde executoriale titel.

2.6

Onder deze 'kosten van uitwinning' vallen de kosten van de executoriale verkoop en de kosten van de rangregelingsprocedure. Tot die laatste kosten behoren de kosten van het indienen van het verzoekschrift tot de rangregeling (griffierecht en procureurssalaris) en de kosten van het indienen van de vorderingen door de schuldeisers (salaris van procureur of gemachtigde). Omdat alleen de belanghebbenden als bedoeld in art. 551 lid 3 Rv hun vordering in de rangregelingsprocedure kunnen indienen (art. 482 jis artt. 552 en 580 Rv),

kort gezegd: beperkt gerechtigden en beslagleggers, worden de kosten van de cumulatieve executoriale beslagen die schuldeisers na aanvang van de executie hebben gelegd op het schip of op de verkoopopbrengst aangemerkt als 'kosten van uitwinning'. Daarmee worden op één lijn gesteld de kosten van de conservatoire beslagen die na aanvang van de executie zijn gelegd door belanghebbenden die ten tijde van de executie nog niet over een executoriale titel beschikten. Deze beslagkosten moesten worden gemaakt om te kunnen meedelen in de opbrengst van een reeds in gang gezette executie en hangen daarmee direct samen.

2.7

De kosten van beslagen die vóór de aanvang van de executie al op het schip waren gelegd worden niet gerekend tot de kosten van uitwinning en de rangregelingskosten als bedoeld in art. 8:820 BW. Dat geldt zowel voor executoriale beslagen van schuldeisers die al een executoriale titel hadden, als voor conservatoire beslagen van de schuldeisers die (ten tijde van dat beslag nog) niet over een titel beschikten maar het verhaal voor hun gepretendeerde vordering veilig wilden stellen. Te bedenken valt dat deze beslagen ook al kunnen zijn gelegd geruime tijd voor de aanvang van de executie en zelfs ook - waar het gaat om een conservatoir beslag - voordat sprake is van een executoriale verkoop. Een conservatoir beslag kan na het verkrijgen van een titel overgaan in een executoriaal beslag (art. 704 Rv). Van deze beslagen zal veelal niet kunnen worden gezegd dat ze zijn gericht op het kunnen meedelen in de opbrengst van een executoriale verkoop.

Net zo min als de kosten van het verkrijgen van een executoriale titel door de executant of een andere schuldeiser (vgl. art. 8:822 BW en art. 12 Genimprot), behoren die beslagkosten tot de 'kosten van uitwinning' met inbegrip van de kosten van de rangregelingsprocedure.

Het standpunt van De Jong, dat de kosten van elke beslaglegging waarmee een "toegangskaartje" wordt verkregen tot een (eventuele) latere rangregelingsprocedure zijn te beschouwen als kosten van de rangregeling en verdeling van de verkoopopbrengst, houdt een te ruime uitleg in van 'kosten van uitwinning', welk begrip vanwege het feit dat deze vóór alle - ook bevoorrechte - vorderingen moeten worden betaald juist beperkt dient te worden geïnterpreteerd.

2.8

De slotsom is dat de vordering van De Jong moet worden afgewezen.

3. De beslissing

De rechtbank,

ontzegt de vordering;

veroordeelt De Jong in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van KBC begroot op nihil aan verschotten en op € 768,- aan salaris van de procureur;

verklaart het vonnis wat betreft deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr Van Zelm van Eldik.

Uitgespoken in het openbaar.

10.