Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA0914

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
257463 / HA ZA 06-752
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Incidentele vordering tot opheffing conservatoir beslag bij wege van voorlopige voorziening (art. 223 Rv) en incidentele exhibitievordering (art. 843a Rv). De vraag of de door de schuldenaar voorgestelde bankgarantie voldoende zekerheid biedt in de zin van art. 705 lid 2 Rv wordt ontkennend beantwoord, aangezien deze bankgarantie inhoudt dat de bank slechts tot betaling behoeft over te gaan in het geval van overlegging van een beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan. Ook van onnodigheid van het gelegde beslag is geen sprake. De gestelde omstandigheid dat de in het exhibitieincident gevorderde informatie noodzakelijk is om de juistheid van de litigieuze facturen te controleren en aldus te voorkomen dat onjuiste facturen door incidenteel eiseres worden betaald ziet niet op een behoorlijke rechtspleging als bedoeld in art 843a lid 4 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 257463 / HA ZA 06-752

Uitspraak: 7 maart 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid SDK KINDEROPVANG B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident tot het wijzen van een provisioneel vonnis,

verweerster in het exhibitie-incident,

procureur mr. J.F. Rense

- tegen -

de stichting STICHTING MEDISCH CENTRUM RIJNMOND ZUID,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident tot het wijzen van een provisioneel vonnis,

eiseres in het exhibitie-incident,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. E.E.U. Vroom te Amsterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "SDK" respectievelijk "MCRZ".

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in het griffiedossier. Uit die stukken volgt het procesverloop.

1 Het geschil

in de hoofdzaak

1.1

De vordering van SDK luidt dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

(a) de overeenkomst tussen SDK en MCRZ - het gaat hier om de ‘Overeenkomst voor kinderopvang’ van omstreeks januari-februari 2001 (prod. 1 van SDK); Rb. (hierna: de overeenkomst) - ontbindt met inachtneming van een termijn van drie maanden na betekening van het te dezen te wijzen vonnis;

(b) voor recht verklaart dat MCRZ jegens SDK toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst, een en ander zoals in het lichaam van de dagvaarding beschreven;

(c) voor recht verklaart dat MCRZ (daarom) gehouden is tot nakoming van de overeenkomst tot het moment van ontbinding en vergoeding van de door SDK geleden en nog te lijden schade vanwege het toerekenbaar tekortschieten en doordat de overeenkomst wordt ontbonden, waarvan (de) verschillende elementen zijn genoemd onder 6.1 van de dagvaarding;

(d) MCRZ veroordeelt tot nakoming van de overeenkomst tot het moment van ontbinding en vergoeding van de door SDK geleden en nog te lijden schade vanwege het toerekenbaar tekortschieten en doordat de overeenkomst wordt ontbonden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(e) MCRZ veroordeelt tot betaling aan SDK van € 1.500.000,-- ten titel van voorschot op de door haar geleden en nog te lijden schade;

(f) MCRZ veroordeelt in de proceskosten, waaronder begrepen de kosten van het gelegde beslag.

1.2

Hieraan heeft SDK ten grondslag gelegd - kort en zakelijk weergegeven - dat MCRZ toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen.

in het incident tot het wijzen van een provisioneel vonnis

1.3

De gewijzigde vordering van MCRZ luidt dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- primair: SDK veroordeelt tot opheffing van de gelegde beslagen tegen overlegging van een bankgarantie overeenkomstig het door MCRZ voorgestelde model, alsmede SDK verbiedt verdere beslagen te leggen, zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,--, vermeerderd met € 1.500,-- per dag dat SDK daarmee in gebreke blijft;

- subsidiair: een zodanige voorziening treft als de rechtbank in goede justitie zal bepalen,

met veroordeling van SDK in de proceskosten.

1.4

SDK heeft de vordering gemotiveerd betwist.

in het exhibitie-incident

1.5

De gewijzigde vordering van MCRZ luidt dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

- primair: SDK veroordeelt binnen vijf dagen na betekening van het te dien aanzien te wijzen vonnis aan MCRZ inzage, afschrift of uittreksel te verschaffen van

(a) een lijst van namen van ouders die kinderen in het door SDK geëxploiteerde kinderdagverblijf “Het Krekeltje” hebben geplaatst;

(b) een opgave van mutaties in die lijst;

(c) een opgave van de eigen bijdragen die SDK ontvangt van de ouders die kinderen in het kinderdagverblijf hebben geplaatst;

(d) een uitleg van de periodieke verhoging;

(e) een overzicht van exploitatiekosten onderverdeeld overeenkomstig het door MCRZ als productie 3 in het geding gebrachte model;

(f) gegevens aan de hand waarvan MCRZ de hoogte van haar uit de overeenkomst voortvloeiende betalingsverplichting kan vaststellen als bedoeld in de incidentele conclusie van eis, onder 14;

(g) informatie die afkomstig is van een tussenkomende accountant als bedoeld in de incidentele conclusie van repliek, onder 19,

zulks op straffe van een dwangsom van € 50.000,--, vermeerderd met €1.500,-- per dag dat SDK daarmee in gebreke blijft;

- subsidiair: een zodanige voorziening treft als de rechtbank in goede justitie zal bepalen,

met veroordeling van SDK in de proceskosten.

1.6

SDK heeft de vordering gemotiveerd betwist.

2 De beoordeling

in het incident tot het wijzen van een provisioneel vonnis

2.1

Op 31 mei en 8 juni 2006 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan SDK verlof verleend tot het leggen van beslag ten laste van MCRZ onder in totaal negen in de desbetreffende beslagrekesten genoemde verzekeraars voor een bedrag van € 220.000,--. Op 2 en 9 juni is onder elk van deze verzekeraars beslag gelegd voor een bedrag van

€ 220.000,--.

2.2

Wat betreft het eerste deel van de primaire vordering - opheffing van de gelegde beslagen als genoemd onder 2.2 tegen overlegging van een bankgarantie overeenkomstig het door MCRZ voorgestelde model - twisten partijen over de vraag of de door MCRZ voorgestelde bankgarantie als voldoende zekerheid kan worden aangemerkt in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Krachtens artikel 6:51 lid 2 BW moet de aangeboden zekerheid zodanig zijn, dat de vorderingen en, zo daartoe gronden zijn, de daarop vallende renten en kosten behoorlijk gedekt zijn en dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen.

2.3

Volgens het door MCRZ voorgestelde bankgarantiemodel (prod. 1 van MCRZ) dient de garant - ING Bank N.V. - tot betaling over te gaan, zodra een afschrift is overgelegd van een toewijzende beslissing die in kracht van gewijsde is gegaan. MCRZ meent dat dit voldoende is. SDK neemt het standpunt in dat dit niet het geval is. Volgens haar zou de garant ook tot betaling gehouden zijn wanneer hem een toewijzend, bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis wordt overgelegd.

2.4

SDK heeft het gelijk aan haar zijde. Wanneer zij over een toewijzend, bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis komt te beschikken, zal zij de deurwaarder kunnen vragen stappen te nemen om tot tenuitvoerlegging van dat vonnis te komen, zonder dat zij behoeft te wachten totdat het vonnis kracht van gewijsde heeft gekregen. Na aanvaarding van de door MCRZ voorgestelde bankgarantie heeft SDK deze mogelijkheid niet. Zij zal dan immers moeten wachten totdat het vonnis onherroepelijk is geworden en eerst daarna tot tenuitvoerlegging over kunnen gaan. Niet valt in te zien waarom SDK deze minder gunstige positie zou moeten aanvaarden. De zekerheid kan onder deze omstandigheden derhalve niet als voldoende worden aangemerkt en kan dan ook geen grond vormen voor opheffing van de beslagen.

2.5

Ook overigens bestaat er geen grond voor opheffing van het beslag. De rechtbank is namelijk van oordeel dat MCRZ op het punt van de door haar beweerde en door SDK betwiste onnodigheid van de reeds gelegde beslagen niet aan haar stelplicht heeft voldaan, nu zij heeft verzuimd aan te geven waarom haar financiële positie zodanig is dat uitgesloten mag worden dat zij te zijner tijd geen verhaal zal bieden voor de vordering van SDK, hetgeen de strekking had moeten zijn van haar stellingen.

2.6

Op grond van het bovenstaande ligt het eerste deel van de primaire vordering - opheffing van de gelegde beslagen tegen overlegging van een bankgarantie overeenkomstig het door MCRZ voorgestelde model - voor afwijzing gereed.

2.7

Het tweede deel van de primaire vordering komt neer op een algeheel verbod van verdere beslagen.

2.8

Voor een verbod om verdere beslagen te leggen is geen aanleiding, omdat niet op voorhand aannemelijk is dat SDK, indien zij verdere beslagen zou leggen, misbruik van recht maakt.

Zo gaat het argument van MCRZ niet op dat eventuele verdere beslagen vexatoir en onnodig kwellend zullen zijn. Immers, er bestaan - zo is gebleken - vooralsnog geen aanwijzingen dat SDK beslag zal laten leggen tot zekerheid van substantieel hogere bedragen dan de bedragen waarvan zij pretendeert dat MCRZ deze aan haar verschuldigd is wegens door haar verrichte kinderopvangactiviteiten op basis van de overeenkomst. Er bestaat derhalve onvoldoende grond om aan te nemen dat SDK zal overgaan tot het leggen van verdere beslagen ten laste van MCRZ enkel en alleen om zodoende pressie op haar uit te oefenen.

2.9

Gelet op het bovenstaande ligt ook het tweede deel van de primaire vordering voor afwijzing gereed. Datzelfde geldt voor de subsidiaire vordering.

2.10

De beslissing over de proceskosten zal worden gereserveerd tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

in het exhibitie-incident

2.11

MCRZ heeft nog niet geconcludeerd voor antwoord in de hoofdzaak. In haar incidentele conclusie van eis, onder 10 en 11, heeft zij echter al aangegeven welk standpunt zij in de hoofdzaak zal innemen - aangehaald voor zover relevant:

“10. In de hoofdzaak zal betogen (en bij betwisting bewijzen) dat de overeenkomst waar SDK een beroep op doet [- het gaat hier om bovengenoemde onder 1.1. genoemde overeenkomst; Rb. -] is aangegaan met het beding dat deze zal worden aangepast in het geval - kort gezegd - MCRZ niet in staat bleek tot afname van voldoende kindplaatsen. Voorts zal MCRZ betogen (en bij betwisting eveneens bewijzen) dat aan die voorwaarde is voldaan. Desalniettemin heeft SDK, ondanks sommatie, geweigerd om aan dat beding invulling te geven. Om die reden heeft MCRZ haar verplichtingen onder de overeenkomst gedeeltelijk opgeschort dan wel verrekend met vordering op SDK die volgen uit de wanprestatie door SDK in verband met voornoemd beding.

11. Dit betekent echter niet dat MCRZ meent dat zij thans geen enkele verplichting onder die overeenkomst meer heeft. MCRZ stelt zich op het standpunt dat zij bereid is tot betaling voor het daadwerkelijk door MCRZ van SDK afgenomen aantal kindplaatsen, vermeerderd met een opslag ter dekking van wat zij noemt “ongedekte vaste kosten” voor een nader te noemen aantal kindplaatsen dat niet feitelijk wordt bezet. (...).”

2.12

Ingevolge artikel 843a Rv kan degene die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.

2.13

Voor zover MCRZ haar vordering nog steeds mede baseert op de bepalingen van de overeenkomst, valt niet in te zien waarom SDK op grond van de overeenkomst gehouden is tot het verstrekken van de gevraagde stukken aan MCRZ. Noch expliciet noch impliciet is immers, anders dan MCRZ van mening lijkt te zijn, een dergelijke verplichting in de overeenkomst geregeld. Zo volgt een dergelijke verplichting ook niet uit de in de overeenkomst geregelde betalingsverplichting van MCRZ vanwege de door MCRZ gestelde omstandigheid dat zonder de gevraagde stukken deze verplichting niet zou kunnen worden vastgesteld, reeds omdat niet gebleken is dat de onderhavige facturen van SDK iedere bruikbare toelichting ontberen.

2.14

Het standpunt van MCRZ laat zich (voor het overige) als volgt samenvatten. De facturen van SDK waarvan zij betaling vordert, zijn onjuist berekend en geven onvoldoende inzicht in de hoogte van de daarin voorkomende bedragen. Indien MCRZ niet de beschikking krijgt over de gevraagde stukken, aan de hand waarvan zij de juistheid van de facturen kan controleren, en desalniettemin tot (gedeeltelijke) betaling van de facturen overgaat, loopt zij een risico. Blijkt zij namelijk achteraf te weinig te hebben betaald, dan wordt zij wettelijke rente verschuldigd. Betaalt zij, daarentegen, te veel, dan riskeert zij te blijven zitten met een vordering uit onverschuldigde betaling op een niet solvabele partij.

2.15

Op grond van het vierde lid van artikel 843a Rv is SDK niet gehouden de gevraagde stukken ter beschikking te stellen, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtspleging ook zonder verschaffing van die stukken is gewaarborgd.

2.16

Voor zover het hierboven onder 2.14 weergegeven standpunt van MCRZ geen betrekking heeft op enig procesrisico dat MCRZ in de onderhavige procedure zou kunnen lopen - daarbij moet gedacht worden aan risico’s die verbonden zijn aan de regels inzake stelplicht en bewijslast voor een procespartij -, maar uitsluitend op de risico’s die MCRZ loopt wanneer zij buiten rechte tot betaling overgaat van facturen waarvan zij de juistheid niet heeft gecontroleerd, is geen sprake van een situatie waarin een behoorlijke rechtspleging zonder verschaffing van de gevraagde stukken niet is gewaarborgd als bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv.

2.17

Gesteld noch gebleken is dat MCRZ in de hoofdzaak, wanneer zij niet over de gevraagde stukken beschikt, niet in staat zal zijn een eventuele stelplicht na te komen of in bewijsnood zal komen ten aanzien van een eventuele op haar rustende bewijslast. Verder geldt dat noch uit artikel 843a Rv noch uit het beginsel van ‘equality of arms’ voortvloeit dat SDK, ongeacht de dienaangaande door de rechter in de hoofdzaak te geven beslissingen, verplicht is de gevraagde stukken ter beschikking te stellen opdat MCRZ die stukken zelf in de procedure in de hoofdzaak in het geding kan brengen teneinde de rechtbank (bijvoorbeeld) te wijzen op de incorrecte berekeningen die aan de onderhavige facturen ten grondslag liggen.

Bij dit alles wordt in het midden gelaten of, zoals SDK lijkt te beweren, MCRZ thans reeds over (een deel van) de informatie beschikt waarop de gevraagde stukken betrekking hebben.

2.18

Van een rechtmatig belang van MCRZ als bedoeld in artikel 843a is derhalve geen sprake. Daarmee ligt zowel de primaire als de subsidiaire vordering van MCRZ voor afwijzing gereed.

2.19

De beslissing over de proceskosten zal worden gereserveerd tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

3 De beslissing

De rechtbank,

in het incident tot het wijzen van een provisioneel vonnis

wijst de vordering af;

reserveert de beslissing over de proceskosten tot de einduitspraak in de hoofdzaak,

in het exhibitie-incident

wijst de vordering af;

reserveert de beslissing over de proceskosten tot de einduitspraak in de hoofdzaak,

in de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 18 april 2007 voor conclusie van antwoord aan de zijde van MCRZ.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. de Loor-Alwin.

Uitgesproken in het openbaar.

901/1548