Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA0908

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
258335 / HA ZA 06-913
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wettelijke aansprakelijkheidsverzekering, uitsluiting van toepassing?, verlaten plaats ongeval, aansprakelijkheid feitelijke bestuurder ingevolge artikel 15 WAM? op voorhand geleverd bewijs dat gedaagde sub 2 de bestuurder was, toegelaten tot tegenbewijs, hoofdelijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 258335 / HA ZA 06-913

Uitspraak: 7 februari 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

handelende onder de naam FBTO,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseres,

procureur mr. L.Vos,

- tegen -

1. Aydin ALICIOGLU,

wonende te Rotterdam,

procureur mr. P.H.A. de Boer,

2. Lütfi EKINCI,

wonende te Rotterdam,

procureur mr. N. Lagerweij,

gedaagden.

Partijen blijven aangeduid als "Achmea" respectievelijk "Alicioglu" en "Ekinci”.

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

– dagvaarding d.d. 23 maart 2006 en de door Achmea overgelegde producties;

– conclusie van antwoord aan de zijde van Alicioglu, tevens houdende incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, met productie;

– conclusie van antwoord in het incident inzake vrijwaring aan de zijde van Achmea;

– tussenvonnis in het incident van deze rechtbank d.d. 12 juli 2006, waarbij de oproeping in vrijwaring is toegestaan;

– conclusie van antwoord aan de zijde van Ekinci;

– tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 23 augustus 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

– proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 1 november 2006, met daarbij de akte overlegging producties aan de zijde van Achmea.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voor zover van belang - het volgende vast:

2.1 Op 22 april 2004 is door de bestuurder van de Volkswagen Golf met kenteken 41-FP-LD (hierna: de Golf) een aanrijding veroorzaakt op de Mathenesserlaan te Rotterdam. Als gevolg van deze aanrijding is schade toegebracht aan een Volkswagen Sharan en aan een Peugeot 306. Voorts werd het wegdek verontreinigd. De bestuurder van de Golf heeft de plaats van de aanrijding verlaten zonder zijn identiteit kenbaar te maken.

2.2 De Golf was ten tijde van de aanrijding verzekerd bij Achmea ter zake van wettelijke aansprakelijkheid. De verzekeringnemer van deze “FBTO Personenautoverzekering” is Alicioglu.

2.3 Op deze personenautoverzekering zijn de “voorwaarden FBTO Personenautoverzekering” (verder: de polisvoorwaarden) van toepassing. In deze polisvoorwaarden is – voor zover thans van belang – het volgende opgenomen:

“Uitsluitingen

Artikel 6

FBTO verleent geen dekking in de volgende gevallen.

Onverminderd het bepaalde in artikel 3 van de Algemene Verzekeringsvoorwaarden is van de verzekering uitgesloten, tenzij uitdrukkelijk anders mocht zijn overeengekomen:

(...)

2 a 1 schade veroorzaakt terwijl de feitelijke bestuurder niet in het bezit is van een geldig, voor de

auto wettelijk voorgeschreven rijbewijs. (...)

e schade waarvan de verzekerde opzettelijk een onvolledige of onware opgave doet of waarbij hij

één van de in deze voorwaarden genoemde verplichtingen niet is nagekomen. (...)

h schade, terwijl de bestuurder van de verzekerde auto de plaats van het ongeval direct heeft

verlaten zonder zijn/haar identiteit duidelijk kenbaar te maken. (...)

Verplichtingen in geval van schade

Artikel 9

Zodra een verzekerde – respectievelijk diens rechtverkrijgende(n) – kennis draagt van een schadegeval, op grond waarvan onder deze verzekering door FBTO enige vergoeding van schade zou kunnen voortvloeien (...) is hij – respectievelijk zijn rechtverkrijgende(n) – verplicht:

a in elk geval binnen 6 dagen, het schadegeval te melden door het opsturen van het zo volledig

mogelijk ingevuld Europees schade-aangifteformulier, onder vermelding van een zo volledig

mogelijke omschrijving van het gebeurde en de aard en omvang van de ontstane schade.(...)

Verhaalsrecht van de verzekeraar

Artikel 13

1 FBTO heeft het recht de schade, met inbegrip van de gemaakte kosten, te verhalen op de

verzekernemer of op de verzekerde, indien FBTO volgens de voorwaarden of een wettelijke

bepaling, het recht heeft een uitkering te weigeren of te verminderen, maar tot betaling van

schadevergoeding aan de benadeelde moet overgaan, krachtens de WAM of een soortgelijke

buitenlandse wet.

2 Het onder 1 bedoelde verhaalsrecht kan onder meer door FBTO worden uitgeoefend in geval:

(...)

b enige uitsluiting van toepassing is.

(...)

d verplichtingen bij schade niet zijn nagekomen.”

2.4 Bij schrijven d.d. 15 juni 2004 heeft Achmea Alicioglu verzocht een schadeformulier in te vullen. Op 16 juni 2004 heeft Achmea een door Alicioglu ingevuld schadeformulier ontvangen. In dit schadeformulier heeft Alicioglu opgegeven dat Najeb Saber de bestuurder van de Golf is geweest ten tijde van de aanrijding.

2.5 Achmea heeft na de aanrijding schadevergoeding aan de gelaedeerden uitgekeerd, te weten:

– op 21 september 2004 een bedrag van € 7.732,64 aan Generali Verzekeringsgroep met betrekking tot de schade aan de Volkswagen Sharan;

– op 21 september 2004 een bedrag van € 4.370,- aan Ifa Assurantiën BV met betrekking tot de schade aan de Peugeot 306;

– op 12 januari 2005 een bedrag van € 816,17 aan de Gemeente Rotterdam met betrekking tot de verontreiniging aan het wegdek.

Achmea heeft een totaalbedrag van € 12.918,81 uitgekeerd.

2.6 Alicioglu had de Golf op 22 april 2004 uitgeleend aan Ekinci. Ekinci was op 22 april 2004 niet in het bezit van een geldig rijbewijs.

3 De vordering

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad ieder der gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 13.370,81, vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 12.102,64 vanaf 21 oktober 2004 en vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 816,17 vanaf 12 februari 2005 en vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van € 452,00 vanaf de dag der dagvaarding, alsmede tot veroordeling van de gedaagden in de proceskosten.

Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft Achmea aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:

Ten aanzien van Alicioglu

3.1 Tussen Alicioglu en Achmea is een motorrijtuigenverzekering overeengekomen met betrekking tot de Golf. Achmea heeft op grond van artikel 11 juncto artikel 6 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (hierna: WAM) de onder 2.5 weergegeven bedragen aan de gelaedeerden uitgekeerd in verband met de aanrijding op 22 april 2004, terwijl aan Alicioglu ingevolge artikel 6 tweede lid sub a.1, sub e en sub h van de polisvoorwaarden in casu geen dekking toekomt. De feitelijke bestuurder van de Golf ten tijde van de aanrijding was Ekinci. Hij was op 22 april 2004 niet in het bezit van een geldig rijbewijs. Bovendien zijn de verplichtingen in geval van schade ingevolge artikel 9 a van de polisvoorwaarden niet nagekomen. Tenslotte heeft de bestuurder van de Golf de plaats van de aanrijding verlaten zonder zijn identiteit kenbaar te maken. Achmea heeft op grond van artikel 13 lid 1 en 2 van de polisvoorwaarden het recht de door haar uitgekeerde schade op Alicioglu te verhalen.

3.2 Ingevolge artikel 185 WVW is Alicioglu aansprakelijk voor de gedragingen van Ekinci, door wie Alicioglu de auto heeft doen of heeft laten rijden.

Ten aanzien van Ekinci

3.3 Ekinci heeft de aanrijding veroorzaakt. Hij was ten tijde van de aanrijding niet in het bezit van een geldig rijbewijs. Ekinci mocht niet te goeder trouw aannemen dat zijn aansprakelijkheid gedekt was. Op grond van artikel 15 WAM heeft Achmea het recht de door haar uitgekeerde schade op Ekinci te verhalen.

Ten aanzien van Alicioglu en Ekinci

3.4 Ondanks herhaaldelijke sommaties daartoe zijn Alicioglu en Ekinci niet tot betaling van het bedrag van € 12.918,81 overgegaan. Alicioglu en Ekinci zijn derhalve in verzuim.

3.5 Alicioglu en Ekinci zijn aan Achmea wegens vertraging in de betaling van rechtswege de aangezegde wettelijke rente verschuldigd, over het bedrag ad € 12.102,64 te berekenen vanaf 21 oktober 2004 en over het bedrag ad € 816,17 te berekenen vanaf 12 februari 2005, zijnde steeds 30 dagen na datum schade-uitkering. Subsidiair vordert Achmea wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.

3.6 Op grond van artikel 6:96 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) zijn Alicioglu en Ekinci bij wege van schadevergoeding aan Achmea verschuldigd de te dezer zake door Achmea gemaakte buitengerechtelijke kosten ad € 452,- exclusief BTW, zijnde 1 punt van het toepasselijke liquidatietarief.

Ingevolge artikel 6:119 BW zijn Alicioglu en Ekinci over dit bedrag wettelijke rente verschuldigd vanaf de dag der dagvaarding.

4 Het verweer van Alicioglu

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Achmea in de kosten van het geding.

Alicioglu heeft daartoe het volgende aangevoerd:

4.1 De Golf werd ten tijde van de aanrijding niet door Ekinci bestuurd. Najeb Saber is verantwoordelijk voor het als feitelijk bestuurder veroorzaken van de schade op 22 april 2004. Najeb Saber was op deze datum in het bezit van een rijbewijs.

4.2 De uitsluiting van dekking ingevolge artikel 6 lid 2 onder h van de voorwaarden is gecreëerd om te voorkomen dat verzekeringsmaatschappijen met onverhaalbare schades worden geconfronteerd. Nu Najeb Saber bij de politie heeft verklaard dat hij het ongeval heeft veroorzaakt, doet een dergelijke situatie zich hier niet voor.

4.3 Aangezien Alicioglu een aanrijdingsformulier aan Achmea heeft gestuurd en op verzoeken van Achmea heeft gereageerd, heeft hij voldaan aan de op hem rustende informatieverplichting ex artikel 8 WAM.

5 Het verweer van Ekinci

Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Achmea in de kosten van het geding.

Ekinci heeft daartoe aangevoerd dat hij ten tijde van de aanrijding niet de bestuurder was van de Golf.

6 De beoordeling

Ten aanzien van Alicioglu

6.1 Partijen twisten over de vraag of Achmea krachtens artikel 13 van de polisvoorwaarden een verhaalsrecht heeft op Alicioglu. Krachtens dit artikel heeft Achmea een verhaalsrecht op Alicioglu onder meer als enige uitsluiting van toepassing is en als verplichtingen bij schade niet zijn nagekomen.

6.2 Ter onderbouwing van haar stelling dat er in het onderhavige geval een uitsluiting van toepassing is, heeft Achmea aangevoerd dat de bestuurder van de Golf de plaats van de aanrijding heeft verlaten zonder zijn identiteit kenbaar te maken, in welk geval FBTO krachtens artikel 6, tweede lid sub h van de polisvoorwaarden geen dekking verleent.

6.3 De rechtbank begrijpt het verweer van Alicioglu op dit punt aldus dat een beroep op artikel 6, tweede lid sub h van de polisvoorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid in onderhavige situatie onaanvaardbaar is, nu geen sprake is van een situatie waarin de verzekeringsmaatschappij de schade niet kan verhalen aangezien Najeb Saber zich als bestuurder heeft gemeld.

6.4 Dit verweer wordt verworpen. Als al aangenomen dient te worden dat de uitsluiting vermeld in artikel 6, tweede lid sub h, uitsluitend in de algemene voorwaarden is opgenomen teneinde te voorkomen dat er een situatie ontstaat waarin de identiteit van de veroorzaker van de schade niet bekend is, zodat de verzekeringsmaatschappij niet kan beoordelen of verhaal van de schade mogelijk is, dan is dat juist een situatie die in onderhavig geval is ontstaan. Doordat de bestuurder in casu de plaats van het ongeval heeft verlaten zonder zijn identiteit kenbaar te maken, staat deze identiteit niet onomstotelijk vast, waardoor Achmea zich genoodzaakt heeft gezien onderhavige procedure te starten. Onder deze omstandigheden is het beroep dat Achmea doet op de uitsluiting naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar.

6.5 Een en ander betekent dat Achmea terecht heeft aangevoerd dat de uitsluiting van artikel 6, tweede lid sub h van de polisvoorwaarden van toepassing is, zodat Achmea krachtens artikel 13 van deze polisvoorwaarden een verhaalsrecht op Alicioglu heeft ten aanzien van de door haar betaalde schadevergoedingen. Nu de gevorderde hoofdsom reeds hierom kan worden toegewezen, behoeft hetgeen Achmea hiertoe overigens heeft aangevoerd geen bespreking meer.

6.6 De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen, als niet betwist, worden toegewezen.

6.7 De hoogte en de ingangsdata van de gevorderde wettelijke rente is niet betwist, zodat ook dit deel van de vordering voor toewijzing gereed ligt.

6.8 Achmea heeft voorts gevorderd dat Alicioglu en Ekinci hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het door haar gevorderde bedrag. Een dergelijke hoofdelijkheid zou in het onderhavige geval slechts kunnen worden aangenomen op grond van artikel 6:6 tweede lid BW, dat bepaalt dat personen hoofdelijk zijn verbonden indien ieder van hen ten aanzien van een zelfde schuld voor het geheel aansprakelijk is. Of dit in casu het geval is hangt af van de uitkomst van het geschil tussen Achmea en Ekinci. De rechtbank zal de beslissing ter zake van de hoofdelijkheid aanhouden in afwachting daarvan.

Ten aanzien van Ekinci

6.9 Achmea heeft aan haar vordering artikel 15 WAM ten grondslag gelegd. Ingevolge dit artikel kan de verzekeraar die ingevolge de WAM de schade van een benadeelde geheel of ten dele vergoedt, ofschoon de aansprakelijkheid voor die schade niet door een met haar gesloten verzekering was gedekt, het bedrag van de schadevergoeding verhalen op de aansprakelijke persoon. Indien de aansprakelijke persoon niet de verzekeringnemer is, kan dit slechts indien de aansprakelijke persoon niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt. Bij de beoordeling is het derhalve van belang vast te stellen of Ekinci de bestuurder was van de Golf ten tijde van de aanrijding op 22 april 2004, hetgeen tussen partijen in geschil is.

6.10 Ten bewijze van haar stelling dat Ekinci ten tijde van de aanrijding de bestuurder van de Golf was, heeft Achmea een aantal processen-verbaal van de Politie Rotterdam-Rijnmond overgelegd. Ekinci heeft zich verweerd met de stelling dat hij weliswaar eerder op 22 april 2004 - als passagier - in de Golf heeft gereden, doch dat hij ten tijde van de aanrijding niet als bestuurder in de Golf heeft gereden.

6.11 Ingevolge de hoofdregel van de bewijslastverdeling zoals neergelegd in artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust in beginsel op Achmea de bewijslast van haar stelling dat Ekinci de bestuurder was van de Golf ten tijde van de aanrijding op 22 april 2004. Uit hetgeen door partijen naar voren is gebracht en uit de door hen overgelegde producties blijkt dat Ekinci in het verleden meermalen zonder geldig rijbewijs een auto heeft bestuurd, waaronder op 14 februari 2004 de bewuste Golf. Voorts staat vast dat de Golf ten tijde van de aanrijding was uitgeleend aan Ekinci. Eveneens staat vast dat de mobiele telefoon van Ekinci na de aanrijding in de Golf is aangetroffen. Ekinci heeft hieromtrent gesteld dat hij zijn mobiele telefoon en zijn huissleutels in de Golf heeft achtergelaten, omdat hij naar een luidruchtige uitgaansgelegenheid ging, doch de rechtbank acht dit, mede gelet op het feit dat Ekinci verder heeft betoogd dat hij de autosleutels aan een derde, te weten Najib Saber, heeft gegeven, onaannemelijk. Verder heeft Ekinci geen schriftelijke verklaring van Najib Saber in het geding gebracht dat hij degene is geweest die de Golf bestuurde ten tijde van de aanrijding. Gezien het voorgaande acht de rechtbank het bewijs van de stelling van Achmea op voorhand geleverd. Ekinci zal in de gelegenheid worden gesteld daartegen tegenbewijs te leveren.

6.12 Indien te zijner tijd komt vast te staan dat Ekinci de bestuurder was van de Golf ten tijde van de aanrijding, komt daarmee tevens vast te staan dat Ekinci aansprakelijk is voor de aanrijding. Nu Achmea onweersproken heeft gesteld dat Ekinci niet te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid gedekt was, is de vordering van Achmea ten aanzien van de door haar uitgekeerde schadevergoedingen derhalve alsdan toewijsbaar.

6.13 De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen alsdan, als onbetwist, worden toegewezen.

6.14 De hoogte en de ingangsdata van de gevorderde wettelijke rente is niet betwist, zodat dit deel van de vordering alsdan tevens voor toewijzing gereed ligt.

6.15 In afwachting van de bewijslevering houdt de rechtbank alle overige beslissingen aan.

7 De beslissing

De rechtbank,

ten aanzien van Alicioglu

houdt alle beslissingen aan;

ten aanzien van Ekinci

alvorens verder te beslissen,

laat Ekinci toe tot het leveren van tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van Achmea dat Ekinci de bestuurder was van de Golf ten tijde van de aanrijding op 22 april 2004 op de Mathenesserlaan te Rotterdam;

bepaalt dat indien Ekinci dit bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, deze zullen worden gehoord in het gebouw van deze rechtbank voor de rechter mr. M. Fiege;

bepaalt dat de procureur van Ekinci binnen twee weken na vonnisdatum opgave moet doen van de voor te brengen getuigen en de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in de maanden april, mei en juni 2007 en dat de procureur van Achmea binnen dezelfde periode opgave moet doen van de verhinderdata van de betrokkenen aan zijn zijde in dezelfde periode, waarna dag en uur van de verhoren zullen worden bepaald;

bepaalt dat het aan de hand van de opgaven vastgestelde tijdstip, behoudens dringende redenen, niet zal worden gewijzigd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

1835/204