Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA0854

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-03-2007
Datum publicatie
16-03-2007
Zaaknummer
10/612464-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van verdachte van de ten laste gelegde ontucht met zijn dochter.

Tegenover de stellige en volhardende ontkenning door de verdachte komt aan de verklaringen van aangeefster en slachtoffer en de medische verklaring met betrekking tot het bij slachtoffer verrichte onderzoek onvoldoende overtuigingskracht toe, ook wanneer deze verklaringen in onderlinge samenhang worden bezien.

Uitvoerige motivering van de vrijspraak.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 244
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 10/611225-06

Parketnummer van de vordering TUL VV: 10/612464-05

Datum uitspraak: 12 maart 2007

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op 1965 in het district Nickerie, Suriname,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

[penitentiaire inrichting],

raadsvrouw mr. L.W Engelman, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2007.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. Van de dagvaarding en de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën, aangeduid als A1 tot en met A3 als bijlagen aan dit vonnis gehecht. Deze bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Van Heemst heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de straf groot 3 maanden die aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis d.d. 11 april 2005 van de politierechter in Rotterdam.

Op de terechtzitting heeft de officier van justitie deze vordering aangepast in die zin dat thans wordt verzocht de proeftijd die aan deze voorwaardelijke veroordeling is verbonden met een jaar te verlengen.

VRIJSPRAAK

De verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 zowel primair als subsidiair ten laste gelegde.

In het dossier bevinden zich enkele voor de verdachte belastende verklaringen en andere schriftelijke bescheiden, die op zichzelf als wettig bewijsmiddel gebruikt zouden kunnen worden.

De meest belastende verklaring betreft de aangifte van [slachtoffer 1], de echtgenote van de verdachte. Deze aangifte is vastgelegd in het proces-verbaal van aangifte d.d. 19 september 2006 (nummer 2006328833-1).

[Slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte op 10 september 2006, de datum genoemd in de tenlastelegging, samen met hun dochtertje [slachtoffer 2] naar een kinderboerderij is geweest. Toen zij haar dochtertje ’s avonds na het douchen aan het afdrogen was gaf ze aan dat ze pijn had aan haar poeni, waarmee ze haar vagina bedoelde. Ze zei dat haar papa had gezegd dat zij haar poenie moest laten zien. Verder zei [slachtoffer 2] dat papa zo deed waarbij zij met haar vinger over haar clitoris wreef. Vervolgens zag [slachtoffer 1] dat [slachtoffer 2] met haar vinger wreef verder naar binnen toe. [Slachtoffer 2] zei voorts dat papa ook dit had gedaan waarbij het kind haar tong uitstak en likkende bewegingen maakte en wees in de richting van haar vagina. [Slachtoffer 1] heeft vervolgens naar de vagina van [slachtoffer 2] gekeken en zag dat haar clitoris rood was en dat bij haar anus het vliesje rood en gescheurd was.

Voorts is door [slachtoffer 1] verklaard dat zij de verdachte sedert 1999 (thans zeven á acht jaar) kent en dat zij hem er al sinds 2001 van verdenkt dat hij seksueel contact met kinderen heeft gehad. Dat zou de verdachte haar destijds in een dronken bui verteld hebben. [Slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij haar dochter uit een eerder huwelijk, [naam], daarom heeft gewaarschuwd voor de verdachte en ook hun dochtertje [slachtoffer 2] om die reden nooit met hem alleen heeft gelaten.

[Slachtoffer 1] heeft tevens verklaard dat:

- zij door de ex-vrouw van de verdachte, [naam], is gewaarschuwd voor de verdachte omdat hij die [naam] tijdens hun huwelijk psychisch kapot heeft gemaakt en heeft mishandeld;

- zij gezien heeft dat de verdachte zijn nichtje van tien jaar, [naam], tijdens een verjaardagsvisite seksueel heeft betast;

de oudste zus van de verdachte aan [slachtoffer 1] heeft verteld dat de verdachte seks heeft gehad met de veertienjarige dochter van die zus;

- toen zij, [slachtoffer 1] terugkeerde van 3 maanden detentie in mei 2005 [slachtoffer 2] heeft aangegeven dat zij pijn had aan haar vagina en dat papa dat gedaan had;

- zij de verdachte er van verdenkt een seksuele relatie te hebben met een van zijn zussen.

Naar deze beweringen van [slachtoffer 1] is onderzoek gedaan. Daaruit is het volgende naar voren gekomen.

- de ex-vrouw van de verdachte, [naam], heeft tegenover de politie verklaard (proces-verbaal van bevindingen nummer 2006318833-16) dat de verdachte tijdens hun huwelijk geen slechte, maar een goede man is geweest die altijd voor haar klaarstond en zich tijdens hun elfjarig huwelijk op seksueel gebied nooit vreemd of bijzonder heeft gedragen;

- de vader van [naam], [naam], heeft tegenover de politie verklaard (proces-verbaal van bevindingen nummer 2006318833-18) dat er nooit signalen zijn geweest dat de verdachte zijn dochter iets zou hebben aangedaan en dat overigens het contact met de verdachte al elf jaar geleden verbroken was en hij ook al zo lang niet meer op familiefeestjes aanwezig is geweest;

- de zusters van de verdachte bevestigen niet dat de verdachte een seksuele relatie met zijn nichtje zou hebben gehad en geloven ook niet dat de verdachte incest met zijn dochtertje gepleegd zou hebben (processen-verbaal van verhoor getuige nummers 2006318833-20 en 2006318833-21);

- [slachtoffer 2] was in mei-juni 2005 nog geen anderhalf jaar oud ; algemeen bekend is dat kinderen van die leeftijd (nog) niet in staat zijn te ‘vertellen’ of anderszins specifiek aan te geven dat hun vader in de voorafgaande drie maanden pijn zou hebben veroorzaakt aan hun vagina;

- de zuster met wie de verdachte een seksuele relatie zou hebben ontkent dit ten stelligste.

Met betrekking tot de angst van [slachtoffer 1] dat de verdachte haar dochtertje [naam] seksueel zou misbruiken wordt opgemerkt dat [naam] tegenover de politie heeft verklaard (proces-verbaal nummer 2006318833-6) dat zij nimmer door de verdachte, haar stiefvader, seksueel is benaderd of aangeraakt.

Met betrekking tot de bewering van [slachtoffer 1] dat [slachtoffer 2] heeft aangegeven dat de verdachte haar aan haar vagina heeft gelikt wordt opgemerkt dat in het door [slachtoffer 1] ter onderzoek afgestane onderbroekje dat [slachtoffer 2] op 10 september 2006 aanhad, blijkens het rapport van 19 februari 2007 van het Nederlands Forensisch Instituut, niet alleen geen sporen van sperma of bloed zijn aangetroffen, maar ook geen sporen van speeksel.

Uit het bovenstaande blijkt dat de aangifte van [slachtoffer 1] op diverse punten niet overeenstemt, dan wel wordt tegengesproken of niet wordt bevestigd door anderen, of wel merkwaardig voorkomt. Gelet hierop is niet uit te sluiten dat de verklaring van [slachtoffer 1] omtrent de op 10 september 2006 door haar waargenomen signalen van [slachtoffer 2] - die er op zouden kunnen duiden dat zij op die dag ernstig seksueel misbruikt is door de verdachte - moet worden bezien in het licht van het wantrouwen dat [slachtoffer 1] naar eigen zeggen al jaren koestert ten aanzien van de - nergens anders uit blijkende - seksuele voorkeur van de verdachte voor kleine meisjes.

Behalve de aangifte van [slachtoffer 1] bevinden zich voorts bij de stukken de verklaringen van de zoon van [slachtoffer 1], [naam] (proces-verbaal nummer 2006318833-7), en van haar dochter [naam] over hetgeen [slachtoffer 2] gezegd en gedaan heeft op 10 september 2006. Dit betreffen echter geen spontane uitingen van [slachtoffer 2] over het gebeuren. [Naam] en [naam] hebben immers pas van [slachtoffer 2] vernomen wat er gebeurd zou zijn nadat [slachtoffer 1] dan wel [naam] [slachtoffer 2] ertoe hadden aangespoord te herhalen wat zij eerder tegen [slachtoffer 1] had gezegd.

Bij de stukken zijn voorts aanwezig een medische- en FARR-verklaring met betrekking tot het bij [slachtoffer 2] verrichte onderzoek. Daarover wordt het volgende opgemerkt.

[Slachtoffer 2] is op 14 september 2006 door een kinderarts van het Meldpunt Kindermishandeling van het Sophia Kinderziekenhuis te Rotterdam onderzocht. Op 21 september 2006 heeft de kinderarts daarover een medische verklaring opgesteld waarin zij tot de conclusie komt dat het bij [slachtoffer 2] waargenomen letsel bij seksueel misbruik zou kunnen passen.

Blijkens het proces-verbaal van bevindingen nummer 2006318833-23 heeft de politie de kinderarts aanvullend gehoord over de bewering van de verdachte dat het geconstateerde letsel mogelijk is veroorzaakt door de zgn. wipkip waarop [slachtoffer 2] heeft gezeten toen hij met haar op de kinderboerderij was. De kinderarts heeft daarover verklaard dat zij niet 100 % kan uitsluiten dat het eerder door haar geconstateerde letsel door die wipkip is veroorzaakt, maar dat zij gezien de verklaring die door de moeder van [slachtoffer 2] aan haar was gegeven over het seksueel gedrag van haar dochtertje zij dit niet vond passen bij een kind van 2 ½ jaar. Weliswaar is de medische verklaring daarmee niet als ‘afgeleid’ van de observaties en verklaringen van [slachtoffer 1] te bestempelen, maar evenmin is uit te sluiten dat de kinderarts, bij het medisch onderzoek en de beantwoording van de vraag of het geconstateerde letsel veroorzaakt zou kunnen zijn door seksueel misbruik, is beïnvloed door de informatie die voorafgaand aan het onderzoek aan haar is verstrekt door [slachtoffer 1], die, zoals hierboven is aangegeven, tegenover de politie een verklaring heeft afgelegd die op verschillende punten niet door anderen wordt bevestigd.

Concluderend leidt het vorenstaande er toe dat, tegenover de stellige en volhardende ontkenning door de verdachte, aan de verklaringen van [slachtoffer 1], haar kinderen [naam] en [naam] en de medische verklaring met betrekking tot het bij [slachtoffer 2] verrichte onderzoek onvoldoende overtuigingskracht toekomt, ook niet wanneer deze verklaringen in onderlinge samenhang worden bezien.

Ander bewijsmateriaal voor het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde is niet voorhanden, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 19 september 2006 te Schiedam

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1]

dreigend de woorden toegevoegd :"Ik ga je afmaken en dan kom ik tot rust".

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Namens de verdachte is aangevoerd dat hij ook van feit 2 moet worden vrijgesproken.

De verdachte was begrijpelijkerwijs boos op [slachtoffer 1] nu zij die dag aangifte had gedaan tegen de verdachte omdat hij seksuele handelingen met hun dochter zou hebben verricht. Er ontstond een ruzie waarbij er over en weer is geschreeuwd en gescholden. De verdachte ontkent zijn echtgenote daarbij te hebben bedreigd. Dat de kinderen van [slachtoffer 1], [naam] en [naam] anders hebben verklaard, zou te verklaren zijn uit hun loyaliteit naar [slachtoffer 1] toe.

Dit verweer wordt verworpen.

Behalve [slachtoffer 1] hebben ook haar kinderen [naam] en [naam] verklaard dat zij de verdachte tegen [slachtoffer 1] hebben horen schreeuwen dat hij pas rust zou krijgen wanneer hij [slachtoffer 1] doodgemaakt zou hebben. Mede gelet op de aangifte van seksueel misbruik die [slachtoffer 1] die dag tegen de verdachte had gedaan en de ruzie die daarover ontstond, staat op grond van deze verklaringen buiten iedere redelijke twijfel vast dat de verdachte zich aldus heeft uitgelaten.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

2.

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het feit is strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn financiële draagkracht. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Tijdens een hoogopgelopen ruzie over het feit dat zij die dag bij de politie aangifte tegen hem had gedaan van seksueel misbruik van zijn -toen- twee jaar oude dochtertje heeft de verdachte zijn echtgenote bedreigd door tegen haar te roepen dat hij pas rust zou vinden indien hij haar zou hebben afgemaakt. De verdachte was kwaad op zijn echtgenote omdat haar aangifte -volgens hem- niet op de waarheid berust. Indien dit juist zou zijn, is de boosheid van de verdachte over de gedane aangifte niet onbegrijpelijk. Een rechtvaardiging voor de geuite bedreiging is dit echter niet, zeker niet nu de twee stiefkinderen van de verdachte daarvan getuige waren. Behalve voor zijn echtgenote moet deze gebeurtenis ook voor hen een nare ervaring zijn geweest.

Mede gelet op het strafblad van de verdachte zal hij daarom worden veroordeeld tot betaling van een geldboete. Op die boete zal een zodanig deel van het door de verdachte ter zake van de beschuldiging van seksueel misbruik ondergane voorarrest in mindering worden gebracht dat die boete per saldo uitkomt op nihil.

VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 11 april 2005 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van mishandeling van zijn echtgenote veroordeeld - voor zover van belang - tot een gevangenisstraf van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is op grond van artikel 14b, derde lid van het Wetboek van Strafrecht ingegaan op 26 april 2005.

Door het plegen van het onder 2 bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

Gelet op de betrekkelijk geringe ernst van dit feit wordt, anders dan uiteindelijk door de officier van justitie is gevorderd, hierin geen aanleiding gezien de proeftijd te verlengen. De aldus gewijzigde vordering van de officier van justitie zal daarom worden afgewezen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 23 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 150,00 (zegge: honderd vijftig euro), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door drie dagen hechtenis;

beveelt dat van de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht een gedeelte groot drie dagen bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van € 50,00 per dag;

wijst af de door de officier van justitie gevorderde verlenging van de proeftijd, verbonden aan de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 11 april 2005 aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. De Knoop en Van ‘t Klooster, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Begheyn-Tiebosch, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 maart 2007.