Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:BA0755

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-03-2007
Datum publicatie
15-03-2007
Zaaknummer
WWB 06/2470-VERW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stopzetting subsidie ID-baan. Assessment; belanghebbende.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: WWB 06/2470-VERW

Uitspraak in het geding tussen

Naam, wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 8 november 2005 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat uit een assessment was gebleken dat hij voldoende kennis en vaardigheden heeft om in een niet-gesubsidieerde baan te werken en dat dit betekent dat de subsidie voor zijn ID-baan niet langer als doelmatig kon worden beschouwd. Tevens heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij had besloten de loonkostensubsidie aan zijn werkgever voor zijn ID-baan voor maximaal één jaar voort te zetten met de mogelijkheid van een verlenging met maximaal voor één jaar.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 december 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 mei 2006 heeft verweerder het bezwaar, overeenkomstig het advies van zijn algemene bezwaarschriftencommissie, ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 8 juni 2006 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 12 oktober 2006 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2007. Eiser was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.H.K. Bruggeman.

2 Overwegingen

2.1 Feiten en omstandigheden

Eiser is vanaf 1999 werkzaam bij Stichting [naam]. Zijn werkgever ontvangt op grond van het Besluit in- en doorstroombanen (hierna: het Besluit I/D) een subsidie ter voldoening dan wel ter compensatie van de loonkosten van eiser. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij in 1999 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aangeboden had gekregen.

Naar aanleiding van de decentralisering van de maatregelen en bekostiging van gesubsidieerde arbeid en de daarmee gepaard gaande wijziging in de bekostiging heeft verweerder in september 2004 de notitie “Uitstroom ID-banen en inzet reïntegratieplaatsen” vastgesteld. Ter uitvoering hiervan heeft verweerder, nadat eiser een assessment had ondergaan, het primaire besluit genomen, welk besluit verweerder na bezwaar van eiser heeft gehandhaafd.

Bij besluit van 21 september 2006 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de aan eisers werkgever te betalen loonkostensubsidie voor maximaal 12 maanden wordt verlengd tot uiterlijk 30 november 2007.

2.2 Standpunten partijen

Eiser voert in beroep aan dat hij niet op de hoogte was van de mogelijkheid om het assessmentverslag te gebruiken in de bezwaarprocedure. Eiser stelt dat de termijn waarvoor nog subsidie wordt verstrekt onduidelijk is en dat hem niet is gebleken dat de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Rotterdam en zijn werkgever bezig zijn om uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt voor hem mogelijk te maken. Volgens eiser zijn in de bezwaarprocedure niet al zijn bezwaren behandeld, hetgeen hij onzorgvuldig vindt.

Eiser heeft ter zitting aangegeven zowel bezwaar te hebben tegen de uitkomst van het assessment als tegen het bestreden besluit.

Verweerder stelt dat eiser om schriftelijke toestemming is gevraagd om het assessmentverslag in de bezwaarprocedure te gebruiken en dat deze toestemming niet is verkregen. Volgens verweerder had eiser kunnen weten dat het verslag niet tot de stukken van de bezwaarprocedure behoorde. Verweerder stelt dat de voortzetting van de subsidie voor maximaal een jaar is aangevangen op de eerste dag na de datum van het primaire besluit. Het gegeven dat eiser dit onbevredigend vindt alsmede het gegeven dat hij niet op de hoogte is van activiteiten van zijn werkgever om uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt te bewerkstelligen doen niets af aan het subsidiebesluit. Aan deze gegevens kunnen volgens verweerder geen rechtsgevolgen worden verbonden. Verweerder meent dat in de bezwaarprocedure op alle bezwaren van eiser is ingegaan. Nu eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar te maken tegen de uitkomst van het assessment meent verweerder dat hij deze uitkomst ten grondslag heeft mogen leggen aan het bestreden besluit.

2.3 Wettelijk kader

Artikel 5 van de Wet inschakeling werkzoekenden (Wiw), zoals deze bepaling luidde tot 1 januari 2004, bepaalt het volgende:

“1. De gemeente kan ter uitvoering van artikel 2 subsidie verstrekken aan werkgevers die met langdurig werklozen of jongeren een arbeidsovereenkomst sluiten om hen in de gelegenheid te stellen werkervaring op te doen.

2. De gemeente schakelt derden in bij het bemiddelen naar arbeidsovereenkomsten als bedoeld in het eerste lid.

3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld voor de hoogte van het subsidiebedrag en de duur van en de voorwaarden voor de subsidieverstrekking.”

Artikel 6 van het Besluit I/D, zoals deze bepaling gold tot 1 januari 2004, luidt als volgt:

“1. Een werkgever ontvangt van de gemeente een vergoeding voor de kosten die voortvloeien uit een dienstbetrekking die is aangegaan met een langdurig werkloze.

2. De gemeente verstrekt de vergoeding slechts aan de werkgever:

a. indien de dienstbetrekking wordt aangegaan met een persoon, die volgens een door het gemeentebestuur, bedoeld in artikel 5, eerste lid, afgegeven schriftelijke verklaring een langdurig werkloze is;

b. indien de werkgever voor de loonkosten voortvloeiend uit het aangaan van die dienstbetrekking geen andere subsidie ontvangt of die kosten niet op andere wijze kan verminderen dan op grond van de hoofdstukken III en IV van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen, artikel 79b van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de artikelen 82, 82a of 97c van de Werkloosheidswet, tenzij een subsidie voor meerkosten als bedoeld in artikel 16 van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten wordt ontvangen;

c. indien de dienstbetrekking voldoet aan de vereisten van de arbeidsduur, bedoeld in artikel 8, de vereisten van de beloning, bedoeld in de artikelen 9 en 10, en de werkgever artikel 11 omtrent scholing in acht neemt.”

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Invoeringswet Wet werk en bijstand (hierna: IWWB) worden de Algemene bijstandswet, de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden, de Wet financiering Abw, IOAW en IOAZ en het Besluit I/D ingetrokken. Uit het tweede lid volgt dat de datum waarop deze wettelijke regelingen vervallen kan verschillen.

In artikel 4, eerste lid, van de IWWB is bepaald dat besluiten die zijn genomen op grond van de Algemene bijstandswet, de Wet inschakeling werkzoekenden of het Besluit I/D gelden als besluiten op grond van de Wet werk en bijstand.

Artikel 14 van de IWWB bepaalt het volgende:

“1. Een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4 van de Wet inschakeling werkzoekenden, een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van die wet en een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen gelden als een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Wet werk en bijstand.

2. Op dienstbetrekkingen als bedoeld in de Wet inschakeling werkzoekenden blijft titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek alsmede de artikelen 4, tweede, zesde en zevende lid, en 11, aanhef en onderdeel a, van de Wet inschakeling werkzoekenden van toepassing. Op deze dienstbetrekkingen is artikel 134, tweede lid, van de Ambtenarenwet niet van toepassing.”

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand en van de IWWB, en voor zover thans van belang, treedt de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in werking met ingang van 1 januari 2004, met dien verstande dat de artikelen 8, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, 8a, (…) in werking treden met ingang van 1 januari 2005.

Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, bepaalt dat het college verantwoordelijk is voor niet-uitkeringsgerechtigden bij arbeidsinschakeling en, indien het college daarbij het aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling noodzakelijk acht, voor het bepalen en aanbieden van deze voorziening.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.

Artikel 10 van de WWB, voor zover hier van belang, bepaalt het volgende:

“1. (…) niet-uitkeringsgerechtigden hebben, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die vanwege een voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet tot een van de groepen, bedoeld in het eerste lid, behoren.”

Op 4 maart 2004 heeft de gemeenteraad van Rotterdam ter uitvoering van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand (hierna: de Reïntegratieverordening) vastgesteld. Deze verordening is in werking getreden op 1 mei 2004.

Ingevolge artikel 2 van de Reïntegratieverordening, voor zover hier van belang, heeft deze verordening betrekking op de ondersteuning van klanten bij de arbeidsinschakeling, waarvoor het college verantwoordelijk is op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de wet.

Ingevolge artikel 38 van deze verordening blijft de subsidie waarop een werkgever voor een werknemer op 31 december 2003 aanspraak had op grond van artikel 5, eerste lid, van de Wiw, of artikel 6 van het Besluit I/D, gehandhaafd onder de voorwaarden zoals die golden op 31 december 2003, tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst eindigt.

In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge artikel 4:50, eerste lid, van de Awb kan het bestuursorgaan zolang de subsidie niet is vastgesteld de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen:

a. voor zover de subsidieverlening onjuist is;

b. voor zover veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten zich in overwegende mate tegen voorzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, of

c. in andere bij wettelijk voorschrift geregelde gevallen.

Ingevolge artikel 4:51, eerste lid, van de Awb geschiedt, indien aan een subsidie-ontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderende omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voorzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn.

2.4 Beoordeling

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of eiser, als werknemer van Stichting Werkgeversinstituut Sociaal Cultureel Werk Rotterdam, als belanghebbende kan worden aangemerkt bij een besluit, waarbij aan zijn werkgever subsidie wordt verstrekt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB en artikel 10, tweede lid, van de WWB volgt dat de verantwoordelijkheid van verweerder zich uitstrekt over personen, niet-uitkeringsgerechtigden, bij de arbeidsinschakeling en dat verweerder zich richt tot deze personen voor zover het gaat om het aanbieden van voorzieningen die zijn gericht op arbeidsinschakeling. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat sprake is van een één-op-één situatie voor zover het gaat om de toekenning van subsidie aan een werkgever, nu deze subsidie nadrukkelijk en uitsluitend wordt toegekend voor dan wel in verband met de arbeidsverhouding met een bepaalde werknemer. Ter beoordeling van een mogelijke subsidietoekenning staat de persoon van die werknemer, waaronder zijn of haar mogelijkheden en beperkingen, centraal. Uit onderhavige procedure is voorts gebleken dat voorafgaande aan het primaire besluit in opdracht van verweerder een assessment heeft plaatsgevonden, waaraan eiser verplicht was mee te werken en waarvan de uitkomst bepalend was voor het daarna door verweerder te nemen subsidiebesluit (het primaire besluit). Tevens blijkt uit de stukken die door verweerder aan de werkgevers en aan de werknemers zijn verstrekt dat verweerder rekening houdt met de mogelijkheid dat, na beëindiging van de subsidie, de arbeidsverhouding eveneens wordt beëindigd. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de persoon van eiser zodanig nauw is verweven met het besluit tot toekenning van subsidie aan zijn werkgever dat sprake is van een rechtstreeks belang als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat eiser als belanghebbende bij dit besluit dient te worden aangemerkt.

Met betrekking tot de inhoudelijke beoordeling van het beroep wordt het volgende overwogen.

In verband met een wijziging in de financiële structuur van gesubsidieerde arbeid heeft verweerder zich genoodzaakt gezien om anders om te gaan met de op grond van de Wiw en het Besluit I/D gesubsidieerde banen, welke subsidiëringen vanaf 1 januari 2004 onder de WWB vallen. Het kader voor deze koerswijziging wordt gevormd door het door de gemeenteraad aangegeven beleid en de door de raad vastgestelde Reïntegratieverordening alsmede door verweerders uitvoeringsnotitie “Uitstroom ID-banen en inzet reïntegratieplaatsen”. Met behulp van dit kader wenst verweerder te komen tot een afbouw van de bestaande gesubsidieerde arbeid. Ter nadere regeling heeft de algemeen directeur van de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (nadere) regels met betrekking tot gesubsidieerde arbeid vastgesteld. Voor zover deze regels betrekking hebben op de loonkostensubsidie, zien ze met name op arbeid die - voor het eerst - op grond van artikel 25 van de Reïntegratieverordening wordt gesubsidieerd. Bij onderhavige beoordeling zijn deze nadere regels niet direct van belang, waardoor de rechtbank de toepasselijkheid van deze regels in het midden laat.

In het voorjaar van 2005 heeft verweerder de werknemers die op dat moment in aanmerking kwamen voor gesubsidieerde arbeid, waaronder eiser, verplicht om mee te werken aan een assessment. Aan de hand van deze assessments vindt er een indeling plaats in drie categorieën:

1. de desbetreffende werknemer heeft voldoende kennis en vaardigheden om in een niet-gesubsidieerde baan te werken. In dat geval wordt de loonkostensubsidie aan de werkgever nog maximaal een jaar voortgezet.

2. de desbetreffende werknemer moet, voordat hij in een reguliere, niet-gesubsidieerde baan kan werken, nog scholing volgen. In dat geval wordt de loonkostensubsidie aan de werkgever nog maximaal twee jaar voortgezet.

3. de desbetreffende werknemer is aangewezen op een baan in het kader van de sociale werkvoorziening (Wsw-baan). In dat geval wordt de loonkostensubsidie gehandhaafd tot de overgang naar een Wsw-baan.

In de eerste twee situaties kan (maximaal) een extra jaar subsidie worden toegekend als blijkt dat de werkgever de desbetreffende werknemer nog in dienst houdt.

Uit het in geding zijnde subsidiebesluit volgt dat eiser volgens verweerder in de eerste categorie valt.

Gezien het hiervoor weergegeven wettelijk en feitelijk kader - en met inachtneming van artikel 8:69 van de Awb - is de rechtbank van oordeel dat de toetsing van het in geding zijnde subsidiebesluit met name dient plaats te vinden aan de hand van de feitelijke beoordeling door verweerder van de kennis en bekwaamheden van eiser op grond waarvan verweerder tot de conclusie is gekomen dat eiser kan uitstromen naar reguliere, niet-gesubsidieerde arbeid. Hierbij dient in acht te worden genomen dat eiser reeds geruime tijd voor gesubsidieerde arbeid in aanmerking komt, in verband waarmee de overgangsregeling, zoals opgenomen in artikel 38 van de Reïntegratieverordening, van belang is. Daarnaast dient het bestreden besluit te worden getoetst aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel op grond waarvan een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart.

De beoordeling door verweerder van eisers kennis en bekwaamheden heeft plaatsgevonden op basis van de uitkomst van het assessment, waaraan eiser heeft deelgenomen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zonder meer van deze uitkomst mag uitgaan, nu eiser geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om daartegen bij het bureau dat het assessment heeft uitgevoerd bezwaar te maken. Voorts heeft verweerder het assessmentverslag niet betrokken bij de heroverweging in bezwaar, omdat eiser geen toestemming heeft verleend voor het overleggen van dit verslag aan de algemene bezwaarschriftencommissie.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in zijn beoordeling van eisers kennis en vaardigheden tekort is geschoten en overweegt daartoe het volgende.

Overeenkomstig de richtlijnen die door het bureau dat het assessment heeft uitgevoerd, kon eiser tegen het assessment en de daarbij gevolgde procedure bij het assessmentbureau bezwaar maken. In de informatie die volgens verweerder door het assessmentbureau aan de werknemers is verstrekt, wordt vermeld dat in principe de conclusies uit het onderzoek daarbij niet ter discussie staan. De rechtbank stelt vast dat deze bezwaarprocedure een interne, binnen het vakgebied van de bureaus die assessments afnemen bestaande, procedure is, die niet gelijk kan worden gesteld met een bezwaarprocedure op grond van de Awb.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het bestaan van deze interne bezwaarprocedure tegen de uitkomst van het assessment niet leiden tot de conclusie dat deze uitkomst alsmede de wijze waarop het assessment heeft plaatsgevonden in onderhavige bezwaar- en beroepsprocedure niet meer ter discussie kan staan. Hierbij doet niet ter zake of eiser al dan niet gebruik heeft gemaakt van de interne bezwaarprocedure. De rechtbank is van oordeel dat bij de toetsing van het in geding zijnde subsidiebesluit, zowel in het kader van de heroverweging als in het kader van de rechterlijke toetsing, de aan dat besluit ten grondslag liggende feiten volledig dienen te worden beoordeeld. Het assessmentverslag is een, zo niet het belangrijkste, aan het bestreden besluit ten grondslag liggend feit. Dit betekent dat verweerder niet kan worden gevolgd in zijn standpunt dat zonder meer van het assessmentverslag mag worden uitgegaan. Verweerder had dienen te toetsen of dit verslag naar de wijze van totstandkoming alsmede naar de inhoud juist, volledig en consistent is. Hoewel verweerder zich in navolging van zijn algemene bezwaarschriftencommissie op het standpunt stelt dat het assessmentverslag op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en inhoudelijk niet onjuist kan worden geacht, blijkt niet van een daadwerkelijke beoordeling daarvan in het kader van de onderhavige besluitvorming, nu verweerder het assessmentverslag niet in zijn heroverweging heeft betrokken en ook anderszins niet blijkt van een dergelijke beoordeling bij de totstandkoming van het primaire besluit. Reeds hierom is sprake van strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder in het kader van zijn heroverweging in bezwaar, gelet op de inhoud van dat bezwaar, het assessmentverslag dienen te betrekken. De rechtbank kan verweerder niet volgen in zijn standpunt dat eiser daarvoor eerst toestemming had dienen te verlenen. Eiser heeft na ontvangst van het assessmentverslag toestemming verleend voor het verstrekken van dit verslag aan zijn werkgever en aan de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Nu deze dienst het primaire besluit heeft voorbereid en de directeur van de dienst dit besluit in mandaat namens verweerder heeft genomen, ziet de rechtbank niet in waarom eiser in het kader van de heroverweging in bezwaar tegen het primaire besluit wederom toestemming zou moeten verlenen voor inzage door verweerder en de hem van advies dienende bezwaarschriftencommissie van het assessmentverslag. Dit geldt temeer nu de uitkomst van dit verslag in feite rechtstreeks is omgezet in het primaire besluit. Een nadere afweging heeft niet plaatsgevonden.

In dat verband overweegt de rechtbank voorts dat verweerder naar haar oordeel een te beperkte opvatting heeft gehanteerd omtrent de beoordeling van eisers kennis en vaardigheden en de daaraan verbonden conclusie dat eiser geschikt is voor uitstroom naar de reguliere arbeidsmarkt door alleen het assessmentverslag ten grondslag te leggen aan het subsidiebesluit. Met name gelet op de inhoud van eisers bezwaar, waarin hij onder meer wijst op zijn lange periode van werken in een gesubsidieerde baan, had het op de weg van verweerder gelegen om omtrent eisers functioneren in arbeid contact op te nemen met eisers werkgever. Deze werkgever heeft door zijn ervaring met eiser kennis van relevante feiten en omstandigheden omtrent eisers mogelijkheden op de arbeidsmarkt.

Vanuit een oogpunt van zorgvuldigheid acht de rechtbank tevens van belang dat verweerder zich inzet voor ondersteuning en begeleiding van eiser naar een niet-gesubsidieerde baan, met name nu deze inzet onderdeel uitmaakt van verweerders beleid dat ten grondslag ligt aan het subsidiebesluit. Eiser heeft ontkend dat verweerder zich reeds op de hiervoor bedoelde wijze heeft ingezet, hetgeen verweerder niet heeft weerlegd. De rechtbank concludeert derhalve dat het bestreden besluit ook ten aanzien van dit aspect in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Gelet op het feit dat eiser vanaf 1999 in een gesubsidieerde baan werkzaam is, had verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij zijn besluitvorming voorts artikel 38 van de Reïntegratieverordening dienen te betrekken. Verweerder heeft ter zitting niet kunnen weerleggen dat eiser vanaf 1999 een vaste dienstbetrekking voor onbepaalde tijd heeft. Op basis van de haar beschikbare en bekende informatie kan de rechtbank dan ook niet anders concluderen dan dat artikel 38 van de Reïntegratieverordening in de weg staat aan de beëindiging - op termijn - van de onderhavige subsidie, zodat het bestreden besluit in zoverre onvoldoende is gemotiveerd en aldus in strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in strijd is met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel, met artikel 7:11, eerste lid, van de Awb en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb en daarom, onder gegrondverklaring van het beroep, voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding, nu niet is gebleken dat eiser zich heeft laten bijstaan door een beroepsmatig rechtshulpverlener.

3 Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat de gemeente Rotterdam het door eiser betaalde griffierecht ad € 38,-- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Verweij, voorzitter, en mr. J.H. de Wildt en prof. mr. A.C. Hendriks, leden, en uitgesproken in het openbaar, in tegenwoordigheid van mr. A.Th.A.M. Schouw als griffier, op 7 maart 2007.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.