Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:AZ9430

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-02-2007
Datum publicatie
27-02-2007
Zaaknummer
MEDED 06/1167-WILD
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres (vrijgevestigd mondhygiëniste) heeft bij verweerder een klacht ingediend over misbruik van machtspositie c.q. inkoopmacht bij de inkoop door een zorgverzekeraar. Verweerder heeft de klacht afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat eiseres geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 van de Awb.

Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft reeds eerder overwogen dat de enkele omstandigheid dat een klacht bij verweerder is ingediend op zichzelf onvoldoende is om als belanghebbende bij de beslissing naar aanleiding van de klacht aan te worden gemerkt. Om een eigen, persoonlijk belang aan te nemen moet daar nog iets bijkomen. Het CBb heeft een onderneming die om handhavend optreden verzocht, als belanghebbende aangemerkt, omdat volgens de klacht van deze onderneming de aan de orde zijnde gedraging mededingingsverstorend was voor de markt waarop deze zelf ook actief was.

De rechtbank stelt vast dat eiseres heeft verzocht om handhavend optreden van verweerder tegen een gedraging van een zorgverzekeraar die, naar zij stelt, leidt tot een verstoring op de markt waarop mondhygiënisten hun activiteiten ontplooien. Deze markt is eveneens de markt waarop eiseres met haar onderneming actief is. Aannemelijk is dat de door eiseres gewraakte gedraging van de zorgverzekeraar van invloed kan zijn op de concurrentieverhoudingen tussen de mondhygiënisten en kan leiden tot een verstoring op de markt waarop eiseres als mondhygiëniste haar activiteiten ontplooit. Verweerder heeft ten onrechte eiseres niet aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: MEDED 06/1167-WILD

Uitspraak in het geding tussen

(naam), wonende te … , eiseres,

gemachtigde mr. R.W.G. Middendorf, advocaat te Haarlem,

en

de raad van bestuur van de Nederlandse mededingingsautoriteit, verweerder,

gemachtigde mr. J.M. Strijker-Reintjes.

1 Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 26 mei 2005 heeft verweerder het verzoek van eiseres om ten aanzien van zorgverzekeraar Agis toepassing te geven aan artikel 56 van de Mededingingswet afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 6 juli 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 7 februari 2006 heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiseres bij brief van 20 maart 2006, aangevuld bij brief van 19 april 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 3 oktober 2006 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2006. Eiseres en haar gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2 Overwegingen

Ingevolge artikel IX, tweede lid, van de op 1 juli 2005 inwerking getreden Wet van

9 december 2004, houdende wijziging van de Mededingingswet in verband met het omvormen van het bestuursorgaan van de Nederlandse mededingingsautoriteit tot zelfstandig bestuursorgaan (Stb. 2005, 172), treedt ten aanzien van bezwaar of beroep tegen een besluit van de directeur-generaal van de Nederlandse mededingingsautoriteit op grond van de Mededingingswet zoals die luidde tot 1 juli 2005, de raad van bestuur van de Nederlandse mededingingsautoriteit, in de plaats van de directeur-generaal. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de (voormalige) directeur-generaal.

Eiseres heeft bij verweerder een klacht ingediend over misbruik van machtspositie c.q. inkoopmacht bij de inkoop van zorg door zorgverzekeraar Agis, omdat deze weigert met eiseres te onderhandelen over de inhoud van het voorgelegde contract. Eiseres stelt dat deze gedraging leidt tot een verstoring van de concurrentie op de markt waarop zij als zelfstandig mondhygiëniste haar activiteiten ontplooit, nu Agis aan haar verzekerden wél behandelingen van gecontracteerde mondhygiënisten vergoedt, terwijl zij niet de behande-lingen van haar vergoedt vanwege het ontbreken van een contract. Aldus wordt eiseres als vrijgevestigde mondhygiëniste in feite gedwongen een overeenkomst met Agis aan te gaan.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de beslissing van verweerder van 26 mei 2005 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat eiseres geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken. In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bepaald dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Om te kunnen worden aangemerkt als belanghebbende dient volgens vaste jurisprudentie sprake te zijn van de navolgende aan het belang te stellen kwaliteitseisen: het moet gaan om een eigen, en persoonlijk belang en het belang moet objectief bepaalbaar, voldoende actueel en rechtstreeks betrokken zijn. Het vereiste van een persoonlijk belang is daarbij in de rechtspraak van zowel de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) als het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBB) aldus ingevuld, dat het bij het besluit betrokken belang zodanig moet zijn dat de betrokkene zich daarmee in rechtens relevante mate onderscheidt van (al dan niet tot een – grote – groep behorende) andere betrokkenen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de ABRS van 3 juli 1998, LJN: AN5725, AB 1998, 332, en 6 augustus 2003, LJN: AI0789, AB 2003, 93, en van het CBB van 15 januari 2003, LJN: AF4118, AB 2004, 168). Die rechtspraak vindt ook steun in de totstandkomings-geschiedenis van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb (vgl. PG Awb I, blz. 148), waarin -onder meer- wordt vermeld:

“Een zekere beperking ten opzichte van de ruimst mogelijke opvatting van belanghebbende is noodzakelijk om de uitvoering van de administratieve wetgeving en de in dat kader plaatsvindende procedures efficiënt en slagvaardig te doen verlopen. Met dat laatste zijn dikwijls aanwijsbare belangen van individuen of bedrijven gemoeid.”

De hiervoor beschreven uitleg komt overeen met de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (onder - thans - artikel 230, vierde alinea van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap), inhoudende dat door een ander dan degene op wiens handelen of nalaten een besluit betrekking heeft (doorgaans aangeduid als de geadresseerde van het besluit), beroep kan worden ingesteld indien die ander daardoor rechtstreeks en individueel wordt geraakt, hetgeen het geval is indien het besluit de rechtspositie van de klager beïnvloedt vanuit een zekere bijzondere hoedanigheid of vanuit een feitelijke situatie die hem ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hem op soortgelijke wijze individualiseert als de geadresseerde van het besluit. (Zie bijvoorbeeld zaak 25/62, Plaumann, Jur. 1963, pagina 95 en zaak C-50/00 P, Unión de Pequeños Agricultores, Jur. 2002, pagina 6677.)

In de uitspraak van 21 maart 2006 (ABW 05/68, LJN AV6537) heeft het CBB overwogen

- zoals ook overwogen in de zaak AWB 03/614, AWB 03/621 en AWB 03/659, (LJN AR6034) - dat de enkele omstandigheid dat appellante een klacht bij verweerder heeft ingediend op zichzelf onvoldoende is om haar als belanghebbende bij de beslissing naar aanleiding van de klacht aan te merken. Om een eigen, persoonlijk belang aan te nemen moet naar het oordeel van het CBB hier nog iets bijkomen. In deze uitspraak werd de onderneming die om handhavend optreden verzocht, als belanghebbende aangemerkt, omdat volgens de klacht van deze onderneming de aan de orde zijnde gedraging mededingings-verstorend was voor de markt waarop deze zelf ook actief was.

Ter onderbouwing dat zij een objectief bepaalbaar, eigen en voldoende actueel belang heeft, dat rechtstreeks bij het betreffende besluit is betrokken, heeft eiseres gesteld dat zij door de handelwijze van Agis een deel van haar klantenbestand verliest en daardoor rechtstreeks geraakt wordt in haar werkzaamheden, haar inkomsten en de uitoefening van haar praktijk. Eiseres stelt dat zij als vrijgevestigde mondhygiëniste een overeenkomst dient te sluiten met de zorgverzekeraar en dat zij zich daarmee onderscheidt van mondhygiënisten die in loondienst zijn (bij een tandarts). Verder onderscheidt eiseres zich binnen de groep van de vrijgevestigde mondhygiënisten, omdat haar praktijk gevestigd is in een beperkte regio waar Agis het grootste marktaandeel heeft en ongeveer 30 tot 40% van haar patiënten bij Agis verzekerd zijn.

De rechtbank stelt vast dat eiseres heeft verzocht om handhavend optreden van verweerder tegen een gedraging van een zorgverzekeraar die, naar zij stelt, leidt tot een verstoring op de markt waarop mondhygiënisten hun activiteiten ontplooien. Deze markt is eveneens de markt waarop eiseres met haar onderneming actief is. De door eiseres gewraakte gedraging bestaat uit het beweerdelijk opleggen van onbillijke contractuele voorwaarden.

Aannemelijk is dat een dergelijke gedraging van de zorgverzekeraar van invloed kan zijn op de concurrentieverhoudingen tussen mondhygiënisten en kan leiden tot een verstoring op de markt waarop eiseres als mondhygiëniste haar activiteiten ontplooit.

Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, ten onrechte eiseres niet aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Het beroep van eiseres dient derhalve gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten

maken. De rechtbank bepaalt de proceskosten op € 322,-- aan kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond,

vernietigt het bestreden besluit,

bepaalt dat verweerder met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit neemt,

bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het door haar betaalde griffierecht van € 141,-- vergoedt,

veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 322,-- en wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechts-persoon die deze kosten aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzitter en mr. J.W.H.G. Loyson en

mr. J.W. van de Gronden, leden.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. E.S. van Giezen, griffier, uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2007.

De griffier: De voorzitter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiseres wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven, Postbus 20021, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.