Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:AZ8691

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-01-2007
Datum publicatie
16-02-2007
Zaaknummer
10/76003-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ondanks het feit dat uit de bewijsmiddelen niet direct kan worden afgeleid dat de verdachte met haar mededaders wegnemingshandelingen heeft verricht, wordt verdachte op grond van de omstandigheden van dit geval veroordeeld voor diefstal in vereniging. Verdachte wordt met haar mededaders tevens veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 10/765003-06

Datum uitspraak: 23 januari 2007

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte, zich noemende:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1985] te [geboorteplaats],

zich tevens noemende [naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zich tevens noemende [naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder vaste- woon of verblijfplaats hier te lande, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting voor Vrouwen te [vestigingsplaats],

raadsvrouw mr. S. Hooijmans, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2007.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. Van de dagvaarding is een kopie, aangeduid als A1 tot en met A3, als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Flikweert heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur 18 maanden met aftrek van voorarrest.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

zij, op tijdstippen in de periode van 7 december

2004 tot en met 22 december 2005 te Rotterdam en Berkel en Rodenrijs en

Spijkenisse, tezamen en in vereniging met anderen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

a. op 26 april 2005 te Rotterdam, een bankpas, toebehorende aan

[slachtoffer 1] (zaak Goudse Rijweg) en

b. op 22 december 2005 te Berkel en Rodenrijs, een bankpas, toebehorende aan

[slachtoffer 2] (zaak Kerkstraat) en

c. op 7 december 2004 te Spijkenisse, een bankpas, toebehorende aan

[slachtoffer 3] (zaak Winterakker),

toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en haar mededaders.

2.

zij, op tijdstippen in of omstreeks de periode van 7 december

2004 tot en met 22 december 2005 in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening van bankrekeningen heeft weggenomen

a. op 26 april 2005 te Rotterdam, een geldbedrag te weten

E. 1.455,-, toebehorende aan [slachtoffer 1] (zaak Goudse Rijweg) en

b. op 22 december 2005 te Berkel en Rodenrijs, een geldbedrag,

te weten E. 750,- toebehorende aan [slachtoffer 2] (zaak Kerkstraat) en

c. op 7 december 2004 te Spijkenisse, een geldbedrag te

weten E. 22.520,-, toebehorende aan [slachtoffer 3] (zaak Winterakker),

toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte en/of haar mededaders telkens het weg te nemen

goed onder haar bereik/het bereik van haar mededader(s) heeft/hebben gebracht

door middel van een valse sleutel, te weten (een) haar/hen niet toebehorende

bankpas(sen) met bijbehorende pincode(s).

3.

zij in de periode van 7 december 2004 tot en met 22 december 2005

te Rotterdam en Capelle aan den IJssel en Berkel en Rodenrijs en

Spijkenisse en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie,

bestaande uit [medeverdachte 1] en [verdachte] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten de diefstal van bankpassen en de diefstal van geldbedragen van bankrekeningen (door middel van een valse sleutel, te weten een haar/hen niet

toebehorende bankpas met bijbehorende pincode).

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte voor de ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt het volgende:

Weliswaar kan uit de bewijsmiddelen niet direct worden afgeleid dat verdachte en/of haar mededaders een wegnemingshandeling hebben verricht, doch uit de volgende omstandigheden leidt de rechtbank af dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de bewezenverklaarde feiten:

- verdachte bevond zich rond het tijdstip van de diefstal van de pinpas in de omgeving van het slachtoffer, of heeft met de gestolen pinpas geld opgenomen, zo blijkt uit de zich in het dossier bevindende opnames van camerabeelden;

- de modus operandi van de bewezenverklaarde feiten is telkens de zelfde geweest: verdachte of een van haar mededaders heeft de pincode afgekeken van het (veelal hoog bejaarde) slachtoffer dat stond af te rekenen, vervolgens is kort daarna de pinpas van het slachtoffer door verdachte of haar mededader(s) weggenomen waarna zo snel mogelijk hoge bedragen met die pinpas zijn opgenomen dan wel betaald.

Tevens acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een zogenaamde criminele organisatie. Uit de verklaring die [medeverdachte 2] bij de politie en ter terechtzitting heeft afgelegd alsmede uit de hoeveelheid van de bewezenverklaarde feiten en de wijze waarop verdachte en haar mededaders bij het plegen van die feiten hebben samengewerkt kan die deelname aan een zodanige organisatie worden afgeleid.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

2.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd.

3.

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

Het verweer van de verdachte

De verdachte heeft gesteld dat de rechtbank het minderjarigenstrafrecht dient toe te passen omdat zij naar haar zeggen de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt toen de feiten 1a, 2a, 1c en 2e zijn begaan en gedurende een deel van de periode waarin feit 3 is begaan. Zij stelt daartoe te zijn genaamd [naam], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]. De rechtbank acht het vorenstaande onaannemelijk omdat verdachte in een eerdere rechterlijke procedure heeft gesteld te zijn geboren op 1 oktober 1985 (zie uitspraak rechtbank 's Gravenhage 1 oktober 2002, reg.nr AWB 02/70769 VRWET). Wisseling van stellingname vereist van de kant van de verdachte aannemelijk maken. Verdachte heeft haar stelling in het geheel niet onderbouwd.

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden en de draagkracht van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft deel uit gemaakt van een criminele organisatie die zich bezig hield met het plegen van diefstallen van betaalpassen.

Verdachte en haar mededaders zijn doelbewust en geraffineerd te werk gegaan door mensen van bejaarde leeftijd als doelwit te nemen. Van deze slachtoffers werd de betaalpas gestolen nadat men de bijbehorende pincode had afgekeken. Daarna werden de bankrekeningen leeggehaald, waarbij grote bedragen zijn buitgemaakt. De rechtbank wil voorop stellen dat het hier gaat om een uiterst laffe daad door deze minder weerbare personen als slachtoffer uit te kiezen. Verdachte en haar mededaders hebben slechts eigen geldelijk gewin voor ogen gehad en zijn volledig voorbij gegaan aan de gevoelens van angst en onveiligheid die zij door hun handelswijze bij de slachtoffers teweeg hebben gebracht. Door feiten als onderhavige worden bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving veroorzaakt.

Behalve aan de bewezen feiten heeft de verdachte zich ook schuldig gemaakt aan de op de dagvaarding kort vermelde ad informandum gevoegde strafbare feiten. Dit betreffen een achttal ernstige feiten zoals hiervoor omschreven. De officier van justitie heeft te kennen gegeven dat deze feiten niet afzonderlijk zullen worden vervolgd. De verdachte heeft deze feiten op de terechtzitting erkend. Met deze strafbare feiten wordt bij de strafoplegging rekening gehouden.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat zij blijkens het op haar naam gesteld uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 21 april 2006 reeds eerder veelvuldig is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank ziet in de leeftijd van verdachte aanleiding om de eis van de officier van justitie te matigen.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer 1], wonende te [adres en woonplaats], terzake van de feiten 1a en 2a. De benadeelde partij vordert vergoeding van materiële schade tot een bedrag van € 150,--.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij als gevolg van de onder 1a en 2a bewezenverklaarde feiten en rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schade-vergoeding genoegzaam is onderbouwd, zal de vordering, ondanks de betwisting door de verdachte, worden toegewezen.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil

Ten aanzien van de vordering is de verdachte niet tot vergoeding gehouden indien en voor zover het toegewezen bedrag reeds door (een) mededader(s) is voldaan.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 24c, 36f, 57, 140, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

-verklaart bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

-verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 15 (VIJFTIEN) MAANDEN;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 150,-- en veroordeelt de verdachte tegen kwijting aan [slachtoffer 1], wonende te Rotterdam te betalen € 150,-- (zegge: honderdvijftig euro), met dien verstande dat de verdachte van deze verplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover dit bedrag door (een) mededader(s) is betaald;

- veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij voornoemd te betalen € 150,--(zegge: honderdvijftig euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft;

- indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader dit bedrag aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij is betaald, vervalt daar mee de verplichting van de veroordeelde om voormeld bedrag aan de benadeelde partij te betalen. Andersom vervalt de verplichting tot betaling aan de Staat indien en voor zover door de veroordeelde en/of (een) mededader(s) voormeld bedrag een de benadeelde partij is betaald.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Van Boven, voorzitter,

en mrs. Poell en Koningsveld, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Van der Kraan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 januari 2007.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.