Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:AZ8557

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-01-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
245698 / HA ZA 05-2565
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad; familieverhouding; rekening en verantwoording.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 245698 / HA ZA 05-2565

Uitspraak: 24 januari 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

Jacobus Cornelis BUURON in zijn hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van Gerrit de Man,

wonende te Spijkenisse,

eiser in conventie,

verweerder in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. M. Elmers,

- tegen -

1. Flora Annetje DE MAN,

wonende te Schiedam,

gedaagde in conventie,

eiseres in voorwaardelijke reconventie,

procureur mr. S.V. Hendriksen,

2. Krijn HARKEMA,

wonende te Dordrecht,

gedaagde,

procureur mr. A.W.M. Roozeboom,

advocaat mr. F.M.O. van Leeuwen te Schiedam.

Eiser wordt hierna aangeduid als "Buuron". Gedaagden worden hierna aangeduid als "De Man" en "Harkema".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 26 augustus 2005, met veertien producties;

- conclusie van antwoord van De Man, tevens houdende voorwaardelijke eis in reconventie, met producties;

- conclusie van antwoord van Harkema

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 15 maart 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- conclusie van antwoord in reconventie;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 24 april 2006;

- conclusie van repliek in conventie / akte tot het in het geding brengen van stukken en wijziging van eis, met één productie;

- conclusie van dupliek tevens conclusie van repliek in reconventie van De Man;

- conclusie van dupliek tevens antwoordakte van Harkema;

- conclusie van dupliek in reconventie.

2 Het geschil in conventie en in voorwaardelijke reconventie

De gewijzigde vordering in conventie luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

? voor recht te verklaren dat De Man en Harkema een onrechtmatige daad hebben gepleegd jegens Gerrit de Man en dat Gerrit de Man daardoor schade lijdt;

? te bepalen dat De Man en Harkema rekening en verantwoording dienen af te leggen over het door hen gevoerde beheer;

? De Man en Harkema te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat de kredietovereenkomst tussen Gerrit de Man en IDM financieringen B.V. d.d. 1 oktober 2002 op naam van De Man en Harkema wordt gesteld;

? De Man en Harkema te veroordelen om ervoor zorg te dragen dat Buuron de begunstigde wordt bij de uitvaartovereenkomst die tussen Gerrit de Man en Hooge Huys is afgesloten;

? De Man en Harkema hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan Buuron van een bedrag van € 150.416,15;

? De Man en Harkema te veroordelen tot betaling aan Buuron van een bedrag van € 5.158,67 wegens gemaakte buitengerechtelijke kosten;

? alles met rente en kosten.

De Man heeft de vordering van Buuron gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Buuron in de kosten van het geding. Voor het geval de vordering in conventie (gedeeltelijk) zou worden toegewezen, vordert De Man in reconventie een bedrag van € 143.000,00 van Buuron.

Ook Harkema heeft de vordering van Buuron gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling van Buuron in de kosten van het geding.

Buuron heeft de vordering van De Man in voorwaardelijke reconventie gemotiveerd betwist voor zover deze vordering het bedrag van € 64.006,80 overstijgt, en geconcludeerd tot afwijzing van het meerdere, met veroordeling van De Man in de kosten van het geding.

3 De beoordeling in conventie en in voorwaardelijke reconventie

3.1 Gelet op de nauwe samenhang zullen de vorderingen in conventie en in voorwaar-delijke reconventie hierna samen worden behandeld.

3.2 Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast:

a Gerrit de Man (hierna: "Gerrit") is geboren op 20 april 1966. Gerrit heeft een verstandelijke beperking en is zeer slechthorend. Gerrit kan niet lezen, schrijven of rekenen. Gerrit kan niet geheel zelfstandig wonen.

b Sinds 1985 is Gerrit in het kader van de Sociale Werkvoorziening werkzaam bij B.G.S. te Schiedam. Gerrit verdient ongeveer € 1.100,00 netto per maand.

c Vanaf mei 1984 tot eind 1991 heeft Gerrit bij zijn ouders gewoond.

d De Man is een zus van Gerrit. Harkema is haar ex-echtgenoot. Op verzoek van de moeder, die niet langer voor Gerrit kon zorgen, hebben De Man en Harkema Gerrit in 1991 in hun gezin opgenomen. Gerrit heeft van het gezin Harkema-De Man deel uitgemaakt tot 4 oktober 2003.

e In de loop van 2003 zijn De Man en Harkema in het kader van een echtscheiding uit elkaar gegaan. In juni 2003 verliet Harkema de echtelijke woning. Op 23 februari 2004 is de echtscheiding tussen De Man en Harkema uitgesproken. Op 27 april 2004 is de echtscheidingsbeschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

f Vanaf 4 oktober 2003 heeft Gerrit (tijdelijk) bij een broer en schoonzus gewoond. Inmiddels woont Gerrit in een beschermende woonvorm.

g Bij beschikking van 5 april 2005 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Schiedam, is een bewind ingesteld over de goederen die (zullen) toebehoren aan Gerrit. Buuron is tot bewindvoerder benoemd.

h Bij beschikking van 13 juni 2006 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Brielle heeft de kantonrechter aan Buuron een machtiging verleend voor het voeren van deze procedure.

3.3 Buuron grondt zijn vordering op onrechtmatige daad. Buuron stelt dat De Man en Harkema financieel misbruik van Gerrit hebben gemaakt door - kort gezegd - gedurende de periode dat Gerrit van hun gezin deel uitmaakte zijn inkomen op te gebruiken en door op zijn naam een doorlopend krediet ter hoogte van € 10.000,00 af te sluiten. Voorts verwijt Buuron De Man en Harkema dat De Man ten laste van Gerrit een uitvaartverzekering heeft afgesloten met De Man als begunstigde.

3.4 De Man grondt haar vordering in voorwaardelijke reconventie op de stelling dat zij gedurende de periode 1991-2003 ernstig is beperkt in haar persoonlijke ontwikkeling en persoonlijke keuzes doordat zijn vele uren per dag kwijt was aan de zorg die zij moest besteden aan Gerrit.

3.5 De rechtbank overweegt als volgt. Niet betwist is dat Gerrit in 1991 op verzoek van zijn moeder in het gezin Harkema-De Man is opgenomen. De reden voor de opname van Gerrit in het gezin Harkema-De Man was niet dat De Man en/of Harkema geschikte bewindvoerders of voogden waren, maar dat Gerrit een broer van De Man was en dat De Man en Harkema op dat moment bereid waren de zorg voor Gerrit op zich te nemen. Formeel werd er niets geregeld. De financiën van Gerrit die voorheen door zijn moeder werden beheerd, werden vanaf dat moment door De Man en/of Harkema beheerd. Het is tegen die achtergrond dat deze zaak dient te worden beoordeeld.

3.6 De rechtbank begrijpt dat het gezinsinkomen van het gezin Harkema-De Man gedurende de periode dat Gerrit daarvan deel heeft uitgemaakt steeds volledig is uitgegeven. De Man en Harkema hebben ook het inkomen van Gerrit als onderdeel van het gezinsinkomen aangemerkt. Juridisch bezien is dat uiteraard niet correct. Gelet op de destijds bestaande feitelijke verhoudingen is echter wel te begrijpen dat het inkomen van Gerrit is aangemerkt als onderdeel van het gezinsinkomen en dat het evenals de rest van het gezinsinkomen volledig is uitgegeven. Door De Man en Harkema, die zelf ook inkomen genereerden, is in dit verband gesteld dat Gerrit door hen steeds in staat is gesteld om activiteiten te verrichten en door hem gewenste uitgaven te doen. Gerrit heeft in hun visie niet zuinig geleefd. Buuron heeft deze stellingen niet betwist.

3.7 De rechtbank komt op grond van hetgeen hiervoor is overwogen tot het oordeel dat Buuron de stelling dat De Man en Harkema jegens Gerrit een onrechtmatige daad hebben gepleegd door diens inkomen over de periode van 1991 tot 2003 met hun gezin (waarvan Gerrit deel uitmaakte) op te gebruiken, onvoldoende heeft gemotiveerd. De Man en Harkema hebben op financieel gebied wellicht niet met inachtneming van de wenselijke zorgvuldigheid gehandeld, maar dat brengt niet zonder meer mee dat zij jegens Gerrit verwijtbaar onzorgvuldig hebben gehandeld of nagelaten. Gesteld noch gebleken is dat zij met de door Gerrit gegenereerde inkomsten minder zorgvuldig zijn omgegaan dan met de door henzelf gegenereerde inkomsten. Bijzondere omstandigheden die meebrengen dat het handelen van De Man en/of Harkema niettemin een jegens Gerrit gepleegde onrechtmatige daad oplevert, zijn gesteld noch gebleken.

3.8 Anders oordeelt de rechtbank ten aanzien van het op naam van Gerrit afgesloten doorlopend krediet. Van De Man en Harkema mocht, in aanmerking nemende dat zij de zorg voor Gerrit op zich hadden genomen en gelet op de substantiële financiële bijdrage die Gerrit reeds leverde aan het gezinsinkomen, worden verwacht dat zij niet zouden toestaan dat op naam van Gerrit een doorlopend krediet zou worden afgesloten, noch dat gelden van dat doorlopend krediet consumptief zouden worden aangewend.

3.9 De Man heeft aangevoerd dat zij niet heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de lening. Harkema zou Gerrit ertoe hebben bewogen de lening af te sluiten. Harkema heeft aangevoerd dat Gerrit zelf de lening wilde afsluiten en dat De Man en Harkema hem daarbij slechts hebben begeleid. De rechtbank is van oordeel dat De Man en Harkema er beiden voor verantwoordelijk zijn dat de lening op naam van Gerrit is afgesloten. Duidelijk is dat Gerrit de lening niet zelfstandig kon aangaan en dat Gerrit de ontvangen gelden niet zelfstandig heeft opgenomen en/of uitgegeven. Indien het zo was dat Gerrit de lening zelf wilde aangaan, hadden De Man en Harkema hem daarvan behoren te weerhouden. Dat De Man en Harkema daartoe niet in staat waren, is gesteld noch gebleken. Of De Man wel of niet rechtstreeks betrokken was bij het aangaan van de lening, acht de rechtbank niet van doorslaggevende betekenis. De Man heeft immers niet aangevoerd dat zij Gerrit (en Harkema) er niet van had kunnen weerhouden de lening aan te gaan en/of dat zij het er nadien - toen er nog niet of nauwelijks door de lening beschikbaar gekomen geld was besteed - niet toe had kunnen leiden dat het doorlopend krediet volledig zou worden afgelost. Dat had wel op haar weg gelegen.

3.10 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat De Man en Harkema jegens Gerrit een onrechtmatige daad hebben gepleegd door niet te voorkomen dat op naam van Gerrit een doorlopend krediet werd afgesloten en dat daarvan geld werd besteed. De rechtbank zal de schade die Gerrit daardoor heeft geleden direct begroten.

3.11 Uit de overgelegde producties blijkt dat het op naam van Gerrit aangegane doorlopend krediet te allen tijde boetevrij kon worden afgelost. Het maximum kredietbedrag van € 10.000,00 werd op 2 december 2002 bijgeschreven op de rekening van Gerrit bij de ABN-AMRO Bank. Op 4 oktober 2003 heeft De Man de gegevens van de bankrekening van Gerrit en van het doorlopend krediet ter beschikking gesteld aan de broer en/of schoonzus van De Man. Het positieve saldo op de bankrekening van Gerrit bedroeg op 4 oktober 2003 € 7.141,05. Het salaris van Gerrit over september 2003 ad € 1.190,36 was op 19 september 2003 bijgeschreven.

3.12 Op 4 oktober 2003 diende Gerrit nog een halve maand van zijn salaris over september rond te kunnen komen. Derhalve gaat de rechtbank ervan uit dat op het doorlopend krediet afgelost had kunnen worden (€ 7.141,05 - € 595,18=) € 6.545,87. De schade die Gerrit door de onrechtmatige daad van De Man en Harkema heeft geleden, begroot de rechtbank, inclusief het nadeel van de relatief hoge rente over het verbruikte gedeelte van het doorlopend krediet, op € 3.750,00. De rechtbank zal De Man en Harkema ertoe veroordelen dat bedrag aan Buuron te betalen. De rechtbank zal de wettelijke rente over dat bedrag toewijzen vanaf 4 oktober 2003, nu de schade per die datum is begroot.

3.13 Dat Harkema de echtelijke woning in juni 2003 heeft verlaten en dat hij vanaf dat moment wellicht geen invloed meer heeft gehad op de besteding van op de rekening van Gerrit staande gelden, doet niet af aan de verwijtbaarheid van zijn handelen en doorbreekt niet de causaliteit tussen dat handelen en de door Gerrit geleden schade. Het is immers juist het door toedoen van Harkema, al dan niet in samenwerking met De Man, aangegane doorlopend krediet geweest dat het mogelijk heeft gemaakt dat in de periode tot 4 oktober 2003 op naam van Gerrit een schuld kon ontstaan. Bovendien heeft het onrechtmatig handelen en nalaten van De Man en Harkema plaatsgevonden in de periode dat Harkema en De Man nog in gemeenschap van goederen met elkaar waren gehuwd.

3.14 Buuron heeft - naast de veroordeling van De Man en Harkema tot vergoeding van de schade - geen belang bij de gevorderde verklaring voor recht. Dit onderdeel van de vordering zal worden afgewezen.

3.15 De vordering om De Man en Harkema ertoe te veroordelen rekening en verantwoording af te leggen, zal worden afgewezen. Gesteld noch gebleken is dat De Man en Harkema ertoe in staat zijn meer informatie te verstrekken dan zij in deze procedure hebben verstrekt. Buuron heeft gelet op hetgeen de rechtbank in het voorgaande heeft overwogen geen belang bij dit onderdeel van de vordering.

3.16 De vordering om De Man en Harkema ertoe te veroordelen ervoor zorg te dragen dat de kredietovereenkomst tussen Gerrit de Man en IDM financieringen B.V. d.d. 1 oktober 2002 op naam van De Man en Harkema wordt gesteld, zal worden afgewezen. Onaannemelijk is dat De Man en Harkema aan een dergelijke veroordeling zouden kunnen voldoen. Daarvoor zou immers medewerking van IDM financieringen B.V. noodzakelijk zijn en onaannemelijk is dat die medewerking zou kunnen worden verkregen.

3.17 De vordering om De Man en Harkema ertoe te veroordelen ervoor zorg te dragen dat Buuron de begunstigde wordt bij de uitvaartverzekering die tussen Gerrit de Man en Hooge Huys is afgesloten, zal worden afgewezen. De Man is begunstigde bij die verzekering. Uiteraard is zij ertoe verplicht, nu Gerrit geen deel meer uitmaakt van haar gezin, er haar medewerking aan te verlenen dat de begunstiging wordt gewijzigd. De Man heeft echter aangevoerd dat zij alle informatie die zij over die verzekering bezit, heeft verstrekt. De Man heeft zich voorts bereid verklaard haar medewerking aan wijziging van de begunstiging te verlenen. Het lag op de weg van Buuron om voldoende gemotiveerd te stellen welke concrete door De Man te verrichten actie wordt verlangd. Buuron is daarmee in gebreke gebleven.

3.18 De vordering om De Man en Harkema ertoe te veroordelen aan Buuron een bedrag van € 5.158,67 te betalen wegens gemaakte buitengerechtelijke kosten, zal worden afgewezen. Buuron heeft niet gesteld dat - en welke - verrichtingen anders dan die ter zake waarvan krachtens artikel 241 Rv de regels betreffende proceskosten van toepassing zijn, hebben plaatsgevonden.

3.19 De voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld, is vervuld. De rechtbank zal de reconventionele vordering afwijzen. Weliswaar heeft Buuron bij conclusie van antwoord in reconventie de vordering erkend tot een bedrag van € 64.006,80, maar de rechtbank begrijpt dat deze erkenning in verband staat met de door Buuron in conventie ingestelde vordering. Het is niet de bedoeling van Buuron geweest dat de vordering in reconventie in zoverre zou worden toegewezen, ook indien de vordering in conventie niet of tot een geringer bedrag zou worden toegewezen. De rechtbank is van oordeel dat er geen grond bestaat voor de vordering van De Man. De Man en Harkema hebben Gerrit vrijwillig in hun gezin opgenomen. Gedurende de periode dat Gerrit in het gezin Harkema-De Man opgenomen is geweest, is zijn inkomen aangewend als onderdeel van het gezinsinkomen. Voor zover De Man, gelet op de tussen partijen bestaande verhoudingen, jegens Gerrit aanspraak kon maken op financiële compensatie voor de door haar aan Gerrit verleende zorg, heeft die compensatie plaatsgevonden.

3.20 De proceskosten zullen, gelet op de familierelatie die tussen partijen heeft bestaan/bestaat en gelet op het feit dat partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank,

in conventie:

veroordeelt Harkema en De Man hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Buuron te betalen het bedrag van € 3.750,00 (zegge: drieduizend zevenhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 oktober 2003 tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in voorwaardelijke reconventie:

wijst af de vordering van De Man;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

1729