Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:AZ8551

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
254756 / HA ZA 06-324
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring. Vochtoverlast. Mandeligheid van een scheidingsmuur tussen twee belende percelen. De vordering is verjaard nu er meer dan 20 jaren verstreken zijn vanaf de dag na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt en de datum der dagvaarding. Geen sprake van stuitingshandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 254756 / HA ZA 06-324

Uitspraak: 31 januari 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

Ritsert VOOYS,

wonende te Maassluis,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

procureur mr. A.P. van Elswijk,

advocaat mr. R.G.B. Everts te ‘s-Gravenzande,

- tegen -

1. Petrus Anthonius Carolus VAN LOENEN,

2. Johannes Hendrikus Adrianus VAN LOENEN,

beiden wonende te Vlaardingen,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. G.J. de Lange te Voorburg.

Partijen worden hierna aangeduid als "Vooys" respectievelijk "Van Loenen c.s.".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 25 januari 2006 en de door Vooys overgelegde producties;

- conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met

producties;

- conclusie van antwoord in reconventie;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 24 mei 2006, waarbij een comparitie van

partijen is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 3 oktober 2006;

- de stukken van het op 11 januari 2006 ten verzoeke van eiser en ten laste van

gedaagden gelegde conservatoire beslag.

2. Het geschil en de beoordeling daarvan in conventie en in reconventie

2.1 Vooys is sedert 2 december 1994 eigenaar van het pand gelegen aan de Kruistraat 2 te Maassluis. Van Loenen c.s. zijn sedert 3 april 2000 ieder voor de helft eigenaar van het pand gelegen aan de Veerstraat 5 te Maassluis. Het pand van Vooys grenst aan de achterzijde direct aan het pand van Van Loenen c.s.

2.2 Vooys heeft te kampen met vochtproblemen vanuit de tussen beide panden gelegen scheidingsmuur. Door tussenkomst van de rechter is bij vonnis van 16 maart 2004 een deskundige benoemd, te weten ir. J.C.A. van den Bergh, werkzaam bij het Bureau voor Bouwpathologie te Montfoort (hierna: Van den Bergh), om het vochtprobleem te onderzoeken.

2.3 Van den Bergh heeft op 8 juni 2004 onderzoek naar het vochtprobleem verricht en heeft van zijn bevindingen een rapport opgemaakt d.d. 13 april 2005. Van den Bergh concludeert dat er sprake is van een meervoudige vochtbron, te weten optrekkend vocht vanuit de bodem door het ontbreken van een waterkering, alsmede lekkage langs de aansluitingen van de borstwering op het dakterras en het platdak, door een foutieve uitvoering van de waterkering.

2.4 Voor zover er sprake is van optrekkend vocht vanuit de bodem, zijn partijen het erover eens dat dit niet aan een van hen kan worden toegerekend, zodat de gevolgen daarvan en eventuele herstelkosten voor ieders eigen rekening komen. Het geschil spitst zich toe op de lekkage langs de aansluitingen van de borstwering op het dakterras en het platdak.

2.5 Vooys stelt zich op het standpunt dat Van Loenen c.s. gehouden zijn om iets aan het vochtprobleem te doen en dat zij door dit na te laten een inbreuk maken op zijn eigendomsrecht ten gevolge waarvan Vooys schade lijdt. Deswege vordert Vooys om Van Loenen c.s. te veroordelen aan Vooys te betalen een bedrag van € 70.000,-- uit hoofde van schadevergoeding, te weten een bedrag van € 50.000,-- ter compensatie voor de waardevermindering van de woning ten gevolge van het vochtprobleem, alsmede een bedrag van € 20.000, -- voor vergoeding van immateriële schade en schade aan meubilair en huisraad. Van Loenen c.s. hebben ten verwere onder meer aangevoerd dat de vordering van Vooys inmiddels is verjaard. De rechtbank zal allereerst hierop ingaan en overweegt daartoe als volgt.

2.6 Op grond van artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden en in ieder geval door verloop van twintig jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. Deze termijn van twintig jaren begint te lopen op de dag na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt, zélfs als de benadeelde met het bestaan van zijn vordering niet op de hoogte is, zoals de Hoge Raad meerdere malen heeft beslist, onder meer in haar uitspraak d.d. 3 november 1995 (NJ 1998, 380). Voor het aanvangstijdstip van de verjaring is in de onderhavige zaak beslissend het tijdstip waarop de gebeurtenis plaatsvond waardoor de gestelde schade is veroorzaakt. Deze gebeurtenis betreft de verbouwing die omstreeks 1970/1972 heeft plaatsgevonden, waarbij een foutieve waterkering is aangebracht wat geeft geleid tot lekkage en vochtschade aan de woning van Vooys.

Gegeven het aanvangstijdstip, is ingevolge het bepaalde in artikel 3:310 BW jo artikel 73 van de Overgangswet de vordering verjaard op uiterlijk 1 januari 1993, tenzij sprake is van stuiting van de verjaring. Nu echter niet is gesteld noch is gebleken dat sprake is van stuiting van de verjaring door Vooys, althans zijn rechtsvoorgangers, en de dagvaarding op 25 januari 2006 is uitgebracht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de vordering is verjaard.

2.8 Gelet op de belangen welke deze verjaringsregel beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, dient deze regel in beginsel strikt te worden toegepast. Slechts in bijzondere gevallen en onder bijzondere omstandigheden is een uitzondering op deze regel mogelijk op grond van artikel 6:2 lid 2 BW (redelijkheid en billijkheid). Dat sprake is van een zodanig uitzonderlijk geval en/of uitzonderlijke omstandigheden is gesteld, noch gebleken.

2.9 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat Vooys niet ontvankelijk is in zijn vordering. Aan de inhoudelijke beoordeling van de vordering in conventie komt de rechtbank derhalve niet meer toe.

2.10 Van Loenen c.s. hebben in reconventie gevorderd om voor recht te verklaren dat de gehele muur tussen beide panden mandelig is. Hoewel Vooys ter comparitie heeft verklaard bereid te zijn om voor de verdere inhoudelijke beoordeling van de zaak mandeligheid van de muur als uitgangspunt te nemen, betwist hij dat daarvan sprake is. De rechtbank overweegt als volgt.

2.11 Gegeven de feitelijke situatie, zoals beschreven in het deskundigenrapport en de toelichting ter comparitie, stelt de rechtbank vast dat de muur (gedeeltelijk) als scheidsmuur tussen de woningen fungeert. De muur maakt aldus aan beide zijden onderdeel uit van een gebouw; op grond van het bepaalde in artikel 5:62 BW (en vóór 1992: art. 681, eerste lid (oud) BW) is die muur mandelig. Nu de twee gebouwen die de muur aldus gemeen hebben toebehoren aan verschillende eigenaren, is die muur gemeenschappelijk eigendom van die verschillende eigenaren. De kadastrale begrenzing van beide woningen doet aan deze uit de wet voortvloeiende gemeenschappelijke eigendom niet af.

2.12 Daarmee staat evenwel niet vast dat de gehele muur mandelig is. Relevant is dat de laatste verbouwing heeft plaatsgevonden in 1970/1972. Tot 1 januari 1992 gold artikel 681, tweede lid (oud) BW, dat bepaalde: “indien de gebouwen niet even hoog zijn, wordt de scheidsmuur slechts verondersteld gemeen te zijn, tot de hoogte van het minst verhevene gebouw.” Vast staat dat het betreffende (bovenste) gedeelte van de muur alleen het pand van Van Loenen c.s. begrenst c.q. dient. Deswege behoort het in eigendom toe aan (de rechtsvoorgangers van) Van Loenen c.s. tot 1 januari 1992.

Het sedert 1 januari 1992 geldende BW kent niet een regeling vergelijkbaar met artikel 681, tweede lid (oud) BW. Dat kan er evenwel niet toe leiden dat de (rechtsvoorgangers van) Van Loenen c.s. daardoor het hiervoor vastgestelde eigendomsrecht zouden zijn verloren; artikel 69 Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: OW NBW) bepaalt immers dat invoering van het NBW niet tot gevolg heeft dat iemand een vermogensrecht verliest dat hij onder een tevoren geldend recht had verkregen. Het eigendomsrecht van (de rechtsvoorgangers van ) Van Loenen c.s. op het bovenste gedeelte van de overigens gemeenschappelijke muur is derhalve na 1992 blijven bestaan, zodat voor het bovenste gedeelte van de muur geen sprake is van mandeligheid.

2.13 Het vorenstaande leidt ertoe dat de gevorderde verklaring voor recht slechts ten dele kan worden toegewezen, en wel voor dat gedeelte van de muur dat feitelijk als scheidsmuur tussen enerzijds de woning van Vooys en anderzijds de woning van Van Loenen c.s. fungeert. Voor het (bovenste) gedeelte van de muur, dat alleen het pand van Van Loenen begrenst c.q. dient, zal de vordering worden afgewezen.

2.14 Vooys zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

3. De beslissing

De rechtbank,

in conventie

verklaart Vooys niet ontvankelijk in zijn vordering;

in reconventie

verklaart voor recht dat de muur voor zover deze feitelijk als scheidsmuur tussen enerzijds de woning van Vooys en anderzijds de woning van Van Loenen c.s. fungeert, mandelig is;

wijst af het meer of anders gevorderde;

in conventie en in reconventie

veroordeelt Vooys in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Van Loenen c.s. bepaald op € 1.445,-- aan vast recht en op € 2.014,-- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Franken.

Uitgesproken in het openbaar.

585/1580