Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2007:AZ6494

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-01-2007
Datum publicatie
18-01-2007
Zaaknummer
181415 / HA ZA 02-1768
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2009:BK5731
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2010:BN4718
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hevige regenval. Schade door wateroverlast. Aansprakelijkheid Hoogheemraadschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 181415 / HA ZA 02-1768

Uitspraak: 10 januari 2007

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

1. [verzoeker 1],

wonende te [woonplaats],

2. [verzoeker 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

procureur mr. O.E. Meijer,

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens te 's-Gravenhage,

- tegen -

HOOGHEEMRAADSCHAP VAN SCHIELAND,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. W.J. Hengeveld,

advocaten mrs. V.H. Affourtit en L.C. Dufour te Amsterdam.

Eisers afzonderlijk blijven hierna aangeduid als "[verzoeker 1]" en "[verzoeker 2]". Gedaagde blijft hierna aangeduid als "het Hoogheemraadschap".

1 Het verdere verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- tussenvonnis van deze rechtbank van 8 juni 2005 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

- processen-verbaal van de op 12 september 2005 en 16 januari 2006 gehouden getuigenverhoren;

- akte overlegging producties van 1 maart 2006 van het Hoogheemraadschap, met producties;

- antwoordakte tevens conclusie na enquête van 3 mei 2006 van eisers;

- akte van depot van 23 mei 2006 waaruit blijkt dat door mr. O.E. Meijer op de griffie van deze rechtbank een luchtfoto is gedeponeerd;

- nadere akte tevens houdende conclusie na enquête van 14 juni 2006 van het Hoogheemraadschap, met een productie.

2 De verdere beoordeling

2.1 Bij voornoemd tussenvonnis is eisers opgedragen te bewijzen dat het Hoogheem-raadschap er tijdens de districtsvergadering van juni 2001 op is gewezen dat de afwaterings-situatie ter plaatse van de bij hen in exploitatie zijnde percelen in de polder Honderdveertig Morgen na uitvoering van HSL-werken niet was zoals deze behoorde te zijn.

2.2 Eisers hebben als getuigen doen horen de heren [getuige1] (landbouwer), [ge[getuige 2] (landbouwer), [getuige 3] (ex-tuinder) en [getuige 4] (landbouwer), en mevrouw [getuige 5] (historica). Het Hoogheemraadschap heeft in contra-enquête doen horen de heren [getuige 6] (teamleider van de afdeling watersysteembeheer van het Hoogheemraadschap) en [ge[getuige 7] (bedrijfsvoerder bij het Hoogheemraadschap). Het Hoogheemraadschap heeft daarnaast stukken overgelegd en eisers hebben een luchtfoto gedeponeerd.

2.3 Eisers zijn geslaagd in het aan hen opgedragen bewijs. Op grond van de inhoud van de verklaringen van de vijf door eisers voorgebrachte getuigen, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat [verzoeker 1] tijdens de districtsvergadering van juni 2001 heeft medegedeeld dat de afwateringssituatie ter plaatse van de bij hem en zijn neef [verzoeker 2] in exploitatie zijnde percelen in de polder Honderdveertig Morgen na uitvoering van HSL-werken niet was zoals deze behoorde te zijn. De vijf getuigen hebben hieromtrent verklaringen van gelijke strekking afgelegd, welke verklaringen in overeenstemming zijn met hetgeen eisers te bewijzen was opgedragen.

2.4 Dat [getuige 6] zich niet kan herinneren dat er tijdens de districtsvergadering van juni 2001 door [verzoeker 1] op is gewezen dat er een probleem was met afwateringssituatie bij de percelen van eisers en dat hij dat onwaarschijnlijk acht omdat de notulen daaromtrent niets vermelden en er geen actie op is ondernomen, doet niet af aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de door eisers voorgebrachte getuigen.

2.5 [getuige 7] is niet aanwezig geweest bij de districtsvergadering van juni 2001. [getuige 7] heeft verklaard het onaannemelijk te achten dat op de districtsvergadering van juni 2001 is gesproken over problemen met de afwateringssituatie ter plaatse van de percelen van eisers in verband met de HSL omdat de betreffende werkzaamheden eerst medio juli 2001 zijn gestart. Dit onderdeel van de verklaring van [getuige 7] is echter onjuist gebleken. In juni 2001 waren reeds voor de in de nabijheid van de percelen van eisers gelegen oostelijke wegsloot relevante werkzaamheden aan de daarmee in verbinding staande westelijke wegsloot verricht.

2.6 Het Hoogheemraadschap heeft bij nadere akte tevens houdende conclusie na enquête onder 3.2 erkend dat de westelijke wegsloot reeds voor de districtsvergadering van 13 juni 2001 was gedempt ter hoogte van de plaats welke door eisers met een E is gemarkeerd op de door hen overgelegde luchtfoto. De oostelijke wegsloot waterde af op de westelijke wegsloot. In de westelijke wegsloot ging het water in noordelijke richting, richting het door eisers op de luchtfoto met een E gemarkeerde punt. In de visie van het Hoogheemraadschap kon het water echter via dwarssloten wegstromen voor het bij punt E kwam, zodat de afwatering geen probleem vormde.

2.7 Nu de oostelijke wegsloot in juni 2001 niet in verbinding stond met de perceelsloten van eisers en die sloot nog volgens de oude situatie afwaterde, kunnen zich in de visie van het Hoogheemraadschap in juni 2001 nog geen problemen bij de percelen van eisers hebben voorgedaan. De rechtbank wijst erop dat eisers niet hebben gesteld dat zich in juni 2001 al problemen bij hun percelen voordeden. Uit de verklaringen van de getuigen volgt ook niet dat [verzoeker 1] heeft medegedeeld dat zich reeds problemen bij zijn perceel hadden voorgedaan. [getuige 2], voorzitter van de betreffende vergadering, heeft verklaard: "Ik weet niet meer letterlijk wat er is gezegd maar de strekking ervan was dat door werken van de HSL het water achter bij hun land niet weg kon." Vollebregt heeft verklaard: "Ik herinner me dat door [verzoeker 1] tijdens de districtsvergadering van juni 2001 is medegedeeld dat door de HSL een aantal waterlopen zo was gewijzigd dat de polder waar hij landerijen had, de polder honderdveertig morgen, dreigde onder water te lopen. Ik weet niet meer wat er letterlijk is gezegd, maar dit was de strekking." [getuige 1] heeft verklaard: "Ik herinner mij dat in de zomervergadering van de Rottedistrictsvergadering, naar ik meen tijdens de rondvraag, door [verzoeker 1] een opmerking is gemaakt over de afwateringssituatie. Zijn opmerking kwam erop neer dat er opgelet moest worden, dat het niet goed zou gaan als er geen voorzieningen zouden worden getroffen. Ik meen dat hij zei: "als je een grote bui water krijgt gaat het fout"."

2.8 Hetgeen de door eisers voorgebrachte getuigen hebben verklaard omtrent de door [verzoeker 1] in juni 2001 gedane mededelingen is naar het oordeel van de rechtbank niet onaannemelijk, bezien vanuit de informatie die door het Hoogheemraadschap is verstrekt omtrent de toenmalige stand van zaken met betrekking tot reeds uitgevoerde HSL-gerelateerde werkzaamheden. Het ligt immers in de rede dat eisers zich in juni 2001 reeds zorgen maakten over de gewijzigde afwateringssituatie van de in de nabijheid van hun percelen gelegen oostelijke wegsloot, ook al stond die sloot op dat moment nog niet in verbinding met de direct aan hun percelen grenzende sloten en ook al meende het Hoogheemraadschap dat de oostelijke wegsloot nog voldoende kon afwateren via zijsloten van de inmiddels ten dele gedempte westelijke wegsloot.

2.9 Gelet op het door eisers bijeengebrachte bewijs lag het in de rede dat het Hoogheemraadschap het door hem gevoerde beleid met betrekking tot de afwateringssituatie ter plaatse van de percelen van eisers bij conclusie na enquête helder uiteen zou zetten teneinde aannemelijk te maken dat, ook al was het Hoogheemraadschap er tijdens de districtsvergadering van juni 2001 op gewezen dat de afwateringssituatie ter plaatse van de bij eisers in exploitatie zijnde percelen in de polder Honderdveertig Morgen na uitvoering van HSL-werken niet was zoals deze behoorde te zijn, het Hoogheemraadschap geen onzorgvuldigheid kan worden verweten ten aanzien van het nadien door hem ten aanzien van die afwateringssituatie gevoerde beleid. Het Hoogheemraadschap is daarmee in gebreke gebleven. In dit verband is ook hetgeen onder 2.10 hierna wordt overwogen van belang.

2.10 Bij akte overlegging producties van 1 maart 2006 onder 2.11 stelt het Hoogheem-raadschap dat uit de notulen van de vergadering van het Uitvoeringsoverleg Waterhuis-houding van 12 augustus 2001 blijkt dat er bij het aanpassen van de waterhuishouding een probleem was ontstaan. De heer J. van Oostenbrugge, medewerker van het Hoogheem-raadschap, heeft volgens de notulen opdracht gekregen oplossingen voor dit probleem in het veld te onderzoeken. De overgelegde notulen van de vergadering van 12 augustus 2001 en van de volgende vergadering van 16 oktober 2001 bieden niet meer informatie. Waar dat wel op zijn weg lag, heeft het Hoogheemraadschap ook bij nadere akte tevens houdende conclusie na enquête geen toelichting verstrekt omtrent de aard en ernst van het probleem dat bij het aanpassen van de waterhuishouding in de omgeving van de percelen van eisers was ontstaan en de al dan niet daarvoor gevonden oplossingen, alsmede de relevantie daarvan voor de problemen die eisers in september 2001 hebben ondervonden.

2.11 Op grond van hetgeen hiervoor en in het tussenvonnis van 8 juni 2005 is overwogen, komt de rechtbank tot de conclusie dat het Hoogheemraadschap onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat eisers schade hebben geleden doordat het Hoogheemraadschap jegens hen onzorgvuldig heeft gehandeld door geen adequate maatregelen te treffen om te voorkomen dat de waterafvoer in het kader van de aanleg van de HSL zodanig werd gewijzigd dat water dat voorheen werd afgevoerd via de Binnenwegsepolder in augustus/september 2001 langs de percelen van eisers werd afgevoerd via de polder Honderdveertig Morgen en/of dat het water daar overlast kon veroorzaken (tussenvonnis 8 juni 2005 onder 3.13).

2.12 Bij het tussenvonnis van 8 juni 2005 onder 3.24 heeft de rechtbank overwogen dat eisers in de gelegenheid zouden worden gesteld om bij conclusie na enquête hun vorderingen nader te specificeren en te onderbouwen met de beschikbare bewijsstukken (jaarstukken, concrete informatie omtrent opbrengsten e.d.). Daarbij heeft de rechtbank tevens overwogen dat voor verwijzing naar een schadestaatprocedure in beginsel geen grond bestaat. De eventuele schade als gevolg van onrechtmatig nalaten van het Hoogheem-raadschap zou immers in deze procedure kunnen worden vastgesteld.

2.13 De rechtbank moet helaas constateren dat (de advocaat van) eisers bij conclusie na enquête in het geheel geen informatie omtrent de schade (heeft) hebben verstrekt. Nu de rechtbank door eisers niet in staat is gesteld de schade - zoals genoemd in het tussenvonnis van 8 juni 2005 onder 3.11 en 3.12 - in dit vonnis te begroten, zal de rechtbank het Hoogheemraadschap veroordelen tot schadevergoeding op te maken bij staat. De rechtbank zal het vonnis echter niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. De rechtbank zal dit vonnis uitspreken op dezelfde dag als de eindvonnissen in zeven andere zaken die ook betrekking hebben op de periode van wateroverlast door hevige regenval in september 2001, in welke zaken het Hoogheemraadschap eveneens de gedaagde partij is en bij welke zaken dezelfde advocaten voor de daarbij betrokken partijen optreden. Dit opdat, indien eventueel in meerdere zaken hoger beroep wordt ingesteld, deze zaken in hoger beroep zoveel mogelijk gelijktijdig zullen kunnen worden behandeld.

2.14 Omtrent de door eisers gevorderde wettelijke rente zal per schadepost kunnen worden beslist in de schadestaatprocedure.

2.15 De vordering ter zake van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Het Hoogheemraadschap heeft betwist dat eisers dergelijke kosten hebben gemaakt. Bij conclusie van dupliek onder 55 heeft het Hoogheemraadschap erop gewezen dat eisers een deugdelijke urenspecificatie dienden over te leggen, waaruit zou kunnen worden opgemaakt welke buitengerechtelijke kosten zijn gemaakt. Niettemin hebben eisers ook in het vervolg van de procedure de vordering ter zake van buitengerechtelijke kosten niet deugdelijk onderbouwd.

2.16 Het Hoogheemraadschap zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

3 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt het Hoogheemraadschap om aan eisers te voldoen de schade op te maken bij staat;

veroordeelt het Hoogheemraadschap in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eisers bepaald op € 193,00 aan vast recht, op € 130,06 aan overige verschotten en op € 2.712,00 aan salaris voor de procureur;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

1729