Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:BO4389

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-09-2006
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
AWB 06/1124 HRK T1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Van het aan de orde zijnde deel van het tracé is op 11 mei 1994 en 29 september 1994 in de Staatscourant gepubliceerd dat er hoorzittingen worden gehouden over de aanleg. Op 23 mei 1996 hebben de Ministers van Verkeer en Waterstaat en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de PKB HSL-Zuid deel 3, zijnde het definitieve kabinetsstandpunt, naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin onder andere het tracé bij de gemeenten Bleiswijk, Berkel en Rodenrijs, Bergschenhoek en Rotterdam is vastgesteld. Weliswaar is de PKB deel 4, zijnde de versie waarmee de Tweede en Eerste Kamer akkoord zijn gegaan, van na de aankoop van het object door eisers, maar het vastgelegde tracé in PKB deel 3 is identiek aan het tracé zoals dat is vastgelegd in PKB deel 4. Omtrent het PKB deel 3 had een zodanig brede en intensieve maatschappelijke discussie plaatsgevonden, dat eisers met de verwezenlijking van het daarin vastgelegde (voorkeurs)tracé ernstig rekening moesten houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Reg.nr.: BELEI 06/1124 HRK

Uitspraak

in het geding tussen

[eiser] en [eiseres], wonende te [woonplaats], eisers,

gemachtigde mr. I.A.M. Saat, medewerker van SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer,

en

het Algemeen Bestuur van het Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4, gevestigd te Rotterdam, verweerder,

gemachtigde mr. J.C.N.B. Kaal, advocaat te Arnhem.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij brief van 17 april 2004 hebben eisers een verzoek om schadevergoeding ingediend, verband houdende met de besluitvorming ten behoeve van de aanleg van de HSL-Zuid in de directe omgeving van hun woning aan [adres] te [woonplaats]. Eisers hebben in deze brief onder meer gesteld dat zij vermogensschade zou lijden in de vorm van waardevermindering van de aan hen in eigendom toebehorende woning.

Bij besluit van 16 september 2005 heeft verweerder eisers medegedeeld dat aan hen geen schadevergoeding wordt toegekend.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 4 oktober 2005 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 februari 2006 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) hebben eisers bij brief van 16 maart 2006, aangevuld bij brief van 13 april 2006, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 15 mei 2006 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2006. Aanwezig was eiser [eiser] en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en mr. ir. C.G.J.M. Peeters.

2. Overwegingen

Op 1 april 1998 is de Gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: de regeling) in werking getreden, waarbij het Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: het Schadevergoedingsschap) is ingesteld. Aan deze regeling neemt naast de minister van Verkeer en Waterstaat een aantal gemeenten deel over wier grondgebied de HSL-Zuid wordt aangelegd.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de regeling kan slechts schadevergoeding op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, toegekend worden als de schade een gevolg is van het onherroepelijke tracébesluit en/of de daaruit rechtstreeks voortvloeiende besluiten en rechtmatige uitvoeringshandelingen van bestuursorganen, en deze schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van degene die schade lijdt behoort te blijven en voor zover vergoeding van deze schade niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. De hoogte van de schadevergoeding wordt naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld.

Onder het tracébesluit wordt in artikel 1, onder f, van de regeling - verkort en zakelijk weergegeven - verstaan het uitvoeringsbesluit HSL-Zuid respectievelijk de uitvoeringsbesluiten tot verbreding van de A4 en de A16.

Op 15 april 1998 is door de minister van Verkeer en Waterstaat het tracébesluit vastgesteld. Voor zover relevant is dit tracébesluit op 6 september 1999 onherroepelijk geworden, zijnde de datum waarop de Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State (hierna: ABRvS) de tegen het tracébesluit ingestelde beroepen ongegrond heeft verklaard.

Uit artikel 9 van de regeling blijkt dat verweerder bevoegd is tot behandeling van aanvragen om schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de wet op de ruimtelijke ordening (hierna: WRO), voor zover gericht tot de raden van de deelnemende gemeenten en van aanvragen om schadevergoeding op basis van artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover gericht tot de minister van Verkeer en Waterstaat.

Het algemeen bestuur heeft op grond van artikel 10 van de regeling de Nadeelcompensatieverordening HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: de verordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), heeft een belanghebbende de mogelijkheid de gemeenteraad te verzoeken een schadevergoeding toe te kennen, indien deze meent schade te lijden of te zullen lijden als gevolg van (onder meer) de bepalingen van een bestemmingsplan of als gevolg van een besluit tot het verlenen van een vrijstelling als bedoeld in de artikelen 17 of 19 van de WRO.

Op een verzoek om vergoeding van planschade kan de gemeenteraad eerst ten gronde beslissen na het tijdstip waarop een planologische maatregel als bedoeld in artikel 49 van de WRO onherroepelijk is geworden. In een dergelijk geval dient te worden bezien in hoeverre de belanghebbende ten gevolge van een omschreven bepaling of besluit in een planologisch nadeliger positie is komen te verkeren, waardoor hij schade lijdt of zal lijden.

Ingevolge artikel 3:4, tweede lid, van de Awb mogen de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Het ingediende verzoek tot vergoeding van de schade als gevolg van de uitvoering van het Project heeft betrekking op het perceel eigen grond met een eengezinswoning (hoekwoning van een blok), voorerf met parkeerplaats en achtertuin, gelegen aan [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend als [woonplaats], sectie A, perceelnummer 5453 (hierna: het perceel).

Verweerder heeft conform het bepaalde in de verordening naar aanleiding van het verzoek van eisers om schadevergoeding aan de Schadecommissie HSL-Zuid, A16 en A4 (verder: de Schadecommissie) opdracht gegeven om hieromtrent van advies te dienen.

Dit advies is, nadat de Schadecommissie de situatie ter plaatse heeft opgenomen, op 25 augustus 2005 uitgebracht, nadat eisers en het dagelijks bestuur van het Schadevergoedingsschap in de gelegenheid waren gesteld om op het conceptadvies van 31 mei 2005 te reageren. In het advies wordt, uitgaande van de peildatum 6 september 1999, allereerst onderzocht in hoeverre sprake is van waardevermindering van het aan eisers in eigendom toebehorende object door verminderd woongenot, geluidhinder en omgevingsverslechtering. Voorts wordt de mogelijke schade als gevolg van overlast tijdens de werkzaamheden onderzocht.

Met betrekking tot het verminderd woongenot concludeert de Schadecommissie dat hieraan, naast de overige schadefactoren als hiervoor vermeld, als schadefactor geen zelfstandige betekenis toekomt. Het eventueel verminderd woongenot wordt immers veroorzaakt door de overige schadefactoren.

Omtrent de geluidhinder concludeert de Schadecommissie, mede aan de hand van het gegevensblad welke als bijlage gevoegd is bij het verslag van de hoorzitting van de Schadecommissie, dat er sprake is van een relevante verslechtering van de geluidssituatie ten opzichte van de geluidssituatie zonder de aanleg dan wel ingebruikneming van het project, waaruit een waardevermindering van het object voortvloeit.

Ter zake van de omgevingsverslechtering is de Schadecommissie van mening dat gelet op de bouw- en gebruiksmogelijkheden, die bij maximale invulling onder het bestaande planologische regime ter plaatse reeds aanwezig waren, de relatief grote afstand tussen het object en het HSL-tracé en de omstandigheid dat het open gebied in noordoostelijke richting en het tussenliggende gebied in oostelijke richting zijn (hoofdzakelijk) landelijke karakter behoudt, zodat de woonomgeving door de komst van het project niet zodanig verslechterd dat dit tot een waardevermindering leidt.

Omtrent de mogelijke overlast tijdens de werkzaamheden overweegt de Schadecommissie dat deze schade uitsluitend voor vergoeding in aanmerking komt indien de overlast naar objectieve maatstaven tot een ernstige beperking van het gebruik van het object of woongenot voor eisers heeft geleid of nog zal leiden. Gelet op de relatief grote afstand van het object tot het hart van het HSL-tracé (ongeveer 365 meter) en tot het tijdelijke bouwterrein (ongeveer 310 meter) kan niet gesproken worden van een zodanige bouwhinder dat er naar objectieve maatstaven sprake is van een ernstige beperking van het gebruik of woongenot, waardoor de schade wegens deze hinder redelijkerwijs geheel tot eisers laste behoort te blijven.

De Schadecommissie heeft op grond van waardevermindering op de peildatum 6 september 1999 de schade begroot op € 5.000. Hierbij is evenwel aangegeven dat gelet op de voorgeschiedenis van het Project, de aanleg van de HSL-Zuid in de directe omgeving van het object voorzienbaar is geweest vanaf 23 mei 1996, zijnde het moment dat het kabinet een definitieve keuze voor het tracé had gemaakt en deze keuze voor eenieder kenbaar had weergegeven in de Planologische Kernbeslissing (hierna: PKB) deel 3. Nu eisers het object op 12 juli 1996 hebben aangekocht en op 10 oktober 1996 in eigendom hebben verkregen, was de schade als gevolg van de aanleg van de HSL-Zuid voor eisers voorzienbaar op het moment van aankoop en dient de schade om die reden voor hun rekening te blijven. De Schadecommissie verwijst ter onderbouwing van dit standpunt naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ABRvS).

Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek tot schadevergoeding conform het advies van de Schadecommissie afgewezen.

Volgens de Bezwarencommissie Noord (verder: de Bezwarencommissie) zijn door eisers geen argumenten c.q. nieuwe gezichtspunten aangedragen die wijziging van het eerder genomen besluit zouden rechtvaardigen. De door eisers aangehaalde jurisprudentie van de ABRvS doet niets af aan de meest recente jurisprudentie van de ABRvS van 7 april 2004, waarin is bepaald dat van een eerdere kenbaarheidsdatum kan worden uitgegaan. Voorts is nog overwogen dat de vele publicaties in het gebied Bleiswijk-Bergschenhoek-Berkel en Rodenrijs, waar de komst van de HSL-Zuid voor veel commotie heeft gezorgd, ervoor heeft gezorgd dat eenieder in 1996 bekend kon zijn dat er ter plaatse de kans bestond dat de HSL-Zuid zou worden aangelegd. Bij de besluitvorming dient verweerder uit te gaan van de meest recente toepasselijke jurisprudentie, waaruit voortvloeit dat schadeverzoeken in de loop van de tijd anders kunnen worden afgedaan dan eerdere verzoeken, zodat geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de Bezwarencommissie van 10 januari 2006 overgenomen, het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.

Eisers bestrijden de door de Schadecommissie vastgestelde peildatum voor de voorzienbaarheid, in casu 23 mei 1996. Naar hun mening is het moment van publicatie van de definitieve versie van de PKB HSL-Zuid deel 4 op 10 juli 1997, de juiste peildatum waarvan in dit geval moet worden uitgegaan. De Schadecommissie geeft in onvoldoende mate blijk van zodanige zwaarwegende redenen dat alsnog uitgegaan dient te worden van een andere peildatum dan 10 juli 1997. Gelet hierop is sprake van een gebrek aan deugdelijke motivering. Eveneens geeft de Schadecommissie blijk van een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat andere zaken waarin adviezen zijn uitgebracht door één van de andere door het Schadevergoedingsschap ingestelde adviescommissies, met betrekking tot andere delen van het HSL-tracé, wordt uitgegaan van een peildatum voor de voorzienbaarheid van 10 juli 1997. De jurisprudentie, die niet eenduidig is, is niet van toepassing omdat eisers op het moment van aankoop van de woning niet over zodanige informatie beschikten die aanleiding gaf om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie in een voor hun ongunstige zin zou gaan veranderen. Eisers hebben meermalen navraag gedaan bij de gemeente over de aanleg van de HSL-Zuid. De gemeente heeft steeds aangegeven geen nadere informatie te hebben over de schade en overlast die de HSL-Zuid zou kunnen geven.

De rechtbank overweegt ter zake het volgende.

Verweerder heeft, conform het advies van de Schadecommissie, als peildatum voor het ontstaan van eventueel vergoedbare schade aangemerkt de datum waarop het tracébesluit onherroepelijk is geworden. In het onderhavige geval is dat 6 september 1999, de datum waarop de ABRvS uitspraak heeft gedaan op de beroepen tegen het in artikel 1, sub g, van de Verordening genoemde tracébesluit HSL-Zuid, het Tracébesluit A4 en het Tracébesluit A16, voor zover bij die uitspraak die beroepen ongegrond zijn verklaard. De voorzienbaarheid was evenwel reeds aanwezig op 23 mei 1996, zijnde de datum dat PKB deel 3 openbaar is geworden, nu op dat moment het nadien definitief geworden tracé bekend is geworden. Verweerder beroep zich hiervoor op een uitspraak van de ABRvS van 7 april 2004, LJN AO7131. In die uitspraak is het volgende bepaald:

“De rechtbank heeft overwogen dat bij de beantwoording van de vraag of schade redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van verzoeker dient te blijven van belang is of er voor een redelijk denkende en handelende koper ten tijde van de aankoop van het onroerend goed in kwestie aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse voor hem in negatieve zin zou gaan veranderen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden staande gehouden dat appellant daarmee op het moment van de aankoop van zijn woning redelijkerwijs geen rekening heeft hoeven houden.

Daartoe heeft de rechtbank gewezen op het feit dat de vaststelling en ter inzage legging van het ontwerp-PKB Betuweroute, de vaststelling van het (definitieve) kabinetsstandpunt, neergelegd in PKB deel 3, de goedkeuring hiervan door de Tweede en Eerste Kamer, de publicatie in de Staatscourant van PKB deel 4, en de terinzagelegging daarvan, alle vóór de datum van aankoop hebben plaatsgevonden.

Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat de uiteindelijke verwezenlijking van de aanleg van de Betuweroute direct aan de zuidzijde van appellants woning zodanig voorzienbaar was dat appellant geacht moet worden het risico hiervan te hebben aanvaard. Daaraan doet volgens de rechtbank niet af dat in de toelichting bij de Regeling is bepaald dat de kenbaarheid van concrete planologische ontwikkelingen “in elk geval” wordt aangenomen vanaf het moment dat het Ontwerp-Tracébesluit ter visie is gelegd, op 4 maart 1996, aangezien reeds uit de terminologie blijkt dat een eerdere datum niet is uitgesloten en in de omstandigheden van dit geval voldoende aanleiding kan worden gezien om het peilmoment aanwezig te achten (ruimschoots) vóór de datum van aankoop van de woning door appellant, aldus de rechtbank.

De Afdeling kan zich in dit oordeel vinden.

Ter zitting is namens de Minister verklaard dat de passage in de Toelichting inhoudt, dat het scharniermoment voor het aannemen van voorzienbaarheid van de ontwikkelingen in beginsel kan variëren, afhankelijk van de mate van concreetheid van de ontwikkelingen op een specifieke locatie, doch uiterlijk op 4 maart 1996 is bepaald, het moment waarop de op handen zijnde ontwikkelingen naar objectieve maatstaven voor een ieder bekend waren of hadden kunnen zijn. Voor het oordeel dat dit beleid kennelijk onredelijk is, bestaat geen grond.”

Ten aanzien van het hier aan de orde zijnde deel van het tracé is op 11 mei 1994 en 29 september 1994 in de Staatscourant gepubliceerd dat er hoorzittingen worden gehouden over de aanleg. Op 23 mei 1996 hebben de Ministers van Verkeer en Waterstaat en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de PKB HSL-Zuid deel 3, zijnde het definitieve kabinetsstandpunt, naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin onder andere het tracé bij de gemeenten Bleiswijk, Berkel en Rodenrijs, Bergschenhoek en Rotterdam is vastgesteld. Weliswaar is de PKB deel 4, zijnde de versie waarmee de Tweede en Eerste Kamer akkoord zijn gegaan, van na de aankoop van het object door eisers, maar het vastgelegde tracé in PKB deel 3 is identiek aan het tracé zoals dat is vastgelegd in PKB deel 4. Omtrent het PKB deel 3 had een zodanig brede en intensieve maatschappelijke discussie plaatsgevonden, dat eisers met de verwezenlijking van het daarin vastgelegde (voorkeurs)tracé ernstig rekening moesten houden.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat op het moment van het uitbrengen van het definitieve kabinetsstandpunt aangaande het Project, in casu 23 mei 1996, er voldoende kenbaarheid en voorzienbaarheid was van de schadeveroorzakende maatregel. Het door eisers gestelde dat de gemeente [woonplaats] niet over de relevante informatie beschikte of deze niet wilde geven, doet niet af aan de voorzienbaarheid. Eisers hadden zich dienaangaande ook tot andere bronnen van informatie, waaronder het Ministerie van Verkeer en Waterstaat kunnen wenden voor informatie over het voorgenomen tracé. Nu er als gevolg van het Project na 23 mei 1996 evenmin een verslechtering van de situatie heeft plaatsgevonden is de voorzienbaarheid niet doorbroken en heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat de schade als gevolg van het Project voorzienbaar was en derhalve voor rekening en risico’s van eisers dient te blijven.

Het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel leidt de rechtbank niet tot een andere conclusie. Hieromtrent wordt overwogen dat, nog daargelaten dat eisers geen concrete gegevens hebben overgelegd omtrent die ‘gelijke’ gevallen, er geen sprake lijkt te zijn van gelijke gevallen nu eisers een beroep doen op gevallen die betrekking hebben op een ander deel van het tracé dan welke hier aan de orde is. Nu voor andere delen van de HSL-Zuid wel verschillen zijn tussen de PKB deel 3 en de PKB deel 4, kan voor de voorzienbaarheid niet in alle gevallen zonder meer worden uitgegaan van de datum van bekendwording van de PKB deel 3.

Alles overziende, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid op basis van het advies van de Schadecommissie van 25 augustus 2005 tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding heeft kunnen komen.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit, waarbij het primaire besluit is gehandhaafd, in rechte stand kan houden. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. van den Hurk.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. van Mazijk, griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 september 2006.

De griffier: De rechter:

Afschrift verzonden op:

Een belanghebbende - onder wie in elk geval eisers worden begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzon