Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ8683

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-12-2006
Datum publicatie
15-02-2007
Zaaknummer
10/750025-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Stelselmatige inwinning van informatie en pseudokoop. Politiële informanten. (Internationale) handel in verdovende middelen en handel in wapens.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 10
Opiumwet 2
Wet wapens en munitie 55
Wet wapens en munitie 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer van de berechte zaak: 10/750025-05

Datum uitspraak: 19 december 2006

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen:

[naam],

geboren op [datum] te [plaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [woonplaats],

ten tijde van de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Rijnmond, Huis van Bewaring Noordsingel te Rotterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 27 november 2006, 28 november 2006, 30 november 2006, 4 december 2006 en 5 december 2006.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging overeenkomstig de vordering van de officier van justitie ter terechtzitting, ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, dat

1. Zaak Heroïne:

hij

in of omstreeks de periode van 28 februari 2005 tot en met 1 maart 2005 te

Rotterdam en/of Hoek van Holland, in elk geval Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht

ongeveer 30 kilogram heroïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van

artikel 3a van die wet,

of

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 30 kilogram heroïne, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een

middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft/hebben

verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

- voornoemde heroïne voor een transport met bestemming het Verenigd Koninkrijk in een tas/koffer gedaan/gestopt en/of (vervolgens)

- voornoemde tas (met heroïne) voor een transport met bestemming het Verenigd Koninkrijk overgedragen/afgegeven en/of (vervolgens)

- voornoemde (tas met) heroïne voor een transport met bestemming het Verenigd Koninkrijk in een (vracht)auto gestopt/opgeborgen en/of (vervolgens)

- (met die) (een) (vracht)auto met voornoemde/die heroïne een ferry/veerboot (met bestemming het Verenigd Koninkrijk) opgereden;

2. Zaak Scorpions (vuurwapens):

hij

op of omstreeks 23 februari 2005 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 2 van de Wet

Wapens en Munitie, te weten

(een) vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet, geschikt om

automatisch te vuren,

- van het merk Crvena Zastava, type/model 61, kaliber 7,65 mm (voorzien van

serienummer 30014) en/of

- van het merk Ceska Zbrojovka, type/model 61, kaliber 7,65 mm (voorzien van

serienummer 3055 S),

voorhanden heeft gehad en/of (vervolgens) heeft overgedragen aan een politiële informant;

3. Zaak Scorpions (patroonhouders):

hij

op of omstreeks 23 februari 2005 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

vier, althans één of meerdere, patroonhouder(s), geschikt/bestemd voor (een)

wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 2 van de Wet Wapens

en Munitie, te weten (een) vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3 van

die wet, geschikt om automatisch te vuren,

voorhanden heeft gehad en/of (vervolgens) heeft overgedragen aan een politiële informant;

4. Zaak Scorpions (munitie):

hij

op of omstreeks 23 februari 2005 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten

munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2 van die wet van de Categorie III te

weten:

- vier, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 7,65 mm en/of

- zeven, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 7,65 mm en/of

- zes, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 7,65 mm en/of

- negen, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 7,65 mm,

voorhanden heeft gehad en/of (vervolgens)

heeft overgedragen aan een politiële informant;

5. Zaak Scorpions (geluiddempers)

hij

op of omstreeks 23 februari 2005 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1, Categorie I onder 3 van de Wet

Wapens en Munitie, te weten één of meerdere geluiddemper(s) voor een

vuurwapen voorhanden heeft gehad en/of (vervolgens) heeft overgedragen aan een politiële informant;

6. Zaak [adres] (heroine):

hij

op of omstreeks 01 maart 2005 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,619 kilogram heroïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

7. Zaak [adres] (vuurwapen):

hij

op of omstreeks 01 maart 2005 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet

wapens en munitie, te weten

een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een

pistool van het merk Norinco, model NP-34, kaliber 9x19 mm voorhanden heeft

gehad;

8. Zaak [adres] (munitie):

hij

op of omstreeks 01 maart 2005 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten

munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2, Categorie III van die wet, te

weten:

- honderdnegenenveertig, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 9x19 mm en/of

- vijftien, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber .357 magnum en/of

- dertien, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber .38 special en/of

- twee, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 7,65 mm en/of

- één kogelpatroon, kaliber 9mm (flobert) en/of

- honderd, althans één of meerder, kogelpatro(o)n(nen), kaliber 7.62 x 51 mm,

voorhanden heeft gehad;

9. Zaak [adres] (stroomstootwapen):

hij

op of omstreeks 01 maart 2005 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 5 van de Wet

Wapens en Munitie, te weten

een stroomstootwapen van het merk Security, voorhanden heeft

gehad;

10. Zaak [adres] (heroine):

hij

op of omstreeks 01 maart 2005 te Barendrecht

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 463,6 gram heroïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroine, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

11. Zaak [adres] (vuurwapen)

hij

op of omstreeks 01 maart 2005 te Barendrecht

(een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet

wapens en munitie, te weten

een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een

pistool van het merk Tanfoglio, type GT-28, kaliber 6.35 mm,

voorhanden heeft gehad;

12. Zaak [adres] (munitie)

hij

op of omstreeks 01 maart 2005 te Barendrecht,

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten

munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2, Categorie III van die wet, te

weten:

- drie, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber 6.35 mm en/of

- vierendertig, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber .357 magnum en/of

- drieëndertig, althans één of meerdere, kogelpatro(o)n(en), kaliber .38,

voorhanden heeft gehad;

13. Zaak [adres] (geluiddemper)

hij

op of omstreeks 01 maart 2005 te Barendrecht,

(een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1, Categorie I onder 3 van de Wet

Wapens en Munitie, te weten één geluiddemper (als bedoeld in artikel 2, lid 1 onder f van de Regeling Wapens en Munitie), voor een

vuurwapen voorhanden heeft gehad;

14. Zaak Engeland (onderzoek Finland)

hij in of omstreeks de periode van 20 september 2004 tot en met 22 september

2004 te De Kwakel en/of Aalsmeer en/of Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 18 kilogram heroïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

of

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 18 kilogram heroïne, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een

middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft/hebben

verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

- voornoemde heroïne verpakt in, althans gestopt bij, een lading sierpompoenen, althans planten en/of sierfruit en/of (vervolgens)

- voornoemde heroine met voornoemde lading aangeboden voor een transport met bestemming het Verenigd Koninkrijk en/of (vervolgens)

- opdracht gegeven tot voornoemd transport met voornoemde lading, althans voornoemd transport door tussenkomst van [naam bedrijf] daadwerkelijk te laten plaatsvinden door de [naam] B.V.

15. Zaak Engeland (onderzoek Fieldfare)

hij in of omstreeks de periode van 17 december 2004 tot en met 21 december

2004 te De Kwakel en/of Aalsmeer en/of Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 17 kilogram heroïne, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens

het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

of

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld

in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 17 kilogram heroïne, in elk geval

een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een

middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, immers heeft/hebben

verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk

- voornoemde heroïne verpakt in, althans gestopt bij een lading kerststerren, althans planten en/of sierfruit en/of (vervolgens)

- voornoemde heroine met voornoemde lading aangeboden voor een transport met bestemming het Verenigd Koninkrijk en/of (vervolgens)

- opdracht gegeven tot voornoemd transport met voornoemde lading, althans voornoemd transport door tussenkomst van [naam bedrijf] daadwerkelijk te laten plaatsvinden door de [naam] B.V.

DE EIS VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Kerkhof heeft gerekwireerd - zakelijk weergegeven - de vrijspraak van het onder 2 tot en met 5 ten laste gelegde, de bewezenverklaring van het onder 1 en 6 tot en met 15 ten laste gelegde en de veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren. Voorts heeft de officier van justitie verbeurdverklaring van de in beslag genomen personenauto, Volvo S80, kenteken [kenteken], gevorderd.

GELDIGHEID DAGVAARDING

De raadsman heeft namens verdachte gesteld dat een vordering nadere omschrijving tenlastelegging op grond van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering op 30 augustus 2005 niet meer mogelijk was nu de omschrijving van het feit in de zaak Scorpions (patroonhouders) op het bevel in bewaringstelling “(een) patroonhouder(s)” luidde, terwijl de omschrijving op de oorspronkelijke tenlastelegging voor de zitting van 8 juni 2005 “vier, althans één of meerdere, patroonhouder(s)” was. Als zodanig is te dien aanzien niet volstaan met een omschrijving als bedoeld in artikel 261 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna Sv) maar met een andersluidende omschrijving, zodat het er voor gehouden moet worden dat de officier van justitie reeds toen een vordering nadere omschrijving tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a Sv heeft gedaan.

Dit verweer wordt verworpen.

De officier van justitie had, indien hij ter zitting van de rechtbank van 8 juni 2005 gebruik zou hebben gemaakt van de mogelijkheid om een vordering nadere omschrijving tenlastelegging zoals bedoeld in artikel 314a Sv te doen, deze vordering ter terechtzitting moeten doen (zie de artikelen 314a, tweede lid jo artikel 313, eerste lid, Sv). De raadsman had hierop dan ook ter terechtzitting kunnen reageren. Nu dit niet is gebeurd dient er van uit te worden gegaan dat de officier van justitie pas ter terechtzitting van 30 augustus 2005 een zodanige vordering heeft ingediend.

De raadsman heeft voorts betoogd dat ten aanzien van de feiten 9 tot en met 15 op de vordering nadere omschrijving tenlastelegging deze vordering onrechtmatig is, nu deze aanpassing in strijd met artikel 314a Sv volledig nieuwe feiten behelst.

Ook dit verweer wordt verworpen.

In artikel 314a Sv wordt artikel 313 Sv met uitzondering van de laatste volzin van toepassing verklaard, zodat wijzigingen als gevolg waarvan de tenlastelegging niet meer hetzelfde feit, in de zin van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht, zou inhouden, worden toegelaten.

Redelijke wetstoepassing brengt met zich dat wijziging van de voorlopige tenlastelegging ingevolge artikel 314a Sv welke bestaat uit een uitbreiding daarvan met andere feiten dan waarvan in de onderhavige zaak sprake is, slechts dan niet toelaatbaar is indien elk verband tussen de feiten die overeenkomstig het bevel gevangenhouding of gevangenneming zijn opgenomen in de voorlopige tenlastelegging en de feiten in de gewijzigde tenlastelegging, ontbreekt.

Daarvan is hier geen sprake.

De feiten op de vordering nadere omschrijving tenlastelegging opgenomen onder 9 tot en met 13 betreffen reeds daarom hetzelfde feitencomplex omdat zij op de tenlastelegging zijn opgenomen naar aanleiding van doorzoekingen binnen het kader van het feitencomplex zoals neergelegd in de vordering in bewaringstelling.

De feiten onder 14 en 15 op de vordering nadere omschrijving tenlastelegging betreffen de zaken Finland en Fieldfare waarover door de Engelse autoriteiten reeds in een vroeg stadium in het dossier Engeland is gerapporteerd. Het betreft voorts een zelfde feitencomplex als in de zaak heroïne namelijk de verdenking van uitvoer van heroïne naar Engeland.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot nietigverklaring van de dagvaarding, is de dagvaarding geldig.

VERWEREN TEN AANZIEN VAN STELSELMATIGE INWINNING VAN INFORMATIE EN PSEUDOKOOP

De raadsman van verdachte heeft verklaard zich namens zijn cliënt aan te sluiten bij de namens de medeverdachte [naam], bij monde van diens raadsman, gevoerde verweren tegen de toepassing van de (bijzondere) opsporingsbevoegdheden stelselmatige inwinning van informatie door een opsporingsambtenaar (artikel 126j Sv) en (politiële) pseudokoop (artikel 126i Sv). Zakelijk weergegeven laten de verweren zich als volgt samenvatten: (1) de leden van het politiële infiltratieteam (hierna: PIT) die de betreffende bevoegdheden hebben uitgeoefend, hebben zich

- materieel bezien - met infiltratie beziggehouden, althans met een verdergaande uitoefening van bevoegdheden dan door de respectievelijke bevelen gedekt, zodat sprake is van détournement de pouvoir. Daarnaast zouden de bevelen niet de bevoegdheid geven om informatie in te winnen over toekomstige, nog te plegen strafbare feiten; (2) de wijze waarop de pseudokoop tot stand is gekomen, heeft een schending van het bepaalde in artikel 126i, tweede lid, Sv (het ‘Tallon-criterium’) opgeleverd, in die zin dat van ontoelaatbare uitlokking van de verdachte(n) sprake was; (3) de uitoefening van deze bevoegdheden was in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, en (4) de bevelen hadden niet pas achteraf schriftelijk mogen worden gegeven.

Gelet op artikel 359a Sv dienen deze vormverzuimen te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, subsidiair tot uitsluiting van het met deze bevoegdheden verkregen bewijsmateriaal, aldus de raadsman. Meer subsidiair is een compensatie door middel van strafvermindering bepleit.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Op 7 september 2004 werd een viertal processen-verbaal door de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) verstrekt aan de tactische recherche. In deze processen-verbaal wordt gesproken over [naam] als bezitter van (een) vuurwapen(s) dan wel als handelaar daarin. Mede op basis van deze informatie heeft de officier van justitie op 18 oktober 2004 een bevel afgegeven als bedoeld in artikel 126j, eerste lid, Sv, strekkende tot het stelselmatig inwinnen van informatie over de verdachte [naam]. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van de teamleider van het Infiltratieteam inzake het onderzoek Osaka van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (TL-no.1) van 10 maart 2004 (de rechtbank leest 2005) was de doelstelling van de inzet van de politiële informanten het verzamelen van bewijs inzake vuurwapenhandel.

Dat processen-verbaal van de CIE de aanleiding mogen vormen voor het starten van een opsporingsonderzoek, heeft de Hoge Raad reeds verscheidene malen overwogen. Zie bijvoorbeeld zijn arresten van 11 juni 2002 (LJN: AE0045, niet gepubliceerd) en 18 november 2003 (LJN: AJ0517). De verdenking die voortvloeit uit deze processen-verbaal is voldoende voor de toepassing van de bevoegdheid van artikel 126j Sv, nu ingevolge het eerste lid van die bepaling een verdenking van een misdrijf daartoe voldoende is.

In zijn uitspraak van 9 maart 2004 (NJ 2004, 263) had de Hoge Raad omtrent de hier aan de orde zijnde opsporingsbevoegdheid reeds het volgende overwogen (5.4 en 5.5):

‘Mede in het licht van de wetsgeschiedenis biedt art. 126j Sv een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag als bedoeld in art. 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna EVRM) voor het stelselmatig inwinnen van informatie waarbij een opsporingsambtenaar, zonder dat kenbaar is dat hij als zodanig optreedt, onder een andere identiteit in de omgeving van de verdachte verkeert en, met schending van diens vertrouwen, met de verdachte in contact komt. Uit de ontstaansgeschiede-nis van die bepaling en van de titel waarin zij is opgenomen volgt dat daaronder ook is begrepen het inwinnen van informatie door contacten met de verdachte zelf (…)’.

De rechtbank is het met de verdediging eens dat een bevel tot stelselmatige inwinning van informatie als bedoeld in artikel 126j Sv primair tot doel heeft het oplossen van één of meer reeds gepleegde strafbare feiten. Dat was ook in het onderhavige onderzoek het geval; zie daartoe het hierboven aangehaalde proces-verbaal. Echter, geen rechtsregel of rechtsbeginsel verzet zich ertegen om gegevens, verkregen tijdens het stelselmatig inwinnen van informatie, te gebruiken voor de opheldering van strafbare feiten die na het afgeven van het bevel zijn of worden begaan. Vergelijk HR 7 oktober 2003, NJ 2004, 118 (met betrekking tot infiltratie).

Dit geldt ook indien het andersoortige strafbare feiten betreft dan in het bevel vermeld. In zoverre slaagt het verweer van de raadsman, dat in strijd met het recht ter uitvoering van het bevel, gebaseerd op een verdenking van overtreding van de Wet wapens en munitie, ook onderzoek werd gedaan naar Opiumwet-feiten, dan ook niet.

Aldus biedt het bepaalde in artikel 126j Sv de bevoegdheid om actief te interfereren in het leven van de verdachte, zonder dat wordt meegewerkt aan een groep van personen (of een georganiseerd verband) waarbinnen misdrijven worden gepleegd. In de praktijk zal deze bevoegdheid in voorkomende gevallen gebruikt worden, om een pseudokoop of pseudo-dienstverlening, dan wel een infiltratie, voor te bereiden. Wanneer, in zo’n geval, de precieze overgang van de uitvoering van een bevel tot stelselmatige inwinning van informatie naar de uitvoering van een bevel tot pseudokoop plaatsvindt, laat zich niet gemakkelijk in algemene bewoordingen omschrijven. Gesteld kan wel worden, dat indien een eventuele, toekomstige pseudokoop op basis van concrete feiten of omstandigheden waarschijnlijk lijkt te gaan worden, een bevel als bedoeld in artikel 126i, eerste lid, Sv benodigd zal zijn. Tot die tijd kan worden volstaan met een bevel als bedoeld in artikel 126j, eerste lid, Sv, nu het dan nog slechts zal gaan om de mogelijkheden om tot een pseudokoop te komen, te onderzoeken en/of voor te bereiden. Tegen deze achtergrond oordeelt de rechtbank de wijze waarop de medewerkers van het PIT - ter uitvoering van het eerder bedoelde bevel van 18 oktober 2004 - in contact zijn getreden met de medeverdachte [naam] en later de verdachte, dan ook niet onrechtmatig.

Een zelfde argumentatie hanteert de rechtbank bij het beoordelen van het verweer dat de handelingen die werden verricht ter uitvoering van het bevel stelselmatig inwinnen van informatie, kunnen worden aangemerkt als voorbereidingshandelingen in de zin van art. 10a van de Opiumwet. Het onderzoeken of voorbereiden van de mogelijkheid, om tot een pseudo-koop of pseudo-dienstverlening te komen, wordt naar het oordeel van de rechtbank gedekt door het bevel als bedoeld in artikel 126j, eerste lid, Sv. Zolang er geen concrete afspraken zijn gemaakt die strekken tot aflevering van goederen, is een bevel als bedoeld in artikel 126i Sv (nog) niet benodigd. De rechtbank wijst in dit verband op HR 30 september 2003, NJ 2004, 84.

Evenmin is de rechtbank van oordeel dat met de uitoefening van het bevel tot stelselmatig inwinnen van informatie er materieel bezien sprake was van infiltratie. Van infiltratie als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, Sv is sprake indien en voor zover de opsporingsambtenaar deelneemt of medewerking verleent aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd. Van een dergelijk deelnemen of medewerking verlenen is niet gebleken.

Nu de rechtbank in het bovenstaande heeft geconcludeerd dat in het onderzoek Osaka géén sprake was van infiltratie, behoeven de dienaangaande, ter terechtzitting gevoerde verweren, geen bespreking.

Met betrekking tot de beweerdelijk plaatsgevonden hebbende uitlokking, althans een optreden door de leden van het PIT dat strijdig is met het Tallon-criterium, oordeelt de rechtbank als volgt. Reeds in HR 4 december 1979, NJ 1980, 356 (Tallon) werd door de Hoge Raad overwogen dat het opsporingsmiddel pseudokoop niet mag worden gebruikt om - ter wille van het verkrijgen van bewijsmateriaal - mensen uit te lokken tot het verrichten van handelingen, die zij niet van plan waren uit te voeren. In de woorden van de Hoge Raad: (niet toegestaan is het) “om iemand tot andere handelingen te brengen dan die, waarop zijn opzet reeds was gericht”.

In de wettelijke regeling van de politiële pseudokoop - artikelen 126i en 126q Sv - is dit zogeheten Tallon-criterium steeds in het tweede lid terug te vinden: ‘De opsporingsambtenaar mag bij de tenuitvoerlegging van het bevel een persoon niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht’. Ter gelegenheid van de parlementaire behandeling heeft de minister van Justitie daaromtrent het volgende opgemerkt (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 403, nr. 3, blz. 31):

‘Achteraf moet dus kunnen worden vastgesteld dat de verdachte de misdrijven ter zake waarvan hij wordt vervolgd, ook zou hebben begaan als de infiltrant (i.c. te vervangen door pseudokoper) er niet tussen was gekomen’.

Evenals in deze zaak, dient in een dergelijk geval derhalve achteraf te worden beoordeeld, of het (generieke) opzet reeds tevoren bestond. Bij die beoordeling houdt de rechtbank rekening met het feit dat medeverdachte [naam] - blijkens de hierboven genoemde CIE-informatie - reeds verdacht werd van betrokkenheid bij de handel in dan wel het bezit van wapens.

In die zin is de onderhavige situatie wezenlijk anders dan in de zaak, die geleid heeft tot de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 9 juni 1998 (Teixeira de Castro v. Portugal). Het ging daar om iemand tegen wie de autoriteiten geen goede reden hadden om hem te verdenken van drugshandel, terwijl klager geen strafdossier had, er tegen hem geen onderzoek was geopend, en hij bij de politie zelfs onbekend was. Reeds om die reden faalt het door de verdediging gedane beroep op de toepasselijkheid van genoemde uitspraak op deze zaak.

In zijn arrest van 23 januari 2001 (NJ 2001, 218) voegt de Hoge Raad aan het Tallon-criterium nog toe “(…) dat uitlokking door een (burger-)infiltrant niet in de weg behoeft te staan aan het oordeel dat een verdachte door dergelijk optreden niet is gebracht tot andere strafbare feiten dan waarop zijn opzet reeds tevoren was gericht”.

Wat betreft het optreden van de pseudokoper is derhalve niet de causale invloed daarvan op het handelen van de verdachte van doorslaggevend belang - die staat wel vast -, maar de aard en intensiteit van dat optreden. Het gaat erom dat wordt vastgesteld dat de pseudokoper zich niet van in dit verband ongeoorloofde methodes heeft bediend. In de woorden van de advocaat-generaal, in diens conclusie bij HR 26 september 2000, NJ 2000, 739:

“Het maakt nogal verschil of men een praktiserende drugsimporteur een zak geld aanbiedt voor de levering van heroïne, of een particulier met een gezin en een blanco strafblad, die met faillis-sement wordt bedreigd, benadert voor koeriersdiensten. Het Tallon-criterium biedt voldoende aanknopingspunten voor het aanleggen van de test van de ‘totality of circumstances’ (…)”.

Met betrekking tot het optreden van de pseudokoper(s) in de onderhavige zaak, stelt de rechtbank vast dat van dit optreden steeds processen-verbaal zijn opgemaakt, die zich bij de processtukken bevinden. De inhoud van deze processen-verbaal, óók ten aanzien van de door de opsporingsambtenaren opgebouwde ‘cover’, komt in grote lijnen overeen met wat de medeverdachte [naam] daaromtrent ter zitting heeft verklaard. Ter terechtzitting gevoerde verweren tegen de betrouwbaarheid van de bevindingen van de opsporingsambtenaren

- aangezien A1658 regelmatig het toilet bezocht zou hebben om te sms-en en dus andere dingen aan haar hoofd zou hebben gehad en dat A1275 veel alcoholhoudende dranken zou hebben genuttigd - worden, wat daar ook van zij, dan ook, nu de inhoud van deze bevindingen sterk overeen blijkt te komen met hetgeen door de medeverdachte [naam] ter zitting is verklaard, verworpen.

Echter, ter terechtzitting heeft medeverdachte [naam] op onderdelen andersluidend dan in genoemde processen-verbaal verklaard. De rechtbank doelt hierbij op de volgende verklaring van medeverdachte [naam]:

“Er is ter sprake gekomen wat voor werk [naam] (= A1275) doet. Hij gaf geen duidelijke antwoorden. Hij zei dat hij in de transporthandel zat. [naam] heeft de transporthandel toegelicht en hij had een leidende rol bij bepaalde bedrijven. Hij kende meerdere transportbedrijven. Ik vroeg naar het type transport. Hij zei op een bepaalde manier van alles en nog wat. Ik vroeg wat hij bedoelde. Hij zei een beetje van dit en een beetje van dat. Dingen waarmee je veel geld kan verdienen, zei hij. [naam] vertelde over wapens onder andere. (…) Hij vroeg of ik hem in contact kon brengen met mensen of dat ik contact zou zoeken. Ik heb niet aangeboden om hem in contact te brengen met mensen. Er is gesproken over een vriend in [plaats] door [naam] en dat hij met hem of die mensen zaken deed. Er is gesproken over een vriend van [naam] in [naam]. [naam] zei dat die vriend met bepaalde criminele gangsters in Nederland problemen had en of ik voor hem een wapen kon vinden’.

Bovenstaand contact tussen de pseudokoper en de medeverdachte [naam] vond plaats op

10 december 2004. Op 25 januari 2005 wordt door de medeverdachte [naam] aan de pseudokoper A1275 een vuurwapen met bijbehorende geluiddemper, twee houders en munitie verkocht.

Gelet op de combinatie van (i) de aard van de verdenking die tegen de medeverdachte [naam] bestond, die de aanleiding vormde voor de stelselmatige inwinning van informatie, (ii) de wijze waarop - blijkens de processen-verbaal alsmede de verklaring van de medeverdachte [naam] ter terechtzitting - het contact tot stand gekomen is en het gesprek (ook) op vuurwapens is gekomen en (iii) - in het verlengde daarvan - de wijze waarop A1275 (volgens zeggen van de medeverdachte [naam]) heeft geïnformeerd naar de mogelijkheden voor medeverdachte [naam] om voor (de vriend van) A1275 een wapen te vinden, is naar het oordeel van de rechtbank - tegen de achtergrond van al hetgeen daaromtrent hierboven is opgemerkt - geen sprake van ontoelaatbare uitlokking van [naam].

Voor zover de verdediging heeft aangevoerd dat de toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheid pseudokoop in strijd was met de beginselen van de proportionaliteit en de subsidiariteit, overweegt de rechtbank het volgende.

Met de inwerkingtreding van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden is een aantal opsporingsbevoegdheden in het Wetboek van Strafvordering opgenomen, die gekarakteriseerd worden door hun heimelijke karakter, het gemiddeld hoge afbreukrisico en/of de inbreuk die zij maken op de persoonlijke levenssfeer van de onderzochte personen. Dat geldt voor een aantal van die bevoegdheden meer dan voor andere. Om die reden heeft de wetgever ervoor gekozen bij de regeling van juist de meest ingrijpende bevoegdheden, dan wel de bevoegdheden met het hoogste afbreukrisico, de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in de wettelijke regeling zelf over te nemen. Voor wat betreft de proportionaliteit kan worden gewezen op de vaak ernstige verdenking die wordt vereist, vooraleer de betreffende bevoegdheid mag worden toegepast. De rechtbank wijst in dat verband op de artikelen 126l, eerste lid, en 126m, eerste lid, Sv, waar steeds vereist is de verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.

Met betrekking tot de subsidiariteit wijst de rechtbank op de gronden uit de wettelijke regeling, waaraan voldaan moet zijn wil uitoefening van de betreffende bevoegdheid rechtmatig zijn. Zo is voor de toepassing van verscheidene bijzondere opsporingsbevoegdheden vereist dat het onderzoek hun uitoefening dringend vordert.

Waar het gaat over de bevoegdheden van 126j (stelselmatige inwinning van informatie) en 126i (pseudokoop) Sv, eist de wet slechts dat sprake is van een verdenking van een misdrijf (resp. als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv) en dat de uitoefening van de bevoegdheid in het belang van het onderzoek is. Naar het oordeel van de rechtbank was aan beide voorwaarden voldaan. De medeverdachte [naam] werd immers verdacht van de handel in vuurwapens. In het kader van het naar aanleiding van die verdenking gestarte opsporingsonderzoek deed de mogelijkheid van stelselmatige inwinning van informatie zich voor als een manier om de CIE-informatie te verifiëren dan wel te falsificeren. De pseudokopen, vervolgens, lagen in het verlengde van de ingewonnen informatie.

Voor zover de raadsman in zijn verweer heeft gesteld dat uit HR 9 maart 2004, NJ 2004, 263 blijkt dat het gebruik van de bevoegdheid van artikel 126j, eerste lid, Sv een (extra) verdergaande toetsing aan de beginselen van de proportionaliteit en de subsidiariteit behoeft, berust het verweer op een onjuiste lezing van dit arrest. Immers, het ging in die zaak om de inzet van een politiële informant (in het kader van de bevoegdheid van artikel 126j Sv) in het huis van bewaring, ten aanzien van een voorlopig gehechte verdachte. Deze specifieke wijze van gebruikmaking van de bevoegdheid noopte, aldus de Hoge Raad, tot een verdergaande toets aan genoemde beginselen. Zo een situatie doet zich in de onderhavige zaak echter niet voor.

Ten slotte heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld, dat de bevelen tot de aan de orde zijnde opsporingsbevoegdheden niet mondeling hadden mogen worden gegeven, doch meteen op schrift hadden moeten worden gesteld. Ook dat verweer wordt verworpen. De rechtbank wijst daarbij op de tekst van de betreffende bepalingen (126i en 126j Sv), waar steeds in het vijfde lid wordt geregeld dat artikel 126g, zesde tot en met achtste lid, Sv van overeenkomstige toepassing is. Ingevolge artikel 126g, zesde lid, Sv kan bij dringende noodzaak het bevel mondeling worden gegeven. De officier van justitie dient in dat geval het bevel binnen drie dagen op schrift te stellen. Dit is in het onderhavige geval ook gebeurd.

Het standpunt van de verdediging dat artikel 126j Sv uitdrukkelijk bepaalt dat een bevel tot stelselmatige informatie-inwinning of pseudokoop schriftelijk moet zijn, vindt in zijn algemeenheid dan ook geen steun in het recht.

Het geheel overziend oordeelt de rechtbank de wijze waarop de bevelen tot stelselmatige informatie-inwinning en pseudokoop zijn uitgeoefend, niet onrechtmatig. Er is wat dat betreft dan ook geen sprake van niet-herstelbare vormverzuimen die langs de weg van artikel 359a Sv compensatie zouden behoeven.

De verweren gericht op de toepassing van artikel 359a Sv worden derhalve alle verworpen.

VRIJSPRAAK

Het onder 2, 3, 4, 5, 7 en 8 en ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt vast dat op 1 maart 2005 tijdens de doorzoeking van de woning [adres] een vuurwapen van het merk Norinco (ten laste gelegd als feit 7) en munitie (ten laste gelegd als feit 8) zijn aangetroffen. Op dit vuurwapen en op deze munitie zijn geen DNA-sporen aangetroffen die overeenkomen met het DNA-profiel van verdachte. Op grond van de bewijsmiddelen heeft de rechtbank verder niet de overtuiging bekomen dat verdachte deze woning in de periode voor de doorzoeking zelfstandig of zodanig frequent bezocht dat op die grond kan worden geoordeeld dat hij in deze woning het vuurwapen, respectievelijk de munitie (mede) voorhanden heeft gehad. Verdachte moet derhalve worden vrijgesproken van het onder 7 en 8 ten laste gelegde.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 6 en 9 tot en met 15 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij in de periode van 28 februari 2005 tot en met 1 maart 2005 te

Rotterdam en Hoek van Holland tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht

ongeveer 30 kilogram van een materiaal

bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I;

6.

hij op 01 maart 2005 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 2,619 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

9.

hij op 01 maart 2005 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 5 van de Wet

Wapens en Munitie, te weten

een stroomstootwapen van het merk Security, voorhanden heeft

gehad;

10.

hij op 01 maart 2005 te Barendrecht

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 463,6 gram van een materiaal bevattende heroine, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst;

11.

hij op 01 maart 2005 te Barendrecht

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet

wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Tanfoglio, type GT-28, kaliber 6.35 mm,

voorhanden heeft gehad;

12.

hij op 01 maart 2005 te Barendrecht,

munitie in de zin van artikel 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten

munitie als bedoeld in artikel 2 lid 2, Categorie III van die wet, te

weten:

- drie kogelpatronen, kaliber 6.35 mm en

- vierendertig kogelpatronen, kaliber .357 magnum en

- drieëndertig kogelpatronen, kaliber .38, voorhanden heeft gehad;

13.

hij op 01 maart 2005 te Barendrecht,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, Categorie I onder 3 van de Wet

Wapens en Munitie, te weten één geluiddemper als bedoeld in artikel 2, lid 1 onder f van de Regeling Wapens en Munitie voor een vuurwapen voorhanden heeft gehad;

14.

hij in de periode van 20 september 2004 tot en met 22 september

2004 te De Kwakel en Aalsmeer en Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 18 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

15.

hij in de periode van 17 december 2004 tot en met 21 december

2004 te De Kwakel en Aalsmeer en Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 17 kilogram van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel

als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

Namens de verdachte is betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van de feiten 1 tot en met 5 en 14 en 15, omdat het tegen hem verzamelde bewijsmateriaal wat deze feiten betreft in beslissende mate afkomstig is van anonieme getuigen. Daardoor is artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (hierna IVBP) geschonden.

Ter onderbouwing van deze stelling wordt - kort weergegeven - aangevoerd dat, doordat aan de politiële informanten en hun begeleiders de status van bedreigde getuige is gegeven, een te vèrgaande inbreuk op de verdedigingsrechten is gemaakt voor zover die statusverlening inhoudt of tot gevolg heeft gehad dat de getuigen bij de rechter-commissaris vermomd en door middel van een stemvervormer zijn gehoord. Deze maatregelen waren volgens de raadsman niet noodzakelijk, omdat de verdachte deze getuigen reeds kende van uiterlijk en stem.

Nu het bewijsmateriaal in zoverre voornamelijk afkomstig is van deze getuigen, moet het bovenstaande er volgens de raadsman toe leiden dat - indien de verdediging niet alsnog de gelegenheid krijgt om de politiële informanten en hun begeleiders zonder vermomming en stemvervormer te horen - de verklaringen van de informanten en begeleiders niet tot bewijs kunnen worden gebruikt.

De rechtbank stelt - onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 29 april 1997 (NJ 1997, 666) - voorop dat de politiële informanten en hun begeleiders niet zijn aan te merken als anonieme getuigen als bedoeld in artikel 344a Sv. De persoonsgegevens van deze verbalisanten zijn immers weliswaar niet in de door hen opgemaakte processen-verbaal vermeld, maar hun functie en hoedanigheid zijn bekend en de verbalisanten zijn - aan de hand van hun codenum-mers - individualiseerbaar gebleken; zij zijn op verzoek van de verdediging allen bij de rechter-commissaris als getuigen gehoord.

In zijn arrest van 30 juni 1998 (NJ 1999, 88) heeft de Hoge Raad - onder verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet getuigenbescherming (Stb. 1993, 603) - overwogen dat de wetgever de beantwoording van de vraag of een getuige terecht als een bedreigde getuige de zin van art. 226a Sv is aangemerkt, heeft willen onttrekken aan het oordeel van de zittingsrechter. Een hernieuwde toetsing aan de voorwaarden tot het verlenen van de status van bedreigde getuige door de zittingsrechter is dan ook in strijd met de wettelijke regeling. Dit is slechts anders wanneer aan de wijze van totstandkoming of aan de inhoud van een door de rechter ingevolge art. 226a en/of 226b Sv ten aanzien van een getuige gegeven bevel zodanige fundamentele gebreken kleven dat gebruikmaking door de zittingsrechter van de resultaten van het nadien afgenomen verhoor van deze getuige, zou indruisen tegen het recht van de verdachte op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 van het EVRM en artikel 14 van het IVBP.

De rechtbank ziet noch in hetgeen namens verdachte en medeverdachte [naam] is aangevoerd, noch anderszins grond voor het oordeel dat aan de inhoud of wijze van totstandkoming van de beschikkingen waarbij is bevolen dat de identiteit van de politiële informanten en van hun begeleiders tijdens de verhoren verborgen moet worden gehouden, fundamentele gebreken kleven als hierboven bedoeld.

Voor zover de raadslieden van de verdachte en de medeverdachte [naam] bedoelen te stellen dat zij door de wijze waarop invulling is gegeven aan de status van bedreigde getuigen (vermomming en stemvervorming) onvoldoende in de gelegenheid zijn gesteld de bedreigde getuigen op een adequate wijze te ondervragen en zich een eigen oordeel omtrent hun betrouwbaarheid te vormen, acht de rechtbank van belang dat de rechter-commissaris er niet voor heeft gekozen om de verhoren van de bedreigde getuigen - op de voet van artikel 226d

Sv - buiten aanwezigheid van de verdachten en hun raadslieden te doen plaatsvinden, maar heeft gekozen voor een middel dat het ondervragingsrecht van de verdediging beduidend minder heeft belemmerd. Bovendien leveren de resultaten van de verhoren die bij de rechter-commissaris zijn gehouden niet in overwegende mate bewijs op voor de betrokkenheid van de verdachte bij de tenlastegelegde feiten. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat op de verdedigingsrechten van de verdachte niet een zodanige inbreuk is gemaakt dat het recht van de verdachte op een eerlijk proces er aan in de weg staat, dat de resultaten van de bij de rechter-commissaris gehouden verhoren (voor zover nodig) tot bewijs worden gebruikt.

Met betrekking tot feit 6 op de dagvaarding is namens verdachte betoogd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de opzet heeft gehad op het voorhanden hebben van de in de woning [adres] aangetroffen heroïne.

In dit verband wordt gesteld dat [naam] in de gemeentelijke bevolkingsadministratie was ingeschreven als hoofdbewoonster van deze woning en dat - volgens de verklaring van [naam] - naast [naam] niet alleen verdachte, maar ook medeverdachte [naam] en [naam] toegang tot de woning hadden. Volgens de verdediging geeft [naam] er in haar verklaringen slechts blijk van dat zij vermoedt dat de heroïne toebehoort aan medeverdachte [naam]. Deze gissingen ondersteunen niet de beschuldiging dat ook verdachte opzettelijk heroïne aanwezig heeft gehad.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

Tijdens de op 1 maart 2005 gehouden doorzoeking van de woning [adres] is onder meer een tas met daarin 2 plastic zakken met op verdovende middelen gelijkende stof (gecodeerd onder nummer F.F. 2.15), alsmede een blauwe tas met daarin 2 blokken vermoedelijk verdovende middelen (gecodeerd onder nummer F.F. 1.2) aangetroffen.

Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van [naam], blijkt dat verdachte in de periode voorafgaand aan de doorzoeking intensief contact had met medeverdachte [naam]. [naam] verklaart dat zij gezien heeft dat [naam] een groot, zwaar apparaat - naar later bleek een heroïnepers - in de slaapkamer van de woning heeft neergezet.

Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat verdachte en medeverdachte [naam] in de nacht van 27 op 28 februari 2005 in de woning aan de [adres] hebben verbleven. Aan politieel informant A1275 en (later) aan politieel informant A1679 meldde medeverdachte [naam] dat hij en verdachte de hele nacht van 27 op 28 februari 2005 hadden doorgewerkt om de te vervoeren heroïne te persen. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat verdachte en medeverdachte [naam] op 28 februari 2005 een tas met ca. 30 kg heroïne uit de woning [adres] hebben gedragen.

De bovengenoemde bewijsmiddelen leiden de rechtbank tot het oordeel dat verdachte en zijn medeverdachte [naam] kort voor de doorzoeking een aanzienlijke hoeveelheid heroïne in de woning [adres] voorhanden hebben gehad en dat die woning werd gebruikt als ‘safehouse’, waarin heroïne tijdelijk werd opgeslagen en werd verpakt. Onder die omstandigheden kan het niet anders dan dat ook de op 1 maart 2005 in de woning aangetroffen heroïne (mede) aan verdachte heeft toebehoord.

De raadsman heeft namens de verdachte aangevoerd dat de samenstelling van de fotoconfrontatieset die op 27 april 2005 aan de medeverdachte [naam] werd getoond, niet voldoet aan de eisen die daaraan moeten worden gesteld omdat het uitgangspunt van deze samenstelling niet is geweest het signalement van “de heer [naam]” dat op 6 januari 2005 door [naam] is gegeven aan de Engelse autoriteiten. Aan de heer [naam] is daarentegen een set foto’s getoond waarbij de foto’s van anderen dan de verdachte niet teveel afweken van de foto van verdachte.

Het verweer wordt verworpen.

Wanneer een verdachte van een strafbaar feit bekend is, ligt het in de rede om bij een fotoconfrontatie, waarbij aan een getuige/medeverdachte gevraagd wordt om de verdachte uit een aantal foto’s aan te wijzen, foto’s in deze selectie op te nemen van andere personen dan verdachte, die qua uiterlijk zo veel als mogelijk is overeenkomsten vertonen met het uiterlijk van verdachte op de in de selectie van deze opgenomen foto.

Deze voorzorg strekt er toe om te voorkomen dat getuigen/medeverdachten te gemakkelijk een verdachte “herkennen” omdat deze zich binnen de geselecteerde foto’s qua uiterlijk teveel van de anderen onderscheidt.

Door verdachte en diens raadsman is voorts betoogd dat de verklaringen van medeverdachte [naam] niet voor het bewijs in de zaak tegen verdachte mogen worden gebruikt nu deze als inconsistent en dus onbetrouwbaar moeten worden aangemerkt.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

Anders dan de verdachte en diens raadsman is de rechtbank van mening dat door medeverdachte [naam] ten aanzien van verdachte bij de politie en ter terechtzitting consistente verklaringen zijn afgelegd.

[naam] verklaart dat verdachte bij zijn, [naam], bedrijf kwam en daar sierfruit en planten kocht die bestemd waren om naar Engeland te worden vervoerd. Verdachte heeft daarbij aan [naam] driemaal gevraagd om op het CMR-formulier een valse afzender in te vullen.

Toen [naam] aan verdachte vragen over deze transporten stelde, zei verdachte “dat er iets tussen ging”. [naam] heeft verdachte ook geholpen bij het regelen van een vervoerder voor de ten laste gelegde transporten naar Engeland.

De verklaringen van [naam] worden voorts ondersteund door andere wettige bewijsmiddelen.

De rechtbank is dientengevolge van mening dat de verklaringen van medeverdachte [naam]

- mede - voor het bewijs in de zaak tegen cliënt kunnen worden gebruikt.

Door de raadsman is voorts aangevoerd dat de conclusie van drie dactyloscopisten dat er een dactyloscopische hit is tussen de handafdrukken van verdachte en de dactyloscopische sporen die zijn aangetroffen op de tape waarmee de heroïne in de zaak Finland was verpakt, niet betrouwbaar is zodat het bewijs in deze zaak niet in overwegende mate daarop mag worden gebaseerd, te minder niet nu er volgens de raadsman onverklaarbare dactyloscopische verschilpunten zijn aan te wijzen.

Het verweer wordt verworpen, nu door drie dactyloscopische deskundigen, te weten

[naam], werkzaam bij de Forensic Science Service te Londen, [naam], werkzaam als senior vakspecialist bij de afdeling Forensische Opsporing, sectie dactyloscopie & DNA van de politie Rotterdam Rijnmond en [naam], werkzaam bij het Nationaal Expertise Centrum van het K.L.P.D. onafhankelijk van elkaar geconcludeerd is dat de handpalmsporen aangetroffen op de tape en de handpalmsporen van [naam] identiek zijn.

De raadsman heeft onvoldoende (deskundig) onderbouwd op grond waarvan de - eensluidende - conclusie van deze drie deskundigen onbetrouwbaar zou zijn.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

6.

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

9.

Medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II

10.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

11.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie III

12.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

13.

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie

14.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod

15.

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen meermalen schuldig gemaakt aan de uitvoer naar Groot-Brittannië van in totaal ongeveer 65 kilogram heroïne. Verdachte is daarbij - mede - als leverancier van deze verdovende middelen en als bemiddelaar opgetreden. Daarnaast heeft hij op een tweetal locaties al dan niet samen met anderen totaal ruim drie kilogram heroïne voorhanden gehad. Gelet op de genoemde hoeveelheden heroïne waarover verdachte binnen een kort tijdsbestek kon beschikken, misstaat de term groothandelaar hem niet.

De internationale illegale handel in harddrugs leidt niet alleen tot een ontwrichting van het beleid dat in de betrokken landen wordt gevoerd om het drugsgebruik terug te dringen, maar heeft bovenal een negatieve uitwerking op de reeds bestaande maatschappelijke problematiek die is verbonden aan de handel in en het gebruik van verdovende middelen. Drugsgebruik schaadt de volksgezondheid en wordt zowel direct als indirect in verband gebracht met vele vormen van criminaliteit en overlast. Handelingen die mede tot doel hebben illegaal drugs op de markt te brengen dienen daarom streng te worden bestraft.

Voorts heeft verdachte een vuurwapen, munitie en een geluiddemper voorhanden gehad.

Het behoeft geen betoog dat tegen dergelijk handelen krachtig dient te worden opgetreden, nu het voorhanden hebben van een vuurwapens cum annexis - naar de ervaring leert - het schieten met die vuurwapens, de escalatie van situaties en het intreden van onomkeerbare gevolgen in de hand werken.

Ten slotte heeft verdachte al dan niet samen met anderen een stroomstootwapen voorhanden gehad.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gesteld uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 21 maart 2005 reeds eerder is veroordeeld tot voorwaardelijke en onvoorwaardelijke gevangenisstraffen voor andere en soortgelijke strafbare feiten.

Alles afwegend komt de rechtbank tot de conclusie dat na te melden straf passend en geboden is.

De rechtbank legt, hoewel zij verdachte van de feiten 7 en 8 heeft vrijgesproken, straf op zoals door de officier van justitie geëist, nu zij daartoe in de hoeveelheid, de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten aanleiding ziet.

IN BESLAG GENOMEN VOORWERPEN

De officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen personenauto

[kenteken], Volvo S80, kleur blauw, verbeurd te verklaren.

Voornoemde in beslag genomen personenauto zal worden verbeurd verklaard.

De bewezen feiten zijn met behulp van dit voorwerp begaan.

Uit het onderzoek Osaka is genoegzaam gebleken dat deze personenauto daadwerkelijk aan medeverdachte [naam] toebehoorde.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op de reeds genoemde artikelen is gelet op artikel 10 (oud) van de Opiumwet, artikel 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 33, 33a, 47, 56 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart de dagvaarding geldig;

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging;

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2, 3, 4, 5, 7 en 8 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 6 en 9 tot en met 15 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte terzake van de bewezen verklaarde feiten strafbaar;

- veroordeelt de verdachte terzake van de bewezen verklaarde feiten tot een gevangenisstraf voor de tijd van 10 (tien) jaren;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- verklaart verbeurd: een personenauto [kenteken], Volvo S80, kleur blauw.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Daalmeijer, voorzitter,

en mrs. Havik en Mul, rechters,

in tegenwoordigheid van De Sain, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2006.