Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ7859

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
08-02-2007
Zaaknummer
10/632656-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Demonstrant bajesboot. Geldigheid dagvaarding in geval van opstelling door politiesecretaris. Enkele niet willen noemen van personalia niet voldoende om vervolging te ontlopen. Geldigheid dagvaarding in geval van N.N.-verdachte kan in preliminair verweer niet met succes worden betwist, nu daarvoor meer inhoudelijke beoordeling vereist is. Identificeerbaarheid achteraf van N.N.-verdachten; gevolgen van anonimiteit verdachten voor bewijsvraag; zeker eigen risico bij bewuste anonimiteit. Vrijspraak voor vernieling, nu door brandweer kapotmaken hekwerk waaraan demonstranten geketend zaten niet strafbaar is, zodat dit niet kan worden toegerekend aan verdachte(n). Demonstreren ‘voor het goede doel’ leidt i.c. niet tot ontbreken strafbaarheid, maar wordt wel in de strafmaat meegewogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Parketnummer: 10/632656-06

Volgnummer : 6

Datum uitspraak: 22 december 2006

Tegenspraak.

VONNIS

van de politierechter in de RECHTBANK ROTTERDAM, in de zaak tegen:

N.N. (fotonr.4209A03),

geboorte plaats en datum onbekend,

zonder bekende woon- of verblijfplaats, is niet verschenen,

raadsman mr. R.J. van Eenennaam, advocaat te Zoetermeer.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 december

2006.

De zaak wordt gelijktijdig maar niet gevoegd behandeld met de strafzaken tegen de mede- verdachten.

DE GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING

mr. Van Eenennaam heeft preliminaire verweren gevoerd tegen de geldigheid van de dagvaarding. Deze verweren laten zich als volgt - zakelijk weergegeven - samenvatten:

a. De dagvaarding is uitgereikt door een politiesecretaris. Nu niet uit de stukken blijkt van een individueel mandaat, noch van de bevoegdheid van de betreffende politiesecretaris, is geen sprake van uitreiking in overeenstemming met de eisen van de artikelen 585 e.v. en dient de dagvaarding nietig te worden verklaard;

b. Nu de verdachte als N.N. is gedagvaard, dient de dagvaarding nietig te worden verklaard, nu niet duidelijk is of de juiste persoon de juiste dagvaarding heeft ontvangen, zodat niet kan worden onderzocht of de juiste persoon voor het juiste feit terecht staat.

Het onder (1) gevoerde verweer wordt verworpen. De Hoge Raad heeft daaromtrent reeds in zijn arrest van 30 oktober 2001 (NJ 2002, 272) het volgende overwogen:

'De beslissing tot dagvaarding is derhalve voorbehouden aan de officier van justitie en, in geval van een door deze gegeven schriftelijk mandaat, aan een - daartoe gekwalificeerde - aan het parket verbonden ambtenaar'.

Een dergelijk schriftelijk mandaat is (bijvoorbeeld) de Mandaatregeling Politiesecretaris 12 januari 2004, plus de daarbij behorende bijlage, waarin (per jaar) de gemandateerde politiesecretarissen worden genoemd. Aan de mandaatregeling liggen per aangewezen functionaris een detacherings- besluit, een plaatsingsbesluit en een detacheringsovereenkomst ten grondslag. In dat kader is met het Rotterdams parket de afspraak gemaakt dat een dagvaarding, die conform de mandaatregeling wordt uitgebracht, voorzien dient te zijn van de naam van de politiesecretaris, terwijl deze tevens op de dagvaarding het woord 'namens' vermeldt, om daarmee aan te geven dat hij op basis van een mandaat handelt. De op de hier aan de orde zijnde dagvaarding onder naam vermelde politiesecretaris A.M. Vonk voldoet aan de gestelde criteria; de op zijn naam uitgebrachte dagvaarding is wat dat betreft dan ook geldig uitgebracht.

Met betrekking tot het hierboven onder (2) gevoerde verweer overweegt de politierechter het volgende. Uit het samenstel van de dagvaarding, met name de tenlastelegging, en het onderliggende dossier, wordt voldoende duidelijk waarvan de verdachte, ook indien deze als N.N. is gedagvaard, wordt beschuldigd. Beantwoording van de vraag of de juiste N.N. wel de juiste op N.N. gestelde dagvaarding heeft ontvangen, vergt een meer inhoudelijke behandeling van de zaak, hetgeen in het kader van een behandeling van een preliminair verweer niet aan de orde is. Dat verweer wordt dan ook verworpen.

Voor zover het verweer zich richt tegen de (latere) identificatie van de als N.N. aangeduide verdachte, in dier voege dat niet duidelijk is of die identificatie wel op de juiste dagvaarding en/of op de juiste onderliggende stukken betrekking heeft, wordt opgemerkt dat de wijze waarop de identificatie heeft plaatsgevonden, gerelateerd is in aanvullende processen-verbaal. Niet is op voorhand reeds duidelijk dat het in die processen-verbaal gerelateerde niet correct is, zodat dit niet leidt tot nietigheid van de dagvaarding.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding met bovengenoemd parketnummer. Van deze dagvaarding is een kopie aan dit proces-verbaal gehecht als bijlage A1 tot en met A3.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. S. Gajadhar heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen waarvan 15

dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

OVERWEGINGEN OMTRENT DE IDENTIFICEERBAARHEID VAN DE VERDACHTEN

Niet alleen ter gelegenheid van de preliminaire verweren, maar ook in het kader van de pleidooien, is verweer gevoerd tegen de wijze waarop de verschillende verdachten, achteraf, zijn geïdentificeerd. Het gevolg is dat de verdachten de verkeerde, in de zin van niet bij hen behorende, tenlasteleggingen hebben meegekregen, althans dat niet kan worden gecontroleerd of zij wel de juiste dagvaarding hebben meegekregen. De ten laste gelegde feiten kunnen dan ook niet worden bewezen, aldus de verdediging.

Hieromtrent wordt het volgende overwogen. In zijn algemeenheid zal het enkele feit dat een verdachte weigert zijn personalia bekend te maken, niet (kunnen) leiden tot de onmogelijkheid hem te vervolgen voor feiten waarvan hij wordt verdacht. Wel dient in zo'n geval - vanwege de eventuele identificatie-perikelen - extra zorgvuldigheid te worden betracht. In een aantal gevallen heeft aanvullend onderzoek door de politie als resultaat opgeleverd dat van eerder als N.N. te boek gestelde verdachten, alsnog de identiteit kon worden vastgesteld. De aanvullende processen-verbaal die daartoe zijn opgemaakt, zijn voldoende duidelijk.

Voor zover de verdediging zich op het standpunt stelt dat niet (geheel) uit te sluiten valt dat er toch een persoonsverwisseling heeft plaatsgevonden, in die zin dat niet N.N.-1 handeling A heeft verricht en N.N.-2 handeling B, maar andersom, wordt dit verweer door de politierechter gepasseerd, nu het relevantie mist. Immers, steeds is sprake van een demonstratie van meerdere personen. Tegen de daarbij betrokken personen, voor zover ze als verdachten zijn gedagvaard, zijn steeds identieke tenlasteleggingen opgesteld, waarin geen concrete feitelijke gedragingen worden genoemd doch wordt volstaan met algemene omschrijvingen als 'zich te verwijderen van de door deze opsporingsambtenaar aangewezen plaats (al dan niet in combinatie met: 'de nabijheid van een hek van het Detentiecentrum Rotterdam')' of 'binnengedrongen in een besloten erf'. Verwisseling van de verschillende demonstraties kan niet aan de orde zijn geweest, nu de verdachten ofwel onmiddellijk na de demonstratie een dagvaarding in persoon kregen uitgereikt, dan wel van een vorige demonstratie werden herkend.

Al met al is sprake van de combinatie van een niet tot in detail naar de individuele rol onderscheiden, doch algemeen geformuleerde tenlastelegging, met een onderliggend dossier waarin de rollen van bij de betreffende demonstratie betrokkenen worden beschreven. Iedere N.N. of te naam gestelde persoon heeft, voor zover het betreft de strafbare feiten van de artikelen 184 en 350 Sr, per demonstratie, een identieke tenlastelegging gekregen en kan zijn of haar eigen rol daarin - aan de hand van het onderliggend dossier - invullen. Voor zover dat naar de smaak van de verdediging nog niet voldoende is, komt dat voor rekening van de verdachten, nu zij er in overwegende mate zelf voor hebben gekozen zo veel als mogelijk anoniem te blijven.

De hierop toegespitste verweren worden dan ook verworpen.

DE TEN LASTE GELEGDE VERNIELING

Aan de verdacht is onder meer ten laste gelegd overtreding van artikel 350 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De vernieling zou hierin hebben bestaan dat de brandweer het hek, waaraan verdachte en de medeverdachten zaten vastgeketend, moest beschadigen om de verdachten van dat hek los te kunnen krijgen. De tenlastelegging is aldus geredigeerd, dat de feitelijke (vernielings-) handelingen door de brandweer zijn verricht, terwijl deze handelingen worden toegerekend aan de verdachten. Wat er ook zij van de deelnemingsvorm die de officier van justitie voor ogen heeft gehad of waar de raadslieden hun verweren op hebben gericht, of van de overige verweren die dienaangaande zijn gevoerd, de politierechter overweegt daarover het volgende. Van toerekening van het gedrag van de één aan een ander kan pas sprake zijn, indien en voor zover er eerst sprake is van een strafbaar feit. Vervolgens kan, via een deelnemingsvorm of langs de weg van het functioneel daderschap - waar de tenlastelegging op geënt lijkt te zijn - toerekening aan een ander plaatsvonden, mits aan bepaalde voorwaarden voldaan.

In de onderhavige zaak heeft de brandweer, in opdracht van de politie, één of meer spijlen van een hek doorgeknipt. Aan dit handelen van de brandweer heeft de wederrechtelijkheid ontbroken. Er was dan ook geen sprake van een strafbaar feit, zodat toerekening daarvan aan een ander (i.c. de verdachte) niet aan de orde komt. De verdachte zal van de ten laste gelegde vernieling dan ook worden vrijgesproken.

OVERIGE BEWIJSVERWEREN

De verdediging heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde niet-voldoen aan een ambtelijk gegeven bevel (6 oktober 2006) niet kan worden bewezen, nu het daar bedoelde bevel niet kan worden gestoeld op artikel 2 Politiewet, maar op artikel 461 Sr. Dit verweer wordt verworpen. Nog los van het feit dat de politie geen bevoegdheden kan ontlenen aan strafbepalingen en wel - althans tot op zekere hoogte - aan haar taakomschrijving als gegeven door artikel 2 Politiewet (zie daartoe bijvoorbeeld HR 19 december 1995, NJ 1996, 249), is ten laste gelegd 'krachtens artikel 2 van de Politiewet, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift'.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feit heeft begaan op de navolgende wijze dat:

t.a.v. feit 2:

hij op 06 oktober 2006 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door L. Gort, inspecteur van politie Rotterdam-Rijnmond, die was belast met de uitoefening van enig toezicht en die was belast met en bevoegd verklaard tot het opsporen en onderzoeken van strafbare feiten, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem en zijn mededaders had bevolen, althans van hem en zijn mededaders had gevorderd om zich te verwijderen van de door deze ambtenaar aangewezen plaats, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJS

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

STRAFBAARHEID VAN DE FEITEN

Met betrekking tot de strafbaarheid van het feit, hecht de politierechter eraan het volgende op te merken. De op 14 december 2006 ter terechtzitting aanwezige verdachte en zijn medeverdachte hebben beiden uitvoerig uiteen gezet wat hen heeft gebracht tot het plegen van de bewezen verklaarde feiten. Hun beider verhalen waren indrukwekkend en roepen, althans tot op zekere hoogte, ook wel sympathie op. De politierechter gaat echter niet zover, dat hij in die verhalen aanleiding vindt om te oordelen dat aan het handelen van de verachten de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt dan wel dat enige (andere) rechtvaardigingsgrond aan de orde is. Immers, hoezeer alternatieven in de ogen van verdachten wellicht geen redelijke alternatieven zijn, er staan voor de verdachten andere mogelijkheden open om hun boodschap uit te dragen en om aan hun inspiratie en gedrevenheid vorm te geven. Dat betekent dat de bewezen verklaarde feit strafbaar is.

Het bewezen feit levert op:

t.a.v. feit 2:

medeplegen van het opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast met of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten.

STRAFBAARHEID VAN DE VERDACHTE

De aanwezigheid van (een) schulduitsluitingsgrond(en) is niet aannemelijk geworden. De verdachte is dan ook strafbaar.

OVERWEGINGEN MET BETREKKING TOT DE STRAF

Met betrekking tot de strafwaardigheid van het bewezen verklaarde feit overweegt de politierechter het volgende. De verdachte en zijn medeverdachten hebben hun daden begaan vanuit een inspiratie en gedrevenheid die, het werd hierboven reeds opgemerkt, ook wel tot op zekere hoogte sympathie verdient. Zij zetten zich in voor de belangen van anderen, zonder daar een eigenbelang mee te dienen. Integendeel: de verdachten ondervinden slechts nadeel van hun handelen. De middelen die zij in de onderhavige zaken hebben gekozen om hun doel te bereiken zijn echter niet de daartoe geëigende middelen. Ook hier geldt: integendeel, het betreft een strafbare gedraging.

Dit overwogen hebbend, heeft de politierechter een ander oordeel omtrent de strafwaardigheid dan de officier van justitie. De politierechter veroordeelt de verdachte tot de volgende straf:

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 23, 24c en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De politierechter:

a. verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

b. verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

c. verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte (ook) daarvan vrij;

d. stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

e. verklaart de verdachte strafbaar;

f. veroordeelt de verdachte tot een geldboete van €. 100,00 (zegge: honderd euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 2 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

Mr. Mul, politierechter,

In tegenwoordigheid van Verheijde, griffier,

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 december 2006.