Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ6110

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
15-01-2007
Zaaknummer
259144 / HA ZA 06-1032
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klacht; onrechtmatige daad; eer en goede naam.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/39
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 259144 / HA ZA 06-1032

Uitspraak: 6 december 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. C.A.E. Frankhuijzen,

- tegen -

1. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

procureur mr. M.A. Bosman,

2. [gedaagde],

wonende te [woonplaats],

procureur mr. A.G.H.M. Ganzeboom,

gedaagden.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "[gedaagde]" en "[gedaagde]".

1 Het verloop van het geding

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding van 7 april 2006 en de door [eiser] overgelegde producties;

- conclusie van antwoord van [gedaagde];

- conclusie van antwoord van [gedaagde];

- tussenvonnis van deze rechtbank van 26 juli 2006, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- proces-verbaal van de op 6 november 2006 gehouden comparitie van partijen.

2 Het geschil

De vordering luidt om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

? te verklaren voor recht dat [gedaagde] en [gedaagde], hoofdelijk, op grond van een jegens [eiser] gepleegde onrechtmatige daad, aansprakelijk zijn voor de door [eiser] dientengevolge geleden schade;

? [gedaagde] en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de door [eiser] geleden immateriële schade ten bedrage van € 15.000,00;

? [gedaagde] en [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, alsmede in de door [eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten overeenkomstig het rapport Voorwerk II vastgesteld op een bedrag van € 928,80.

[gedaagde] en [gedaagde] hebben de vordering van [eiser] gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot afwijzing daarvan, met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

3 De beoordeling

3.1 Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast:

a. [eiser] is leerkracht en intern begeleider op de Openbare Basisschool de Fontein te [woonplaats] (hierna: "de Fontein").

b. [gedaagde] en [gedaagde] zijn de ouders van [naam]. [kind] volgde in het schooljaar 2004-2005 onderwijs aan de Fontein. Hij zat in groep 5.

c. Omstreeks 19 april 2005 werd [eiser] bij de bovenschoolsdirecteur geroepen in verband met een door [gedaagde] en [gedaagde] rechtstreeks bij de Landelijke Klachtencommissie voor het openbaar en het algemeen toegankelijk onderwijs (hierna: "de LKC") tegen [eiser] en tegen de Fontein ingediende klacht.

d. De klacht werd in een brief van de LKC aan [eiser] als volgt samengevat:

"Klagers klagen erover dat de heer [eiser], intern begeleider op de school, niet professioneel gehandeld heeft.

Klagers stellen onder meer dat de intern begeleider:

- gevraagd heeft of hij de zoon van klagers mocht opnemen in zijn familie totdat hij volwassen is;

- grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond door hun zoon onzedelijk te betasten."

e. [eiser] nam tijdens het gesprek met de bovenschoolsdirecteur voor het eerst kennis van de klacht. In overeenstemming met de daarvoor geldende procedure werd hij direct op non-actief gesteld.

f. De mondelinge behandeling van de klacht was vastgesteld op 8 juni 2005. Het klaagschrift werd alleen kenbaar gemaakt aan [eiser], het bevoegd gezag en de directeur van de school. Ter bescherming van de betrokken belangen zouden pas nadat de LKC een advies zou hebben uitgebracht, de klacht en het advies, drie maanden na kennisgeving aan eerdergenoemde personen, beschikbaar worden gesteld voor algemene publicatie.

g. Kort na ontvangst van de brief van de LKC werd de locatiedirecteur van de Fontein door mevrouw [naam], de moeder van een andere leerling, benaderd. Mevrouw [naam] bleek te zijn geïnformeerd omtrent de tegen [eiser] ingediende klacht.

h. De locatiedirecteur deelde [eiser] mede dat het in de gegeven omstandigheden wenselijk was dat de school de ouders van de leerlingen zou informeren omtrent de ingediende klacht. Op 26 april 2005 heeft een informatieavond plaatsgevonden.

i. Op 30 mei 2005 heeft de raadsvrouwe van [eiser] bij de LKC een verweerschrift tegen de klacht ingediend. Eveneens op 30 mei 2005 heeft de LKC van [gedaagde] en [gedaagde] een brief gedateerd 21 mei 2005 ontvangen, waarin deze te kennen gaven de klacht in te trekken. De LKC heeft de behandeling van de klacht niet voortgezet.

j. Een brief van 14 juni 2005 van het bevoegd gezag aan de ouders/verzorgers van de leerlingen van de Fontein vermeldt onder meer het volgende:

"(…) Tot onze verrassing ontvingen wij op 1 juni een brief van de LKC, waaruit bleek dat klagers hun klachten hadden ingetrokken, vanwege het onvoldoende kunnen onderbouwen van hun beschuldigingen. De LKC heeft besloten de behandeling van de klacht niet voort te zetten en het dossier te sluiten.

Daarmee ontstond een situatie waarin wel klachten waren geuit, maar er geen uitspraak lag over de gegrondheid van de klachten vanuit de onafhankelijke LKC. Het bevoegd gezag van de school heeft zich op het standpunt gesteld dat dit geen recht zou doen aan de situatie van aangeklaagden en heeft zelf het onderzoek naar de gegrondheid van de klachten overgenomen om tot een uitspraak te komen. Daarbij heeft zij zich gebaseerd op het verweerschrift van de school en eigen onderzoek. Zonder op alle details daarvan te kunnen en willen ingaan, heeft het bevoegd gezag geen redenen gevonden om verder onderzoek in te stellen en heeft dit inmiddels mondeling en schriftelijk aan de aangeklaagden laten weten. Daarmee is het vertrouwen dat het bevoegd gezag in deze mensen én in een goede afloop van de zaak had, gelukkig bevestigd.

Op 8 juni heeft een gesprek met klagers plaatsgevonden. Daarin is vastgesteld dat de noodzakelijke vertrouwensrelatie tussen school en ouders dermate zwaar en onherstelbaar is beschadigd, dat verder samengaan niet zinvol meer werd geacht. Daar zijn afspraken over gemaakt. (…)"

k. Bij brief van 14 juni 2005 van het bevoegd gezag aan [eiser] heeft het bevoegd gezag [eiser] als volgt geïnformeerd:

"Op 19 april jl. ontvingen wij een brief van de Landelijke Klachtencommissie, waarin klachten jegens u werden geuit door een ouderpaar.

Uit een kort onderzoek door mij op 21 april bij de directeur en adjunct-directeur van de Fontein, bleek dat beide:

- niet op de hoogte waren van de voorvallen die zich zouden hebben voorgedaan;

- noch vooraf, noch achteraf vermoedens in deze richting hadden;

- ook geen geruchten (in de omgeving) kenden die de beschuldigingen zouden staven.

Diezelfde dag heb ik u hierop bevraagd en u ontkende ten stelligste de door klagers geuite beschuldigingen.

Hoewel er op dat moment dus geen aanwijzingen werden gevonden dat de klachten gegrond zouden kunnen zijn, heeft het bevoegd gezag zich op het standpunt gesteld dat de uitspraak van de LKC zou worden afgewacht, alvorens te reageren.

Op 30 mei ontving het bevoegd gezag een brief van de LKC met de mededeling dat de klagers hun klachten jegens u hadden ingetrokken wegens het onvoldoende kunnen onderbouwen van de klachten. De LKC heeft daarop besloten de behandeling van de klacht te staken en het dossier te sluiten.

Daarmee is het weer aan het bevoegd gezag om tot een correcte afronding van deze zaak te komen door het innemen van een standpunt aangaande de klachten.

In de eerste brief van klagers aan de LKC (23 maart 2005) stellen zij dat het voorval van grensoverschrijdende handelingen destijds is gemeld bij de toenmalige directeur, dhr. [naam].

Het bevoegd gezag constateert dat dhr. [naam] schriftelijk heeft laten weten dat dit niet het geval is geweest.

In dezelfde brief, alsmede in de tweede brief aan de LKC (21 mei) stellen ouders dat zij contacten hebben gehad met de politie (ingelicht, melding en aangifte) over deze zaak.

Het bevoegd gezag is gebleken dat:

- de politie tot op heden geen contact heeft opgenomen met de school;

- u zelf van de politie op 26 april heeft begrepen dat er niets in uw dossier staat over deze zaak;

- ondergetekende bij monde van dhr. [naam] (6 juni) heeft vernomen dat er aangaande deze zaak 'niets ligt bij de politie';

- ouders hiervan desgevraagd (op 8 juni jl.) geen bewijsstukken kunnen overleggen.

Op grond van bovenstaande zijn wij van mening dat er geen redenen meer aanwezig zijn voor nader onderzoek, waarmee ook voor het bevoegd gezag dit dossier kan worden gesloten. Wij hopen dan ook dat u na deze moeilijke periode spoedig in staat zult zijn uw werkzaamheden te hervatten.

Tevens melden wij u met klagers te hebben besproken dat verdere samenwerking tussen school en ouders niet zinvol meer wordt geacht.

Wij nemen graag kennis van verdere stappen die u eventueel wilt ondernemen tegen klagers."

l. Met ingang van week 25 van 2005 (maandag 20 juni 2005) werd [eiser] door de bedrijfsarts arbeidsgeschikt geacht voor één dag per week op arbeidstherapeutische basis.

m. Vanaf omstreeks half augustus 2005, direct na aanvang van het nieuwe schooljaar, heeft [eiser] zijn werkzaamheden weer volledig hervat.

3.2 [eiser] grondt zijn vordering op onrechtmatige daad. [eiser] stelt dat [gedaagde] en [gedaagde] hem opzettelijk schade hebben berokkend door hem in het openbaar van strafbare feiten te beschuldigen, terwijl ze wisten dat deze feiten niet door hem waren gepleegd. Nadat de klacht was ingediend bij de LKC hebben [gedaagde] en [gedaagde] de klacht naar het oordeel van [eiser] bewust en opzettelijk geopenbaard. [eiser] stelt dat [gedaagde] en [eiser] hebben gehandeld met als enige doel het aantasten van zijn eer en goede naam. Door de gehele gang van zaken, de geuite klacht en de brede bekendmaking daarvan, is [eiser] in zijn visie aangetast in zijn eer en goede naam en is inbreuk gemaakt op zijn privacy. [eiser] heeft daardoor psychische klachten ondervonden, die hem zowel privé als op zijn werk beperkten en waarvan hij tot op heden nadeel ondervindt, aldus [eiser].

3.3 Vooropgesteld moet worden dat het [gedaagde] en [gedaagde] in beginsel vrij stond een klacht tegen [eiser] in te dienen, ook nu zij niet over bewijs beschikten voor de feiten die zij aan hun klacht ten grondslag hadden gelegd. Klachtenregelingen als de onderhavige bieden aan ouders en andere betrokkenen een laagdrempelige mogelijkheid om klachten over handelingen van het personeel van scholen te kunnen indienen, opdat de gegrondheid van die klachten door een onafhankelijke commissie kan worden onderzocht. De goede werking van een dergelijk klachtensysteem zou in gevaar komen indien het indienen van een klacht al te spoedig zou worden gekwalificeerd als onrechtmatig handelen.

3.4 Bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat de indiener van een klacht onrechtmatig handelt door die klacht in te dienen. Daarvan zou sprake kunnen zijn indien de klager weet dat de feiten die hij aan zijn klacht ten grondslag legt zich niet hebben voorgedaan. Ook het vroegtijdig openbaar maken van een klacht kan onrechtmatig zijn. Bijvoorbeeld indien in de klacht ernstige verwijten zijn geformuleerd, ter zake waarvan nog geen bewijs bijeen is gebracht en naar de gegrondheid waarvan nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden, terwijl kenbaar is dat openbaarmaking van de klacht aanzienlijke schade kan toebrengen.

3.5 Naar de rechtbank begrijpt verwijt [eiser] [gedaagde] en [gedaagde] niet zozeer het indienen van de klacht als wel het openbaar maken daarvan.

3.6 Het verweer van [gedaagde] komt er - zakelijk weegegeven - op neer dat [gedaagde] is uitgegaan van de juistheid van mededelingen van [gedaagde] omtrent de in de klacht geformuleerde verwijten. [gedaagde] ontkent dat hij met anderen over de klacht heeft gesproken en tevens dat hij de klacht op enigerlei wijze openbaar heeft gemaakt. Dit verweer slaagt. Vast staat dat [gedaagde] tot indiening van de klacht is overgegaan zonder bewijs bijeen te hebben gebracht. Echter, [eiser] heeft ook desgevraagd ter comparitie van partijen geen concrete feiten kunnen stellen die, mits bewezen, de gevolgtrekking zouden kunnen rechtvaardigen dat [gedaagde] ten tijde van de indiening van de klacht wist dat de daarin genoemde feiten zich niet hadden voorgedaan. Ook de door [gedaagde] betwiste stelling van [eiser] dat [gedaagde] de klacht openbaar heeft gemaakt, heeft [eiser] ter comparitie van partijen niet kunnen concretiseren. De vordering van [eiser] tegen [gedaagde] zal derhalve worden afgewezen. [eiser] zal als de in zoverre in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de aan de zijde van [gedaagde] gevallen kosten van de procedure.

3.7 [eiser] heeft zijn stellingen omtrent het onrechtmatige handelen van [gedaagde] wel voldoende gemotiveerd en onderbouwd. Vast staat dat [gedaagde] na indiening van de klacht en na de daaruit voortgevloeide op non-actief stelling van [eiser] in de bus een gesprek heeft gevoerd met mevrouw [naam], moeder van een andere leerling van de Fontein. Omtrent de inhoud van dat gesprek heeft mevrouw [naam] het volgende weergegeven in een brief van 25 april 2005:

"Bij deze doe ik verslag van het gesprek tussen mevrouw [gedaagde] en mij in de bus:

- Ze zei, dat dhr. [eiser] haar zoontje [kind] heeft misbruikt.

- Ze zei, dat ze hiermee al jaren bezig was.

- Ze zei, dat ook andere ouders hierover een brief aan de gemeente hebben gestuurd."

3.8 Ter comparitie van partijen heeft [gedaagde] erkend dat mogelijk is dat zij aan mevrouw [naam] inderdaad de mededelingen heeft gedaan die mevrouw [naam] in haar brief heeft samengevat.

3.9 Voor mevrouw [naam] vormden de door [gedaagde] aan haar gedane mededelingen begrijpelijkerwijs aanleiding om zich met vragen omtrent de klacht en de op non-actief stelling van [eiser] tot de locatiedirecteur te wenden. De Fontein zag zich er daardoor toe genoodzaakt om een informatieavond voor de ouders/verzorgers van de leerlingen van de Fontein te beleggen. Dat er in de gegeven omstandigheden voor werd gekozen om aan de ouders/verzorgers van de leerlingen informatie over de klacht en de verder te volgen procedure te verstrekken, acht de rechtbank alleszins begrijpelijk.

3.10 Dat voor de Fontein de noodzaak van het aan derden verschaffen van informatie omtrent de door [gedaagde] en [gedaagde] ingediende klacht ontstond, is te wijten aan het handelen van [gedaagde]. Immers, [gedaagde] heeft eerst een klacht tegen [eiser] ingediend die zeer ernstige beschuldigingen bevatte en die tot de op non-actief stelling van [eiser] heeft geleid. Vervolgens heeft [gedaagde] aan een ouder van een leerling van de Fontein medegedeeld dat [eiser] [kind] had misbruikt en gesuggereerd dat er door meerdere ouders een brief aan de gemeente zou zijn gestuurd. Op die wijze heeft [gedaagde] bewerkstelligd dat de Fontein gedwongen was aan de ouders/verzorgers van de leerlingen van de Fontein informatie te verstrekken omtrent de ingediende klacht en de verdere procedure.

3.11 Bij beoordeling van de ernst van het verwijt dat [gedaagde] kan worden gemaakt van haar handelen is van belang of [gedaagde] er serieus rekening mee diende te houden dat de door haar aan de klacht ten grondslag gelegde feiten zich mogelijk niet hadden voorgedaan. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde te zitting leidt de rechtbank het volgende af.

3.12 Het belangrijkste onderdeel van de klacht betreft de stelling dat [eiser] [kind] onzedelijk zou hebben betast. Hieromtrent heeft [gedaagde] ter comparitie van partijen desgevraagd medegedeeld dat [kind] haar hetgeen hieromtrent in de klacht is verwoord heeft verteld toen hij in groep 3 zat. Wanneer dat was geweest, kon [gedaagde] zich echter niet meer precies herinneren. Het zou, zo deelde [gedaagde] mede, ook iets later kunnen zijn geweest dan in groep 3. [gedaagde] zou hierover destijds hebben gesproken met de toenmalige locatiedirecteur [naam] en met [gedaagde]. [naam] zou hebben toegezegd er met [eiser] over te zullen spreken. Voorts zou [naam] hebben medegedeeld dat hij [eiser] in de gaten zou houden.

3.13 Hoewel het in de rede zou liggen dat [naam] en [gedaagde] zich een gesprek met [gedaagde] over onzedelijk betasten van [kind] door [eiser] zouden herinneren, hebben beiden - [gedaagde] ter zitting - verklaard dat dit niet het geval is.

3.14 De rechtbank acht ook van betekenis dat [gedaagde] pas in 2005 is overgegaan tot indiening van de klacht, terwijl [eiser] in groep 4 (schooljaar 2003-2004) leerkracht van [kind] was/werd/bleef, hetgeen destijds kennelijk niet op bezwaren van [gedaagde] stuitte.

3.15 De rechtbank acht tevens van betekenis dat de klachtbrief evident onjuiste informatie bevat. Zo is in de klachtbrief vermeld dat bij de politie aangifte is gedaan van seksueel misbruik. [gedaagde] heeft ter comparitie van partijen erkend dat een dergelijke aangifte nimmer is gedaan. [gedaagde] heeft hieromtrent verklaard dat zij slechts een melding had gedaan bij de politie, maar dat zij ten tijde van indiening van de klacht het verschil nog niet kende tussen een strafrechtelijke aangifte en een melding.

3.16 Voorts acht de rechtbank van belang dat in de klachtbrief is medegedeeld dat [eiser] "ook" in het voorafgaande schooljaar een kind seksueel had misbruikt. [eiser] zou de moeder van dat kind hebben beschuldigd van kindermishandeling, waarna de moeder dat kind meteen van school zou hebben gehaald. Door voormalig locatiedirecteur [naam] is hieromtrent op 25 mei 2005 het volgende schriftelijk verklaard:

"- Tevens dat er destijds door het schoolbestuur geen ouders zijn beschuldigd van kindermishandeling, noch dat er ouders hun kind(eren) van school hebben gehaald anders dan om redenen van praktische aard, namelijk verhuizing;

- Dat de heer [eiser] geen bijzondere aantekeningen in zijn dossier heeft;"

3.17 Desgevraagd heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat de onder 3.14 hiervoor genoemde mededeling in de klachtbrief was gebaseerd op een verhaal dat zij van iemand had gehoord. [gedaagde] kon niet verklaren welk kind om de in de klachtbrief genoemde reden van school zou zijn gehaald.

3.18 Een en ander leidt tot de conclusie dat ernstige twijfel gerechtvaardigd is omtrent de vraag of [gedaagde] de klacht tegen [eiser] te goeder trouw heeft ingediend. Wat hier verder ook van zij, in ieder geval had [gedaagde] zich er in de gegeven omstandigheden van dienen te onthouden uitlatingen zoals onder 3.7 hiervoor weergegeven te doen. Door deze mededelingen te doen, handelde [gedaagde] onrechtmatig jegens [eiser]. Zij is verplicht de dientengevolge door [eiser] geleden schade te vergoeden.

3.19 Dat [eiser] door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] materiële schade heeft geleden, is gesteld noch gebleken. Ter zake van het geschaad zijn van de eer en de goede naam van [eiser] en de aantasting van zijn privacy zal de rechtbank [gedaagde] veroordelen tot vergoeding aan [eiser] van een bedrag aan smartengeld.

3.20 Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor niet in vermogensschade bestaand nadeel. Bij de begroting dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder in een geval als het onderhavige in het bijzonder de (blijvende) gevolgen die de aantasting van de eer en goede naam van de betrokkene voor hem hebben gehad. Tevens dient bij de begroting te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding.

3.21 Bij de bepaling van de hoogte van het smartengeld is van belang dat [eiser] volledig is gerehabiliteerd door het bevoegd gezag, hetgeen in de gemeenschap waarin hij woont en werkt bekend is. Tevens is van belang dat [eiser] met ingang van het nieuwe schooljaar zijn werkzaamheden weer voltijds heeft hervat. Hij vervult bij de Fontein nog steeds dezelfde functies als voor de indiening van de klacht. De rechtbank gaat er daarom van uit dat het onrechtmatig handelen van [gedaagde] voor [eiser] weliswaar tijdelijk zeer ernstige gevolgen voor [eiser] heeft gehad, maar uiteindelijke geen blijvende negatieve gevolgen zal hebben.

3.22 Alle omstandigheden in aanmerking nemende zal de rechtbank een bedrag aan smartengeld toewijzen van € 2.000,00.

3.23 Nu [gedaagde] reeds zal worden veroordeeld tot betaling van smartengeld, heeft een verklaring voor recht omtrent het onrechtmatig handelen van [gedaagde] geen meerwaarde. Dat onderdeel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

3.24 Dat [eiser] voor vergoeding in aanmerking komende buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, heeft hij niet voldoende gemotiveerd gesteld. Het daarop betrekking hebbende onderdeel van de vordering zal derhalve worden afgewezen.

3.25 Nu is vastgesteld dat [gedaagde] een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [eiser] merkt de rechtbank Hogendijk aan als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, ook al wordt slechts een beperkt deel van de door [eiser] ingestelde vordering toegewezen. [gedaagde] zal derhalve worden veroordeeld in de aan de zijde van [eiser] gevallen kosten van de procedure.

4 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen het bedrag van € 2.000,00 (zegge: tweeduizend euro);

veroordeelt [gedaagde] in de aan de zijde van [eiser] gevallen proceskosten, tot aan deze uitspraak bepaald op € 350,00 aan vast recht, op € 84,87 aan overige verschotten en op € 904,00 aan salaris voor de procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [eiser] in de aan de zijde van [gedaagde] gevallen proceskosten, tot aan deze uitspraak bepaald op € 1.254,00, waarvan te voldoen:

a aan de griffier van deze rechtbank (rekeningnummer 19 23 25 892, ten name van MvJ Arrondissement Rotterdam [545], onder vermelding van zaak- en rolnummer):

€ 262,50 aan in debet gesteld vast recht;

€ 904,00 aan salaris voor de procureur;

------------- +

€ 1.166,50

b aan de procureur van [gedaagde]:

€ 87,50 voor het niet in debet gestelde deel van het vast recht;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman.

Uitgesproken in het openbaar.

1729