Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ6102

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
15-01-2007
Zaaknummer
258692 / HA ZA 06-975
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Misbruik van procesbevoegdheid. Onvoorziene omstandigheden. Ontbinding of opzegging overeenkomst? Toepasselijkheidheid opzegtermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 258692 / HA ZA 06-975

Uitspraak: 20 december 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

de besloten vennootschap KINDEROPVANG BIJDEHAND B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

procureur en advocaat mr. C.P. Timmers te Middelharnis,

- tegen -

[gedaagde],

wonende te Rotterdam,

gedaagde,

procureur en advocaat mr. A.W. Dolphijn te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als "BDH" respectievelijk "[gedaagde]".

1. Het verloop van het geding

1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- dagvaarding d.d. 28 maart 2006 en de door eiseres overgelegde producties;

- conclusie van antwoord, met producties;

- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 2 augustus 2006, waarbij een comparitie van partijen

is gelast;

- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 18 oktober 2006;

- de ter gelegenheid van de comparitie van partijen door [gedaagde] overgelegde

spreekaantekeningen en producties, en door BDH overgelegde productie;

- de op 7 november 2006 bij de griffie van deze rechtbank ingekomen brief van mr. Timmers.

2. De vaststaande feiten

2.1 BDH heeft met [gedaagde] op 24 januari 2005 een overeenkomst gesloten terzake de kinderopvang van [gedaagde]’s kind [naam] op de buitenschoolse opvang voor de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 juli 2011 gedurende 4 dagen per week voor een bedrag van

€ 521,04 per maand.

2.2 BDH heeft met [gedaagde] op 23 maart 2005 een overeenkomst gesloten terzake de kinderopvang van [gedaagde]’s kind April op een kinderdagverblijf voor de periode van 1 april 2005 tot en met 28 februari 2006 gedurende 3,5 dagen per week voor een bedrag van

€ 802,61 per maand.

2.3 Op de onder 2.1 en 2.2 genoemde overeenkomsten zijn de Algemene Voorwaarden & Plaatsingsbeleid Kinderopvang BijDeHand B.V. (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.

3. Het geschil

3.1 De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen om aan BDH te betalen het bedrag van € 8.867,14, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 7.769,97 vanaf 15 maart 2006, en met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2 BDH heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] over de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 oktober 2005 tot een bedrag van € 7.769,97 heeft nagelaten aan haar verzonden facturen uit hoofde van de onder 2.1 en 2.2 genoemde overeenkomsten te betalen. Daarnaast vordert BDH van [gedaagde] wettelijke rente ad € 197,17 tot 15 maart 2006 en de wettelijke handelsrente vanaf 15 maart 2006, alsmede buitengerechtelijke kosten ad € 904,--.

3.3 [gedaagde] heeft de vordering van BDH gemotiveerd betwist en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van BDH in haar vordering, subsidiair tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van BDH in de kosten van het geding. Op de door [gedaagde] gevoerde verweren zal hierna nader worden ingegaan.

3.4 [gedaagde] heeft tot haar verweer primair aangevoerd dat BDH onvoldoende belang heeft bij het in rechte instellen van haar vordering, en derhalve in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft [gedaagde] betoogd dat de vordering moet worden afgewezen omdat BDH misbruik maakt van haar bevoegdheid om te procederen, omdat BDH met haar vordering handelt in strijd met de redelijkheid en de billijkheid, omdat aan de zijde van [gedaagde] sprake is van onvoorziene omstandigheden, en omdat BDH heeft gehandeld in strijd met haar mededelingsplicht omtrent subsidiemogelijkheden. [gedaagde] heeft voorts nog aangevoerd dat zij over de maanden september en oktober 2005 niets aan BDH verschuldigd is omdat BDH de overeenkomsten per 1 september 2005 heeft ontbonden, en dat BDH heeft nagelaten haar schade te beperken door het volledige aantal gereserveerde uren voor kinderopvang in plaats van de daadwerkelijk benutte uren aan [gedaagde] in rekening te brengen.

4. De beoordeling

4.1 [gedaagde] heeft als primair verweer aangevoerd dat BDH niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, aangezien BDH onvoldoende belang heeft een vordering tegen [gedaagde] in te stellen. [gedaagde] heeft hiertoe gesteld dat BDH wist dat [gedaagde] voor de betaling van de kosten van kinderopvang afhankelijk was van tegemoetkomingen en subsidies, en heeft nagelaten [gedaagde] bij te staan bij het verkrijgen daarvan. Indien [gedaagde] veroordeeld zou worden de vordering van BDH te betalen, zal zij genoodzaakt zijn een beroep te doen op de Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen (WSNP), en zal BDH haar vordering slechts gedeeltelijk voldaan zien worden, aldus [gedaagde].

Anders dan [gedaagde] betoogt, is de rechtbank van oordeel dat aan BDH wel degelijk een belang toekomt om de onderhavige vordering tegen [gedaagde] in te stellen, namelijk betaling te vorderen van de door haar aan [gedaagde] geleverde diensten. Overigens is van een juridische verplichting aan de zijde van BDH om [gedaagde] bij te staan bij het verkrijgen van tegemoetkomingen en subsidies is niet gebleken. Tenslotte doet het door Geofferey gestelde gevolg van een veroordelend vonnis, namelijk dat zij zou moeten verzoeken te worden toegelaten tot de WSNP, niet af aan het procesbelang aan de zijde van BDH. BDH zal derhalve worden ontvangen in haar vordering.

4.2 [gedaagde] heeft verder als verweer aangevoerd dat BDH misbruik maakt van haar procesbevoegdheid, omdat BDH haar belang tot het volledig en ineens incasseren van haar vordering laat prevaleren boven het zwaarder wegende belang van [gedaagde] bij het toekennen van tegemoetkomingen en subsidies, en omdat BDH met haar vordering [gedaagde] dwingt tot een WSNP-aanvraag.

Dit verweer faalt. Niet valt in te zien dat het belang van [gedaagde] bij het verkrijgen van tegemoetkomingen en subsidies zwaarder weegt dan het belang van BDH tot incassering van haar vordering, laat staan dat BDH in redelijkheid haar procesbevoegdheid niet zou mogen uitoefenen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat BDH eerst na meerdere aanmaningen, en pas ruim een half jaar na ontbinding van de overeenkomsten tot dagvaarding is overgegaan, en dat het niet aan BDH te wijten is dat de toekenning van de tegemoetkomingen en subsidies aan [gedaagde] kennelijk lang op zich heeft laten wachten. Het verweer dat [gedaagde] bij toekenning van de vordering van BDH gedwongen is een WSNP-aanvraag in te dienen, doet, wat daarvan ook zij, aan de procesbevoegdheid aan de zijde van BDH niet af.

4.3 [gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat BDH zich niet zonder meer kan beroepen op een betalingsverplichting aan de zijde van [gedaagde], aangezien BDH heeft nagelaten [gedaagde] bij te staan bij het aanvragen van toekenningen en subsidies. Ook dit verweer kan niet slagen, aangezien, zoals hiervoor reeds overwogen, een juridische verplichting aan de zijde van BDH om [gedaagde] bij te staan bij het verkrijgen van tegemoetkomingen en subsidies is gesteld noch gebleken.

4.4 [gedaagde] heeft verder betoogd dat het niet (tijdig) verkrijgen van tegemoetkomingen en subsidies een onvoorziene omstandigheid is die meebrengt dat de overeenkomsten met BDH naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet ongewijzigd in stand kunnen blijven. Gelet op deze onvoorziene omstandigheid is het redelijk dat BDH slechts de daadwerkelijk door [gedaagde] gebruikte opvanguren in rekening brengt, aldus [gedaagde].

Als niet door BDH weersproken staat tussen partijen vast dat [gedaagde] bij het aangaan van de overeenkomsten met BDH niet (alle) tegemoetkomingen en subsidies had verkregen. Anders dan [gedaagde] is de rechtbank echter van oordeel dat deze omstandigheid niet van zodanige aard is dat BDH naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomsten met [gedaagde] niet mocht verwachten. Het was immers aan [gedaagde] als aanvrager van de tegemoetkomingen en subsidies, en niet aan BDH, om ervoor te zorgen dat zij tijdig over gelden zou beschikken om aan de verplichtingen voortvloeiende uit de overeenkomsten met BDH te voldoen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:258 lid 2 BW kan een - in dit geval - wijziging van een overeenkomst niet worden uitgesproken als de gestelde onvoorziene omstandigheid voor rekening komt van degene die daar een beroep op doet, zodat dit beroep reeds op die grond faalt.

4.5 [gedaagde] heeft verder tot haar verweer aangevoerd dat BDH ten onrechte heeft nagelaten haar schade te beperken. [gedaagde] heeft, toen toekenning van de tegemoetkomingen en subsidies uitbleef, aan BDH meegedeeld dat zij het aantal uren dat zij daadwerkelijk van de kinderopvang gebruik zou maken, zou beperken. BDH heeft echter nagelaten deze door [gedaagde] niet gebruikte uren op andere wijze te benutten, zodat de kosten voor deze uren voor rekening van BDH dienen te blijven, aldus [gedaagde].

Ook dit verweer van [gedaagde] kan niet slagen. Blijkens de inhoud van de door [gedaagde] met BDH gesloten overeenkomsten zijn kindplaatsen met een vooraf vastgesteld aantal uren tegen een vooraf vastgesteld tarief overeengekomen. Blijkens artikel 10.2 van de algemene voorwaarden dient de vergoeding voor een kindplaats maandelijks te worden voldaan. Hieruit volgt dat van betaling van slechts het aantal daadwerkelijk gebruikte uren, zoals door [gedaagde] gesteld, geen sprake kan zijn. Zulks zou anders zijn indien BDH zou hebben ingestemd met het slechts in rekening brengen van de daadwerkelijk gebruikte uren, maar zulks is door [gedaagde] niet gesteld en evenmin anderszins gebleken.

4.6 Met betrekking tot de hoogte van de vordering heeft [gedaagde] aangevoerd dat BDH ten onrechte betaling vordert van kinderopvanguren over de maanden september en oktober 2005. BDH heeft de overeenkomsten per 1 september 2005 ontbonden, zodat het in rekening brengen van uren over een opzegtermijn van twee maanden onaanvaardbaar is, aldus [gedaagde].

Blijkens een door [gedaagde] als productie 11 in het geding gebrachte brief heeft BDH de kinderopvangplaatsen per 1 september 2005 beëindigd. Van een opzegtermijn wordt in deze brief niet gesproken. Bovendien stelt BDH zelf dat de overeenkomsten per 1 september 2005 zijn ontbonden, zodat de rechtbank voornoemde brief zal aanmerken als een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring. Dit brengt mee dat ten aanzien van het eindigen van de overeenkomsten niet de wettelijke dan wel contractuele regels omtrent opzegging, maar de regels omtrent ontbinding hebben te gelden. Dit brengt mee dat BDH geen beroep toekomt op de in haar algemene voorwaarden geformuleerde artikelen 11.7 jo 10.3 met betrekking tot de opzegging van de overeenkomst. Ingevolge artikel 6:277 BW is de partij wier tekortkoming een grond voor ontbinding heeft opgeleverd, verplicht aan haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming maar ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt. BDH heeft aan haar vordering geen vordering tot vergoeding van geleden schade verbonden noch voldoende aannemelijk gemaakt dat, en tot welk bedrag, zij schade heeft geleden, zodat de rechtbank aan toewijzing van enige schadevergoeding niet toekomt. Het voorgaande brengt mee dat de vordering van BDH, voor zover deze de opzegtermijn van 2 maanden betreft, niet toewijsbaar is. Op de vordering dient derhalve een bedrag van € 1.042,08 (2 maanden kinderopvang [naam]) alsmede een bedrag van € 1.605,22 (2 maanden kinderopvang April) in mindering te worden gebracht.

De door BDH gevorderde hoofdsom van € 7.769,97 is overigens door [gedaagde] niet weersproken, zodat in hoofdsom een bedrag van (€ 7.769,97 - € 1.042,08 - € 1.605,22 =)

€ 5.122,67 toewijsbaar is.

4.7 Partijen zijn het er, naar ook blijkt uit de zijdens BDH in het geding gebrachte brief van 6 november 2006, over eens dat op de vordering van BDH nog een bedrag van € 525,50 en een bedrag van € 4.764,-- in mindering moeten worden gebracht, aangezien BDH na dagvaarding alsnog op 4 mei 2006 van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een vergoeding ten behoeve van [gedaagde] heeft ontvangen van € 525,50 en op 12 juli 2006 van de belastingdienst een vergoeding ten behoeve van [gedaagde] heeft ontvangen van € 4.764,--. Een en ander brengt mee dat de vordering van BDH inmiddels volledig is voldaan, zodat aan BDH thans in hoofdsom geen bedrag meer zal worden toegewezen.

4.8 BDH heeft gesteld dat zij buitengerechtelijke kosten heeft moeten maken om haar vordering bij [gedaagde] geïncasseerd te krijgen. [gedaagde] heeft verschuldigdheid van buitengerechtelijke kosten gemotiveerd betwist. De rechtbank is van oordeel dat, nu BDH na aftrek van de inmiddels ontvangen bedragen in hoofdsom niets meer van [gedaagde] te vorderen heeft, voor toewijzing van buitengerechtelijke kosten geen plaats is. De vordering op dit punt wordt afgewezen.

4.9 De door BDH gevorderde rente tot 15 maart 2006 ad € 193,17 zal als niet weersproken worden toegewezen. De door BDH gevorderde wettelijke handelsrente vanaf 15 maart 2006 zal worden afgewezen, nu [gedaagde] niet valt aan te merken als een persoon die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, als bedoeld in artikel 6:119a BW. De rechtbank acht de wettelijke rente vanaf 15 maart 2006 wel toewijsbaar, in die zin dat deze moet worden voldaan over de verschuldigde hoofdsom van respectievelijk € 5.122,67 vanaf 15 maart 2006 tot 4 mei 2006 (datum ontvangst vergoeding SoZaWe ad € 525,50) en van € 4.597,17 vanaf 4 mei 2006 tot 12 juli 2006 (datum ontvangst vergoeding belastingdienst ad

€ 4.764,--).

4.10 In de omstandigheid dat partijen over en weer deels in het ongelijk worden gesteld, en in de omstandigheid dat hetgeen BDH van [gedaagde] te vorderen had door ontvangst van de betaling van de Belastingdienst op 12 juli 2006 is voldaan, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan BDH te betalen de wettelijke rente over € 5.122,67 vanaf 15 maart 2006 tot 4 mei 2006, alsmede de wettelijke rente over € 4.597,17 vanaf 4 mei 2006 tot 12 juli 2006;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis voor zover het de veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

548/1581