Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ5235

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
27-12-2006
Zaaknummer
689262
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De functie van een werknemer -eiser in deze procedure- is door reorganisatie komen te vervallen. Hij heeft, voor het feitelijk 'vervallen' van zijn functie nog een periode om, evenals de werkgever -gedaagde in deze procedure-, te zoeken naar een passende functie binnen het bedrijf van gedaagde. De eiser aanvaart vóór het einde van zijn functie een baan bij een andere werknemer. Vervolgens stelt hij dat hij, in overeenstemming met het sociaal plan van gedaagde, recht heeft op een vergoeding. Gedaagde betwist dit; zij stelt dat het sociaal plan niet van toepassing is op de situatie van eiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

sector kanton

VONNIS

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij exploot van dagvaarding van 12 december 2005,

gemachtigde: mr. W.N.F. Weimar,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABB B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.J. Weening.

Het verloop van de procedure

Eiser heeft onder overlegging van stukken - zakelijk weergegeven - gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat op zijn ontslagname bij gedaagde van toepassing was en is het zogeheten raamwerk Sociaal Plan ABB Benelux Rotterdam, d.d. oktober 2003 en gedaagde te veroordelen tot betaling van een vergoeding van € 128.429,96 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan die van de voldoening, met veroordeling van gedaagde in de kosten van dit geding.

Gedaagde heeft onder overlegging van stukken van antwoord geconcludeerd. Het antwoord strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van eiser in de kosten van het geding.

Eiser heeft onder overlegging van stukken van repliek geconcludeerd.

Gedaagde heeft onder overlegging van stukken van dupliek geconcludeerd.

De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties staat tussen partijen - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende vast:

1. Eiser, geboren [geboortedatum], is op 7 december 1989 bij (de rechtsvoorganger van) gedaagde in dienst getreden. De arbeidsovereenkomst is per 1 april 2005 na opzegging door eiser geëindigd. Eiser vervulde laatstelijk de functie van Global Account Manager Shell. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 6.258,77 bruto per maand exclusief emolumenten.

2. Tijdens een gesprek op 15 november 2004 is eiser door zijn direct leidinggevende F. Duggan medegedeeld dat zijn functie van Global Account Manager Shell zou worden gewijzigd en dat hij, omdat hij niet kon voldoen aan de (zwaardere) functie-eisen, niet in aanmerking kwam voor bedoelde nieuwe functie.

Tijdens bedoeld gesprek, waarbij ook aanwezig waren M.E. Croon en P. van der Meijden, is verder aan eiser medegedeeld dat hij enkele maanden de tijd zou krijgen om samen met de afdeling Personeelszaken van gedaagde een andere functie binnen gedaagde te vinden.

3. Op 22 november 2004 heeft eiser een gesprek gevoerd met P. van der Meijden, Directeur Human Resources van gedaagde, en N. Schalekamp, Manager Human Resources.

4. In een brief van 24 december 2004 komt M.E. Croon terug op het gesprek van 15 november 2004. Deze brief luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“(…) Op 15 november 2004 is je door Frank Duggan aangekondigd, dat jouw rol als Group [lees: Global, kantonrechter] Account Manager (GAM) Shell stopt einde 2004 en dat deze functie verhuist naar ABB UK in de persoon van Hugh Clayton. Dit betreft niet enkel een verhuizing doch ook de invulling van de GAM-positie in ABB met een ander profiel waar jij niet meer in past.

Hugh heeft zich intussen verder ingewerkt in zijn nieuwe uitdaging en nagedacht over de structuur waarmee hij Shell zal opvolgen. Binnen dit Shell-team is er in ABB BNL geen plaats meer voor een fulltime medewerker voor algemeen accountmanagement doch enkel nog voor meer specialistische deeltijdse functies die specifieke ABB producten en systemen bij de Nederlandse mensen van Shell vertegenwoordigen. Als specifieke deeltijdse vacature zie we hier mogelijkheden voor iemand die ABB als approved DCS vendor bij Shell kan positioneren. Jij hebt hier niet de specifieke DCS kennis voor.

Concreet betekent dit, dat er nog de eerste 2 à 3 maanden van 2005 overdrachtswerk is voor jou op de Shell-account en dat je dus ten laatste tegen eind maart 2005 een andere baan behoeft.

Vermits ik op dit ogenblik geen kennis heb van een andere mogelijke en geschikte job voorjou

binnen ABB BNL, moeten we ook parallel aan het verdere zoeken hiernaar, met jou als alternatief spreken over een afscheidsregeling van ABB. Peter van der Meijden zal jou hierover eerstdaags contacteren. Mocht jij een baan zien in ABB BNL, laat ons dit dan weten.

We beseffen dat dit geen welkome boodschap is, doch we kunnen niet anders dan de realiteit onder ogen te zien: in een krimpende markt zijn er weinig opportuniteiten. Door dit snel duidelijk te stellen, rekent ABB op je appreciatie voor deze transparantie omdat dit je de meeste kans geeft op het tijdig vinden van een nieuwe baan. We rekenen er dan wel op dat je de overdrachtsperiode correct en loyaal invult. (…)”

5. Op 13 januari 2005 heeft P. van der Meijden eiser het volgende bericht:

“(...) Zoals telefonisch besproken stuur ik hierbij op uw verzoek een kopie van het sociaal plan. (…)”

6. Bedoeld sociaal plan is het “Raamwerk Sociaal Plan in het kader van het programma ‘Step Change’ ABB Benelux Rotterdam” van oktober 2003, hierna ‘het sociaal plan’ te noemen. Dit sociaal plan is op verzoek van de vakbonden ook na afloop van de operatie ‘Step Change’, die liep tot medio 2004, van kracht gebleven en wel tot eind 2005.

Artikelen 1.1, 1.7, 2.1 en 3.1 van het sociaal plan luiden als volgt:

“1.1 Toepassing

Dit Sociaal Plan is van toepassing op werknemers welke een dienstverband voor onbepaalde tijd hebben met de Werkgever en waarvan, als direct gevolg van de onder 1 genoemde aanpassing van het personeelsbestand, de functie vervalt. (…)

“1.7 Definities

(…)

? Boventallig

De werknemers wiens arbeidsplaats komt te vervallen

(…)”

“2.1 Vergoeding bij zelf opzeggen vóór einde dienstverband (boventalligen)

Boventallige werknemers die het dienstverband zelf opzeggen na de datum van de aanzegging en op eigen verzoek uit dienst treden vóór de datum waarop de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd of ontbonden, ontvangen een vergoeding ter grootte van de helft van het totale maandsalaris dat tijdens de resterende opzegtermijn zou zijn betaald. De vergoeding die krachtens art. 3.1 wordt vastgesteld blijft van toepassing.”

“3.1 Werknemers tot 57,5 jaar

Werknemers wier arbeidsplaats is komen te vervallen en nog niet de leeftijd hebben bereikt van 57 jaar en 6 maanden, ontvangen na beëindiging van het dienstverband, een bruto schadeloosstelling welke als volgt is samengesteld:

? 1 maandsalaris per dienstjaar in de leeftijd tot 40 jaar;

? 1,5 maandsalaris per dienstjaar in de leeftijd van 40 tot 50 jaar;

? 2 maandsalarissen per dienstjaar in de leeftijd van 50 jaar en ouder.

Als peildatum hierbij geldt de datum van de beëindiging van het dienstverband.

Indien de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt verzocht dan wordt de ontslagvergoeding verhoogd met het aantal maanden fictieve opzeggingstermijn (in de zin van art. 16 Werkloosheidswet juncto Art. 7:672 lid 4 Burgerlijk Wetboek waarbij de geldende opzeggings-termijn wordt verkort met 1 maand met dien verstande dat de resterende opzeggingstermijn te allen tijde ten minste 1 maand bedraagt), welke door de Werkgever in geval van een beëindiging in acht zou moeten worden genomen, maal het maandsalaris.”

7. Op 8 maart 2005 heeft eiser een gesprek gevoerd met P. van der Meijden en N. Schalekamp. Laatstgenoemde heeft van dit gesprek een - ongedateerd - verslag gemaakt, waaraan het volgende wordt ontleend:

“(…) Doel gesprek: meedelen nieuwe functie aan de heer Luikenaar.

Op internationaal niveau is er een oplossing gevonden voor 2005 voor een passende functie voor de heer Luikenaar. Aan de heer Luikenaar wordt in dit gesprek medegedeeld wat deze oplossing is, nl. 50% Local Account Manager Shell en 50% voor de BA ATPA om channel partner business te ontwikkelen voor Analytics.

Na de mededeling aan de heer Luikenaar mbt het bovenstaande, zijn de letterlijke woorden van de heer Luikenaar: “dat is niet meer nodig, want ik heb op 7 maart een arbeidsovereenkomst getekend bij een andere werkgever, waar ik op 1 april 2005 wens te gaan starten”. Op dit bericht feliciteren wij hem van harte en zijn blij voor de heer Luikenaar dat hij een nieuwe functie heeft gevonden.

Nadat hij ons verteld heeft over de inhoud van zijn nieuwe functie en zijn werkgever, zegt hij plots: “maar ik wil wel geld van ABB zien conform het Sociaal Plan”.

Op deze laatste mededeling van zijn kant hebben we hem uitgelegd dat dat uiteraard geen mogelijkheid is aangezien ABB zich aan haar inspanningsverplichting heeft gehouden en een passende functie voor de heer Luikenaar beschikbaar heeft, die hij per direct kan uitoefenen.

Er is nimmer sprake geweest van een opzegging van de zijde van ABB. (…)”

8. P. van der Meijden en N. Schalekamp hebben op 9 maart 2005 bij brief het gesprek met eiser d.d. 8 maart 2005 bevestigd. Aan de inhoud van dit schrijven, dat in grote lijnen overeenkomt met het hiervoor geciteerde gespreksverslag, wordt nog het volgende ontleend: “(…) Hierop hebben wij je aangegeven dat je niet opgezegd bent, maar in de brief d.d. 24 december 2004 van de heer Croon staat vermeld dat er de eerste 2 à 3 maanden van 2005 nog overdrachtswerk op de

Shell-account is en dat je tegen ten laatste eind maart 2005 een andere baan behoeft. (…) Aangezien er een oplossing voor 2005 voor handen is, speelt het onderwerp Sociaal Plan geen rol. (…)”.

De stellingen van partijen

1. Aan de eis is naast de hiervoor vermelde vaststaande feiten - zakelijk weergegeven - het volgende ten grondslag gelegd:

De brief van 24 december 2004 van gedaagde aan eiser is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Eiser zou zijn functie verliezen als gevolg van een reorganisatie terwijl de kans op het vinden van een andere passende functie binnen gedaagde heel klein zou zijn. Eiser werd in feite te verstaan gegeven om met gedaagde mee te denken over een afscheidsregeling en om zijn heil buiten gedaagde te zoeken. Eiser heeft contact gezocht met P. van der Meijden en het resultaat daarvan was dat Van der Meijden bij brief van 13 januari 2005 aan eiser - eigener beweging en dus niet op verzoek van eiser - het sociaal plan heeft toegezonden. Daarmee heeft Van der Meijden expliciet en impliciet aan eiser kenbaar gemaakt dat op zijn situatie het sociaal plan van toepassing was en is, mede gelet op de voorgeschiedenis en ook omdat gedaagde had aangegeven met hem te willen praten over een afscheidsregeling. Zowel tijdens het gesprek dat eiser op 15 (22? kantonrechter) november 2004 had met Van der Meijden als tijdens het gesprek dat zij begin januari 2005 voerden, heeft Van der Meijden heel nadrukkelijk aangegeven dat het sociaal plan, zonder “mitsen en maren”, van toepassing was.

Gedaagde heeft in de periode van medio november 2004 tot begin maart 2005 niets ondernomen om eiser te behouden voor haar organisatie. In die periode van vier maanden heeft eiser van gedaagde geen enkel bericht ontvangen waaruit eiser zou moeten destilleren dat haar zoektocht wat had opgeleverd. Uiteindelijk is eiser erin geslaagd om met ingang van 1 april 2005 een nieuwe werkkring te vinden bij een Duitse vennootschap. Dit heeft hij op 8 maart 2005 medegedeeld in een gesprek van Van der Meijden. Van der Meijden had eiser daarvóór al medegedeeld dat de zoektocht naar een andere functie binnen gedaagde niets had opgeleverd. Nadat eiser de mededeling over zijn nieuwe werkkring had gedaan kwam gedaagde ineens met een nieuwe functie op de proppen maar dan wel alleen voor het jaar 2005. Dat gedaagde bedoelde functie aanbood nà de mededeling van eiser dat hij een andere betrekking had gevonden, is geen toeval. Eiser is de mening toegedaan dat gedaagde een spelletje met hem heeft gespeeld en de zogenaamde passende functie ten tonele heeft gevoerd om te ontkomen aan een betaling op grond van het sociaal plan.

2. Gedaagde heeft tegen de eis - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd:

Tijdens het gesprek van 22 november 2004 tussen eiser, Van der Meijden en Schalekamp werd afgesproken dat gedaagde ging onderzoeken wat de mogelijkheden zouden zijn voor een nieuwe functie, waarbij zowel de lokale als de internationale organisatie van gedaagde een rol zou spelen. Eiser zou zelf nadenken over de mogelijkheden die hij zag en of hij bereid zou zijn om te verhuizen. Gedaagde gaf voortvarend uitvoering aan haar verplichting als goed werkgever een passende functie voor eiser te vinden. Daarbij kwam ook de mogelijkheid aan de orde eiser parttime binnen het Shell team te houden.

In de brief van 24 december 2004 zette gedaagde de scenario’s voor de resterende maanden tot eind maart 2005 op een rij. Tot eind maart 2005 moest eiser overdrachtswerkzaamheden verrichten en aan het eind van die periode behoefde hij dus een andere baan. Dit kon heel goed binnen gedaagde zijn. Omdat er op dat moment geen andere baan beschikbaar was wilde gedaagde, parallel aan het intern zoeken naar een andere functie, als alternatief ook met eiser spreken over een afscheidsregeling. Dit uitsluitend voor het geval een andere passende functie voor eiser niet voor eind maart 2005 zou zijn gevonden. Hierna hebben eiser en Van der Meijden telefonisch contact gehad onder andere over een beëindigingsregeling, waarbij Van der Meijden heeft aangegeven dat gedaagde eiser bij een gedwongen afscheid een regeling zou aanbieden in lijn met het sociaal plan. Op verzoek van eiser is hem het sociaal plan toegezonden. Van een gedwongen afscheid of een beëindigingsregeling was in dit geval echter in het geheel nog geen sprake. In 2005 bleef gedaagde bezig om de mogelijkheden voor eiser na 31 maart 2005 te bezien. Hierover werd op internationaal niveau ook met eiser overleg gevoerd. In februari 2005 waren binnen gedaagde de contouren van een passende oplossing voor eiser al bekend. De precieze (financiële) regeling (welk onderdeel van gedaagde zou welke kosten dragen), behoefde nog nadere uitwerking. Eiser was ook op de hoogte van de beoogde invulling voor hem. Binnen de overeengekomen termijn tot 31 maart 2005, namelijk begin maart 2005, werd duidelijk dat op internationaal niveau een passende mogelijkheid voor eiser was gevonden. Tegen deze achtergrond nodigde gedaagde eiser uit voor een gesprek op 9 maart 2005 (8 maart 2005: kantonrechter) met Van der Meijden en Schalekamp. Tijdens dit gesprek kwam eiser eerst nà de mededeling van Van der Meijden dat er een oplossing voor eiser was gevonden met de mededeling dat hij een betrekking elders had gevonden.

Eiser was niet boventallig verklaard en hem was nooit aangezegd dat zijn arbeidsovereenkomst zou eindigen. Pas als het niet zou lukken voor eind maart 2005 een andere passende functie voor eiser te vinden, zou gedwongen ontslag en daarmee ook een vergoeding aan de orde zijn.

Nu eiser zelf de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd kan er geen sprake van zijn dat het sociaal plan van toepassing is en derhalve komt aan eiser ook geen vergoeding toe als in dat plan voorzien.

De beoordeling van het geschil

Eiser grondt zijn vordering - kort samengevat - op de stelling dat op zijn situatie het sociaal plan van toepassing is en dat aan hem daarom de gevorderde vergoeding, waarin is voorzien in het sociaal plan, toekomt. De toepasselijkheid van het sociaal plan is door gedaagde echter betwist.

Het sociaal plan vermeldt in artikel 1.1 dat het van toepassing is op werknemers met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, wier functie als gevolg van een reorganisatie vervalt. Artikel 3.1 van het sociaal plan geeft werknemers wier arbeidsplaats is komen te vervallen en die, als eiser, nog niet de leeftijd van 57 jaar en 6 maanden hebben bereikt, bij beëindiging aanspraak op een bruto schadeloosstelling, vergelijkbaar met de vergoeding overeenkomstig de zogeheten ‘neutrale’ kantonrechtersformule. Daarenboven kan op grond van het bepaalde in artikel 2.1

van het sociaal plan de “boventallige”, die voor het einde van de arbeidsovereenkomst zelf de arbeidsovereenkomst opzegt “na de datum van de aanzegging”, in aanmerking komen voor een vergoeding van de helft van het maandsalaris dat tijdens de resterende opzegtermijn zou zijn betaald.

De term “aanzegging” in artikel 2.1 van het sociaal plan is niet gedefinieerd. Gedaagde heeft bij antwoord betoogd dat een letterlijke grammaticale uitleg van het woord “aanzegging” leidt tot de conclusie dat sprake moet zijn van een ondubbelzinnige mededeling gericht op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Dit is niet juist, want een aanzegging is (vergelijk bijvoorbeeld ‘Van Dale, ‘welk woordenboek gedaagde zelf als gezaghebbend aanhaalt) neutraler, namelijk niet meer en niet minder dan een ambtelijke of officiële bekendmaking aan de betreffende persoon. Nu gaat het hier niet zozeer om de betekenis van het woord zelf, maar om de uitleg van artikel 2.1 van het sociaal plan. Wat moet dan wel zijn aangezegd: dat men boventallig is, of dat, zoals verderop in dit artikel valt te lezen, de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd of ontbonden?

Bij de uitleg van een collectieve arbeidsovereenkomst alsook van een sociaal plan zijn, aldus de vaste jurisprudentie op dit punt, de bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van die overeenkomst, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Naar het oordeel van de kantonrechter ziet het woord “aanzegging” in genoemd artikel op de mededeling dat men boventallig is, d.w.z. - vergelijk artikel 1.1 van het sociaal plan - dat een werknemer de mededeling ontvangt of heeft ontvangen dat zijn arbeidsplaats komt te vervallen. De consequentie hiervan is, dat het sociaal plan de werknemer die boventallig is en zelf de arbeidsovereenkomst opzegt in artikel 2.1 aanspraak geeft op de helft van het maandsalaris waarop hij tijdens de resterende opzegtermijn aanspraak zou hebben, terwijl die werknemer daarnaast aanspraak blijft houden op de vergoeding ex artikel 3.1 van het sociaal plan. Het gebruik van het woord “beëindiging” in artikel 3.1 van het sociaal plan impliceert immers dat iedere vorm van beëindiging - dus ook die waarbij sprake is van opzegging door de werknemer - tot het toekennen van bedoelde vergoeding kan leiden.

Naar het oordeel van de kantonrechter behelst de brief van Croon d.d. 24 december 2004 de mededeling aan eiser dat zijn functie per ultimo maart 2005 komt te vervallen. Deze mededeling moet worden aangemerkt als een aanzegging aan eiser dat hij boventallig was. De brief van Croon behelst voorts de mededeling dat partijen intern naar een andere passende functie voor eiser zouden uitzien maar dat daarnaast moest worden gesproken over een afscheidsregeling. In het kader hiervan zou Van der Meijden contact opnemen met eiser. Vast staat dat dit contact heeft plaatsgevonden en dat in het kader daarvan Van der Meijden het sociaal plan aan eiser heeft toegezonden.

Gelet op de inhoud van de brief van Croon, in combinatie met het toezenden van het sociaal plan aan eiser (waarbij door Van der Meijden, de Directeur Human Resources van gedaagde, ook geen enkel voorbehoud heeft gemaakt, noch met betrekking tot de toepasselijkheid als geheel, noch met betrekking tot enig artikel of deel daarvan in het bijzonder) is de kantonrechter van oordeel dat eiser uit een en ander heeft mogen begrijpen dat op zijn situatie het sociaal plan van toepassing was.

Het sociaal plan geeft in artikel 2.1 de werknemer die boventallig is verklaard, naast afwachten totdat de werkgever het initiatief neemt om het dienstverband te (doen) beëindigen, de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst zelf op te zeggen (al dan niet na het vinden van een betrekking elders). Eiser heeft dit ook gedaan en heeft begin maart 2005 een arbeidsovereen-komst met een Duitse vennootschap getekend en heeft vervolgens tijdens het gesprek op 8 maart 2005 de arbeidsovereenkomst met gedaagde mondeling opgezegd.

Uit het beschikbare materiaal valt af te leiden dat beide partijen na het gesprek van 15 november 2004 actief op zoek zijn gegaan naar een andere passende functie voor eiser binnen de organisatie van gedaagde, maar uit dat materiaal - in het bijzonder de door partijen overgelegde e-mailberichten - blijkt echter niet dat gedaagde eiser, vooral vanaf begin februari 2005, voldoende heeft geïnformeerd omtrent de vooruitzichten op zo’n passende functie. Klaarblijkelijk heeft dit een rol gespeeld bij het besluit van eiser om buiten de organisatie van gedaagde zijn heil te zoeken.

Wat hiervan ook zij, het stond eiser in de gegeven omstandigheden vrij de in artikel 2.1 voorziene weg te bewandelen.

Hiermee was feitelijk en juridisch vrijwel geheel voldaan aan de voorwaarden in artikelen 2.1 en 3.1 van het sociaal plan: eiser, een werknemer tot wie gedaagde een aanzegging had gericht dat zijn arbeidsplaats kwam te vervallen zegde voordat het dienstverband werd beëindigd de arbeidsovereenkomst op. Een “resterende opzegtermijn” speelt hier niet. Voor zover die passage al zou kunnen worden uitgelegd als (tevens) betrekking te hebben op de eenzijdige opzegging van de werknemer, dan geldt in ieder geval dat eiser de voor hem geldende opzegtermijn zelf niet in acht heeft genomen. Bovendien heeft gedaagde ingestemd met beëindiging per 1 april 2005, hetgeen moet worden uitgelegd als een beëindiging met wederzijds goedvinden.

Het vorenstaande leidt tot de beslissing dat de vordering van eiser voor toewijzing vatbaar is, in voege zoals hierna vermeld. Toepassing van de neutrale kantonrechterformule leidt tot een schadeloosstelling van € 125.050,22 bruto, zodat (niet meer dan dit) dit bedrag wordt toegewezen.

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van eiser bij gedaagde van toepassing is het zogeheten raamwerk Sociaal Plan ABB Benelux Rotterdam, d.d. oktober 2003;

veroordeelt gedaagde om tegen kwijting aan eiser te betalen een vergoeding van € 125.050,22 bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan die van de voldoening;

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot op deze uitspraak aan de zijde van eiser vastgesteld op € 277,60 aan verschotten en op € 1.400,-- aan salaris voor de gemachtigde van eiser;

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.