Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ4553

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-12-2006
Datum publicatie
09-03-2007
Zaaknummer
735312
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een gegeven ontslag op staande voet wordt als nietig geoordeeld, ondanks dat aan de werkneemster voldoende waarschuwingen zijn gegeven. De werkgever handelt in strijd met eigen reglement en had moeten begrijpen dat er sprake was van bijzondere persoonlijke omstandigheden zijdens werkneemster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS VAN DE RECHTBANK ROTTERDAM

Sector Kanton

inzake:

mevrouw

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres bij exploot van 28 juni 2006,

kosteloos procederende ingevolge toevoeging 3EC9256,

gemachtigde: mr. A. van Toorn,

t e g e n :

de besloten vennootschap

ECT DELTA TERMINAL B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.L. van Heusden.

Partijen worden aangeduid als “[eiseres]” en “ECT”, tenzij anders is vermeld.

1. Het verloop van de procedure

Nadat de kantonrechter had kennis genomen van de dagvaarding en de conclusie van antwoord (met producties), is bij vonnis van 12 september 2006 een comparitie van partijen bepaald op 13 oktober 2006. Door [eiseres] is nog een productie toegezonden. Ter comparitie zijn partijen verschenen. Hun gemachtigden hebben zich ieder bediend van een pleitnota die is overgelegd. De griffier heeft van het verhandelde ter zitting aantekening gehouden. De uitspraak is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Ingaande 1 oktober 2004 is [eiseres] voor de bepaalde duur van 2 jaar in loondienst van ECT getreden. Op 30 december 2005 is zij op staande voet ontslagen, hetgeen is bevestigd in de brief van ECT van dezelfde datum:

“(…)

De dringende reden is gelegen in het feit dat u zich donderdagmiddag 29 december 2005 andermaal niet hebt gehouden aan de bij ECT toepasselijke ziek- en hersteldmeldingsprocedure, ondanks twee schriftelijke waarschuwingen ter zake. In de jongste waarschuwing d.d. 19 december 2005 hebben wij u medegedeeld, dat indien u zich andermaal niet houdt aan de procedure, wij ons genoodzaakt zien een ontslagprocedure te starten.

(…)”

3. De vordering

Deze strekt ertoe voor recht te verklaren dat het ontslag op staande voet nietig is en tot doorbetaling loon tot de datum dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, zulks met nevenvorderingen.

4. Het verweer

ECT concludeert tot afwijzing van de vordering.

5. De beoordeling

5.1. Partijen voeren de nodige stellingen aan, deels aan de hand van producties. Deze worden hierna beoordeeld, voorzover zij althans relevant blijken voor de beslissing.

Onverwijldheid

5.2. De kantonrechter volgt [eiseres] niet in haar stelling dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven. Het ontslag op staande voet is daags na het te laat ziek melden gegeven en dat is, gelet op de noodzaak van intern overleg en schriftelijke vastlegging, onverwijld in de zin van de wet.

Strijdigheid eigen reglement

5.3. ECT heeft een eigen reglement. Dit schrijft onder andere voor dat bij disciplinaire maatregelen, maar ook bij ontslag op staande voet, een commissie moet worden geraadpleegd. ECT erkent dat zij deze weg niet heeft gevolgd, maar voert aan dat dit ook praktisch gezien niet van haar kan worden gevergd, omdat de tijd die met deze procedure gemoeid is, zich niet verhoudt met de eis van onverwijldheid.

5.4. Aldus staat vast dat ECT heeft gehandeld in strijd met het reglement dat, kennelijk op haar instigatie, deel uitmaakt van de arbeidsverhouding. Zowel werkgever als de Ondernemingsraad spelen in de uitvoering van deze regeling een rol, zodat het ervoor dient te worden gehouden dat dit reglement met de Ondernemingsraad is overeengekomen, althans diens instemming heeft. Ten aanzien van twee eerdere waarschuwingen (brieven d.d. 9 en 19 december 2005) heeft ECT wel ingevolge het reglement gehandeld. Ontslag op staande voet wordt met zoveel woorden genoemd als een van de maatregelen die door de in het reglement voorziene Commissie kan worden voorgesteld. Tot slot geldt dat artikel 31 lid 2 van het reglement onder andere bepaalt:

“(…) of ontslag door de betreffende directeur(…) kan als regel eerst plaatsvinden, nadat de Commissie van Onderzoek om advies is gevraagd.”

5.5. Het is onvoldoende dat ECT stelt dat naleving van het reglement in strijd komt met de eis van onverwijldheid. In de eerste plaats omdat dit nog maar de vraag is; deugdelijk onderzoek is doorgaans een goede reden om het ontslag op staande voet enige tijd later te geven en te volstaan met een schorsing. Voorts blijkt uit het reglement dat de Commissie zeer snel bij elkaar kan komen; zo wordt er gesproken over uren en niet over weken (artikel 36). In de derde plaats is van belang dat het aan ECT is, indien zij problemen voorziet, om maatregelen te treffen die bevorderen dat de afhandeling door de Commissie nog sneller gaat. Overigens is het de kantonrechter ambtshalve bekend dat in de Rotterdamse haven dergelijke commissies wel degelijk worden geraadpleegd vooraleer wordt besloten tot een ontslag op staande voet. Wellicht is het in deze zaak anders gegaan omdat het niet een typische havenfunctie maar een administratieve functie betreft? Het reglement maakt een dergelijk onderscheid echter niet.

5.6. ECT gaat, behoudens voormelde stelling, nauwelijks in op de argumenten van [eiseres]. Gelet op voormelde overwegingen dient het er derhalve voor te worden gehouden dat ECT ten onrechte heeft gehandeld in strijd met haar eigen reglement. Vanuit deze optiek gezien is het ontslag op staande voet eigenlijk te onverwijld gegeven.

5.7. Wel stelt ECT nog dat een andersluidend advies van de Commissie toch niet zou zijn opgevolgd. Dit argument kan haar niet baten. Het past niet dat een werkgever een Commissie in het leven roept, deze voorziet van middelen en bevoegdheden, maar achteraf stelt dat zij zich toch niets van het advies van de Commissie in deze specifieke zaak zou hebben aangetrokken. Dat is strijdig met de eisen die goed werkgeverschap met zich brengen. Bovendien is het een miskenning van de dynamiek van een deugdelijk onderzoek; partijen worden door een onafhankelijke Commissie gehoord en er kunnen feiten en visies naar voren worden gebracht die aanleiding hadden kunnen geven tot een andere standpuntbepaling.

5.8. Onderzocht dient te worden of dit oordeel met zich brengt dat het ontslag op staande voet nietig dient te worden verklaard. De kantonrechter ziet aanleiding eerst de overige argumenten van [eiseres] te beoordelen.

Dringende reden

5.9. [eiseres] stelt in alinea 10 van de dagvaarding:

“Eiseres heeft zich op 29 december 2005 vijfentwintig minuten voor haar eigen werk begon ziek gemeld bij gedaagde. Eiseres had eerst de Arbo-dienst gebeld en daarna gedaagde. Eiseres was enkele dagen daarvoor ook ziek geweest en zou 29 december 2006 weer met werken beginnen. Eiseres was hier echter niet toe in staat en heeft zodoende eerst contact gezocht met de Arbo-dienst om zich vervolgens ziek te melden bij gedaagde. Eiseres had zich conform het verzuimreglement een half uur voor aanvang van haar werkzaamheden ziek moeten melden. Zij heeft zich op 29 december 2005 dus vijf minuten te laat ziek gemeld. Hierdoor is geen situatie ontstaan waardoor van gedaagde niet meer verwacht kon worden dat zij het dienstverband met eiseres op dat moment zou voortzetten.”

5.10. ECT betwist deze gang van zaken op zich niet, althans niet afdoende. Wel stelt zij dat [eiseres] gewaarschuwd was, laatstelijk op 19 december 2005. Zij wijst op de eerdere waarschuwingsbrieven waarin, zo constateert de kantonrechter, inderdaad op niet mis te verstane wijze [eiseres] erop is geattendeerd dat zij zich stipt aan de verzuimregels diende te houden. Niet is gebleken dat [eiseres] tegen deze waarschuwingen heeft geprotesteerd, als zijnde onterecht. Aldus dient het ervoor te worden gehouden dat [eiseres], ondanks de waarschuwingen, zich niet heeft gehouden aan de verzuimregels binnen ECT. In die zin kunnen de door ECT gestelde feiten het ontslag op staande voet schragen, hetgeen overigens door [eiseres] ook niet wordt ontkend.

Verwijtbaarheid [eiseres]

5.11. [eiseres] voert evenwel aan dat ECT niet betwist dat er sprake was van reële medische klachten. Voorts heeft ECT haar zelf naar het bedrijfsmaatschappelijk werk verwezen. Uit het functioneringsverslag van 23 september 2005 blijkt dat door [eiseres] is gesignaleerd dat zij problemen in de privé-sfeer heeft. Na het ontslag op staande voet is bij haar de diagnose borderline-stoornis gesteld. Zie de medische verklaring d.d. 26 september 2006 van haar psychotherapeut:

“Hierbij verklaar ik dat bovenstaande patiënte lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis. Dit is een diepgaand patroon van instabiliteit in intermenselijke relaties, zelfbeeld en affecten en van duidelijke impulsiviteit, dat al begint in de vroege volwassenheid. Hiervoor is zij in januari 2006 opgenomen op de dagkliniek van GGZ-Delfland. Zij heeft hier verbleven tot eind mei 2006. Door mij is ze in behandeling genomen aansluitend en ik heb haar geïndiceerd voor een Linehanbehandeling, wat de beste behandeling is voor ernstige borderline problematiek. Het is zeker dat deze problematiek ook in haar werksituatie moet hebben gespeeld.”

5.12. In haar pleitnota stelt [eiseres] dat, rekening houdende met alle omstandigheden van het geval, haar gedrag haar niet verweten kan worden, zodat ECT niet kan stellen dat van haar niet kan worden gevergd het dienstverband voort te zetten.

5.13. ECT reageert hier als volgt op. De gestelde psychiatrische aandoening mag geen relevantie hebben in deze procedure nu de rechter ex tunc dient te oordelen. Uit de medische verklaring volgt niet dat deze ziekte voor ECT kenbaar had moeten zijn. [eiseres] zelf had hier in elk geval nooit op gewezen terwijl zij, behoudens het te laat komen en het veronachtzamen van de verzuimvoorschriften, goed functioneerde, zowel inhoudelijk als collegiaal. Haar Arbo-dienst heeft deze aandoening ook niet onderkend. Verwijzende naar voorlichtingsmateriaal van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie concludeert zij dat een dergelijke stoornis geenszins voor de buitenwereld kenbaar hoeft te zijn en dat dergelijke patiënten in het dagelijkse leven bevredigend kunnen functioneren. Tot slot verwijst zij naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep waaruit volgt dat een persoonlijkheidsstoornis op zich geen reden is voor arbeidsongeschiktheid, zeker niet als betrokkene heeft aangetoond daarmee langere tijd stabiel in het arbeidsproces te hebben kunnen functioneren.

5.14. Het volgende wordt overwogen. Vooropgesteld wordt dat een ontslag op staande voet ook rechtsgeldig is tijdens arbeidsongeschiktheid. Van een werknemer die ziek is, kan in het algemeen worden gevergd dat hij zich houdt aan de ziekteverzuimvoorschriften. Een enkele overtreding hiervan kan een ontslag op staande voet niet dragen, maar als er sprake is van een patroon kan dit wel een dringende reden opleveren.

5.15. In deze zaak is de diagnose achteraf gesteld en is duidelijk dat er sprake is van ernstige problemen, nu [eiseres] geruime tijd is opgenomen geweest. Gelet op de aard van de aandoening, blijkende uit de verklaringen van de behandelaars, kan ervan uit worden gegaan dat [eiseres] voorafgaande aan het ontslag op staande voet ook aan deze ziekte leed.

5.16. Door ECT wordt gesteld dat borderline niet zonder meer betekent dat [eiseres] zich niet zou hoeven te houden aan de ziekteverzuimvoorschriften. Dit verweer wordt op zich terecht gevoerd. ECT wist niet van de aandoening, [eiseres] functioneerde inhoudelijk en collegiaal naar behoren terwijl zij zelf had verteld dat er andersoortige problemen (van financiële aard) speelden. Echter, er waren ook contra-indicaties: het opmerkelijke gedrag betreffende de verzuimregels zelve, het feit dat de arbeidsongeschiktheid niet wordt betwist, maar ook dat ECT [eiseres] kort voor het ontslag op staande voet met het bedrijfsmaatschappelijk werk in contact heeft gebracht, waarmee zij een openhartig gesprek heeft gevoerd. De aanleiding tot het ontslag op staande voet is het vijf minuten te laat ziek melden, terwijl gebleken is dat [eiseres] eerst met de Arbodienst hierover heeft gebeld.

Ontslag op staande voet is nietig

5.17. Tegen deze achtergrond en rekening houdende met het feit dat ECT zich zelf de mogelijkheid tot deugdelijk onderzoek heeft ontnomen door ten onrechte de voormelde Commissie van Onderzoek niet in te schakelen, kan niet geoordeeld worden dat ten tijde van het ontslag op staande voet de situatie is ontstaan dat van ECT redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Dit betekent dat het ontslag op staande voet nietig dient te worden verklaard.

Nevenvorderingen

5.18. De vordering tot doorbetaling loon dient te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.19. Ten aanzien van de wettelijke verhogingen wordt door ECT geen verweer gevoerd. Ambtshalve ziet de kantonrechter, gelet op alle omstandigheden, aanleiding de wettelijke verhogingen te matigen tot 50%.

5.20. Als in het ongelijk gestelde partij wordt ECT veroordeeld in de kosten van de procedure.

6. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat het ontslag op staande voet nietig is,

veroordeelt gedaagde om aan eiseres te voldoen het bruto-salaris van €. 1.732,-- per maand, met ingang van 1 januari 2006, te vermeerderen met de daarbij behorende emolumenten op de door de wet bepaalde tijdstippen, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,

veroordeelt gedaagde tot betaling van de helft van de wettelijke verhogingen in de zin van artikel 7:625 BW alsmede de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over het achterstallige salaris sedert 1 januari 2006, respectievelijk vanaf ieder tijdstip dat de loonvorderingen van eiseres opeisbaar worden,

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres vastgesteld op:

€ 78,75 voor het in debet gestelde deel van het vastrecht,

€ 84,87 aan dagvaardingskosten,

€ 600,00 aan salaris voor de gemachtigde,

van welke bedragen het totaal op Rabobankrekening 19 23 25 892 t.n.v. MvJ Rotterdam onder vermelding van het zaaknummer moet worden overgemaakt, alsmede € 26,25 voor het door eiseres verschuldigde en door de gemachtigde betaalde deel van het vastrecht, rechtstreeks aan die gemachtigde te voldoen,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.