Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ4394

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-12-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
10/000124-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Air Holland-zaak: veroordelingen voor witwassen in de zaken met parketnummer:

10/000364-04, 10/000124, 10/000272-04, 10/000123-02 .

Aan verdachten is ten laste gelegd (1) het witwassen van een (groot) aantal geldbedragen, omschreven als (gewoonte)heling, subsidiair schuldheling dan wel (gewoonte)witwassen, subsidiair schuldwitwassen en (2) leidinggeven of deelnemen aan een criminele organisatie.

Inhoud vonnissen:

(1) overwegingen omtrent de ontvankelijkheid van de officier van justitie naar aanleiding van beroepen op (i) gedane toezeggingen tot niet verdere vervolging, (ii) gelijkheidsbeginsel, (iii) onjuiste informatieverschaffing door officier van justitie over buitenlandse medeverdachte in verband met diplomatieke status;

(2) overwegingen naar aanleiding van onder meer beroepen op de artikelen 301, vierde lid en 395a van het Wetboek van Strafvordering

(3) overwegingen omtrent het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf” vòòr en na inwerkingtreding witwasbepalingen in titel XXXa van het Wetboek van Strafvordering op 14 december 2001.

Kern vonnissen ad (3):

Gelet op de verwantschap, gelijke strekking en soortgelijke achtergrond van de witwasbepalingen enerzijds en de helingsbepalingen (in witwaszaken) anderzijds, zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis van titel XXXa van het Wetboek van Strafrecht (Kamerstukken II 1999-2000, 22 159, nr 3), alsmede gelet op jurisprudentie van de HR (20 december 2005, LJN: AU3951, 27 september 2005, NJ 2006, 473 en 28 september 2004, LJN: AP2124)is, indien niet blijkt van een nauwkeurig aangeduid misdrijf, voldaan aan het vereiste “afkomstig uit enig misdrijf” wanneer uit de bewijsmiddelen kan volgen dat het in de gegeven omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen een criminele herkomst hebben.

In strafmotivering (straffen opgelegd variërend van 36 maanden tot 12 maanden, telkens met voorwaardelijk deel) tot uitdrukking gebracht de maatschappelijk ongewenste vermenging van “boven- en onderwereld”.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 416
Wetboek van Strafrecht 417
Wetboek van Strafrecht 420bis
Wetboek van Strafrecht 420ter
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 10/000124-02

Datum uitspraak: 7 december 2006

Tegenspraak

VONNIS

van de RECHTBANK ROTTERDAM, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] (Suriname),

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

verblijvende op het adres:

[adres],

raadsman mr. J.B. Boone, advocaat te Wijk bij Duurstede.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2005, 27 april 2005,

9 augustus 2005, 13 maart 2006, 29 maart 2006, 30 maart 2006, 3 april 2006, 15 november 2006, 20 november 2006 en 23 november 2006.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de vordering nadere omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De inhoud van de nadere omschrijving tenlastelegging is hierna integraal opgenomen.

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2001 tot en met 1 november 2001 te Amsterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en/of in Luxemburg, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)toen en aldaar (telkens) krachtens die gewoonte (een) geldbedrag(en), bestaande uit:

- NLG 2.500.000,-- (omgerekend € 1.136.363,--) en/of

- NLG 493.000,-- (omgerekend € 224.090,--) en/of

- NLG 440.742,-- (omgerekend € 200.000,--) en/of

- NLG 400.000,-- (omgerekend € 181.512,--),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van dat/die geldbedrag(en) wist(en), dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 mei 2001 tot en met 1 november 2001 te Amsterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en/of in Luxemburg, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, (een) geldbedrag(en), bestaande uit:

- NLG 2.500.000,-- (omgerekend € 1.136.363,--) en/of

- NLG 493.000,-- (omgerekend € 224.090,--) en/of

- NLG 440.742,-- (omgerekend € 200.000,--) en/of

- NLG 400.000,-- (omgerekend € 181.512,--),

heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededaders ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van dat/die geldbedrag(en) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had/hadden moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 en/of 417 en/of 417bis van het Wetboek van Strafrecht)

Zaak [naam touroperator]

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2001 tot en met 1 juni 2001 te Klarenbeek en/of Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (telkens) krachtens die gewoonte (een) geldbedrag(en), (te weten in ongeveer 2.500.000 Nederlandse guldens), heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van dat/die geldbedrag(en) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 april 2001 tot en met 1 juni 2001 te Klarenbeek en/of Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, (een) geldbedrag(en), (te weten in ongeveer 2.500.000 Nederlandse guldens), heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van dat/die geldbedrag(en) wist(en), althans redelijkerwijs had/hadden moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 en/of 417 en/of 417bis van het Wetboek van Strafrecht)

Zaak Contante Borg.

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 mei 2001 tot 5 juni 2001 te Amsterdam en/of Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging, althans alleen, (een) geldleenovereenkomst(en) en/of een (Franstalige) investeringsovereenkomst (convention d’investissment) , (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, (telkens) valselijk heeft/hebben opgemaakt of vervalst, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), toen (telkens) in strijd met de waarheid:

- in die geldleenovereenkomst(en) verklaard en/of opgenomen dat [medeverdachte 11] ([naam touroperator]), als schuldeiser, aan [verdachte] ([naam administratiekantoor]), als schuldenaar, een geldbedrag van NLG 3.000.000,-- heeft geleend en/of als onderdeel van voornoemde overeenkomst door die [medeverdachte 11] NLG 493.000,- aan die [verdachte] is overgedragen, en/of als datum voor het sluiten van deze overeenkomst 5 mei 2001 vermeld;

- in die investeringsovereenkomst (vrij vertaald vanuit het Frans naar het Nederlands) verklaard en/of opgenomen dat [medeverdachte 11] (als directeur van [naam touroperator]), aan [verdachte] (als directeur van [venootschap Luxemburg]) een geldbedrag van NLG 2.500.000,-- , - uiterlijk 1 juli 2001 zal verstrekken -, in het kader van een lening, en/of als datum voor het sluiten van deze overeenkomst 15 mei 2001 vermeld;

(artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht)

Zaak [naam touroperator]

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2001 tot en met 30 augustus 2001 te Klarenbeek en/of Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en/of in Londen, althans in Engeland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (telkens) krachtens die gewoonte (een) geldbedrag(en), bestaande uit:

- NLG 5.000.000,--,-- (omgerekend € 2.273.000,--) en/of

- NLG 10.000.000,-- (omgerekend € 4.545.454,-- en/of

- NLG 2.500.000,-- (omgerekend € 1.136.363,--) en/of

- NLG 6.250.000,-- (omgerekend € 2.840.909,--),

althans bestaande uit:

- NLG 2.600.000 (ontvangen op bankrekening van [naam administratiekantoor], overgemaakt door Citibank PBG, New York , op of omstreeks 26 juni 2001) en/of

- NLG 2.000.000,-- (ontvangen op bankrekening van Stichting Administratiekantoor, overgemaakt door [persoon 5] [persoon 3]/ [naam bank 1]., op of omstreeks 29 juni 2001),

- NLG 4.844.820,-- (ontvangen op bankrekening van [naam drukkerij] BV, overgemaakt door [naam bank 2], - in opdracht van [medeverdachte 7] -, op of omstreeks 26 juli 2001),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van dat/die geldbedrag(en) (telkens) wist(en), dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 juni 2001 tot en met 30 augustus 2001 te Klarenbeek en/of Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en/of in Londen, althans in Engeland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, (een) geldbedrag(en), bestaande uit:

- NLG 5.000.000,--,-- (omgerekend € 2.273.000,--) en/of

- NLG 10.000.000,-- (omgerekend € 4.545.454,-- en/of

- NLG 2.500.000,-- (omgerekend € 1.136.363,--) en/of

- NLG 6.250.000,-- (omgerekend € 2.840.909,--),

althans bestaande uit:

- NLG 2.600.000 (ontvangen op bankrekening van [naam administratiekantoor], overgemaakt door Citibank PBG, New York , op of omstreeks 26 juni 2001) en/of

- NLG 2.000.000,-- (ontvangen op bankrekening van Stichting Administratiekantoor, overgemaakt door [persoon 5] [persoon 3]/ [naam bank 1]., op of omstreeks 29 juni 2001),

- NLG 4.844.820,-- (ontvangen op bankrekening van [naam drukkerij] BV, overgemaakt door [naam bank 2], - in opdracht van [medeverdachte 7] -, op of omstreeks 26 juli 2001),

heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van dat/die geldbedrag(en) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had/hadden moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 en/of 417 en/of 417bis van het Wetboek van Strafrecht)

Zaak Verenigd Koninkrijk

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 augustus 2001 tot en met 13 december 2001 te Klarenbeek en/of Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en/of in Luxemburg, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) toen en aldaar (telkens) krachtens die gewoonte (een) geldbedrag(en), bestaande uit:

- DM 2.850.730,-- (omgerekend € 1.177.988,--) en/of

- NLG 2.255.250-- (omgerekend € 1.025.113,--) en/of

- NLG 4.338.700,-- (omgerekend € 1.972.136,--) en/of

- DM 67.500,-- (omgerekend € 27.685,--) en/of

- CHF 674.010,--- (omgerekend € 457.390,--) en/of

- NLG 1.200.000,-- (omgerekend € 545.454,--) en/of

- £ 60.010,-- (omgerekend € 97.182,--) en/of

- NLG 1.734.280,-- (omgerekend € 788.309,--) en/of

- DM 152.010,-- (omgerekend € 62.814,--) en/of

- NLG 2.042.000,--- (omgerekend € 928.181,--) en/of

- DM 926.800,-- (omgerekend € 382.975--) en/of

- $ 1.687.750,-- (omgerekend € 1.925.336,--) en/of

- DM 157.000,-- (omgerekend € 64.876,--) en/of

- $ 770.000,-- (omgerekend €878.393,--),

verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van dat/die geldbedrag(en) (telkens) wist(en), dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 21 augustus 2001 tot en met 13 december 2001 te Klarenbeek en/of Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en/of in Luxemburg, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander en/of anderen, althans alleen, (een) geldbedrag(en), betaande uit:

- DM 2.850.730,-- (omgerekend € 1.177.988,--) en/of

- NLG 2.255.250-- (omgerekend € 1.025.113,--) en/of

- NLG 4.338.700,-- (omgerekend € 1.972.136,--) en/of

- DM 67.500,-- (omgerekend € 27.685,--) en/of

- CHF 674.010,--- (omgerekend € 457.390,--) en/of

- NLG 1.200.000,-- (omgerekend € 545.454,--) en/of

- £ 60.010,-- (omgerekend € 97.182,--) en/of

- NLG 1.734.280,-- (omgerekend € 788.309,--) en/of

- DM 152.010,-- (omgerekend € 62.814,--) en/of

- NLG 2.042.000,--- (omgerekend € 928.181,--) en/of

- DM 926.800,-- (omgerekend € 382.975--) en/of

- $ 1.687.750,-- (omgerekend € 1.925.336,--) en/of

- DM 157.000,-- (omgerekend € 64.876,--) en/of

- $ 770.000,-- (omgerekend €878.393,--),

heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van dat/die geldbedrag(en) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had/hadden moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

(artikel 416 en/of 417 en/of 417bis Wetboek van Strafrecht)

zaak Luxemburg (zie met name transactie 2 tot en met 9)

6.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 15 april 2002 te Klarenbeek en/of Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en/of in Luxemburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een voorwerp, te weten één of meerdere geldbedrag(en), bestaande uit:

- NLG 548.550,-- (omgerekend € 248.921,--) en/of

- £ 289.860,-- (omgerekend € 471.547,--) en/of

- SCP 140,-- (omgerekend € 227,--) en/of

- € 150.000,-- en/of

- € 438.000,-- en/of

- £ 198.390,-- (omgerekend € 306.474,--) en/of

- £ 185.070,-- (omgerekend € 301.073,--) en/of

- $ 210.000,-- (omgerekend € 239.561,--),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of (telkens) van dit/deze geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), van voornoemde handelwijze een gewoonte gemaakt;

Subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 15 april 2002 te Klarenbeek en/of Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en/of in Luxemburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een voorwerp, te weten één of meerdere geldbedrag(en), bestaande uit:

- NLG 548.550,-- (omgerekend € 248.921,--) en/of

- £ 289.860,-- (omgerekend € 471.547,--) en/of

- SCP 140,-- (omgerekend € 227,--) en/of

- € 150.000,-- en/of

- € 438.000,-- en/of

- £ 198.390,-- (omgerekend € 306.474,--) en/of

- £ 185.070,-- (omgerekend € 301.073,--) en/of

- $ 210.000,-- (omgerekend € 239.561,--) ,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of (telkens) van dit/deze geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

en/of:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 december 2001 tot en met 15 april 2002 te Klarenbeek en/of Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en/of in Luxemburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een voorwerp, te weten één of meerdere geldbedrag(en), bestaande uit:

- NLG 548.550,-- (omgerekend € 248.921,--) en/of

- £ 289.860,-- (omgerekend € 471.547,--) en/of

- SCP 140,-- (omgerekend € 227,--) en/of

- € 150.000,-- en/of

- € 438.000,-- en/of

- £ 198.390,-- (omgerekend € 306.474,--) en/of

- £ 185.070,-- (omgerekend € 301.073,--) en/of

- $ 210.000,-- (omgerekend € 239.561,--) ,

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of (telkens) van dit/deze geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt,

en/of de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen of verhuld, dan wel heeft verborgen of verhuld wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) was,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

(artikel 420ter en/of 420bis en/of 420quater Wetboek van Strafrecht)

zaak Luxemburg (zie met name transactie 10 tot en met 15)

7.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 19 maart 2001 tot en met 25 oktober 2004 te Rotterdam en/of Amsterdam en/of Den Haag en/of Barendrecht en/of (elders) in Nederland en/of te Engeland en/of Luxemburg (mede) leiding heeft gegeven, althans heeft deelgenomen, aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven,

welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast verdachte uit [medeverdachte 6], [medeverdachte 12], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4], [medeverdachte 5], [medeverdachte 7], [medeverdachte 8],[medeverdachte 9], [medeverdachte 10] en/of een of meer andere perso(o)n(en), de misdrijven waren:

- het opzettelijk plegen van valsheid in geschrift;

- het plegen van (gewoonte- en/of opzet- en/of schuld-)witwassen;

- (gewoonte) heling;

(art. 140 Wetboek van Strafrecht)

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. Schram heeft gerequireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair, 5 primair, 6 primair en onder 7 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden met aftrek van voorarrest.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Gelijkheidsbeginsel

De verdediging heeft gesteld dat de omstandigheid dat [persoon 2] en [medeverdachte 11] de mogelijkheid hebben gekregen om hun zaak af te kopen en verdachte niet, een ernstige rechtsongelijkheid oplevert ten nadele van verdachte.

De verdediging heeft niet aangegeven welk rechtsgevolg dit haars inziens dient te hebben, zodat verdere bespreking van dit verweer achterwege kan blijven.

Diplomatieke status [medeverdachte 7]

Namens verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie opzettelijk en/of in strijd met de waarheid heeft aangegeven dat de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte 7] is geëindigd omdat [medeverdachte 7] zich heeft beroepen op zijn diplomatieke status, terwijl hij wist of had kunnen weten dat Matumoto was vrijgesproken. Eén en ander zou, aldus de raadsman, dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging, bewijsuitsluiting dan wel tot strafvermindering.

Dit verweer wordt verworpen.

Door de verdediging wordt onvoldoende onderbouwd en uit het onderzoek op de terechtzitting is ook niet gebleken dat, en zo ja, hoe, de officier van justitie, anders dan deze bij repliek aangeeft, eerder dan 25 oktober 2005 op de hoogte zou zijn geweest/gekomen van de concrete inhoud van het vonnis in de Engelse zaak tegen [medeverdachte 7]. Ditzelfde geldt voor de stelling dat de officier van justitie reeds in een vroegtijdig stadium op de hoogte zou zijn geweest van het feit dat diplomatieke status van [medeverdachte 7] geen rol zou gaan spelen bij de afdoening van zijn zaak.

Wel staat vast dat de officier van justitie de rechtbank en daarmee ook de verdediging tijdens regiezittingen steeds op de hoogte heeft gehouden van de laatste ontwikkelingen omtrent de uitlevering van verdachte [medeverdachte 7] welke logischerwijs verband hield met de uiteindelijke afloop van zijn zaak.

Niet valt dan ook in te zien dat de officier van justitie een inbreuk heeft gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is

tekortgedaan.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

VRIJSPRAAK

Het onder 1 primair impliciet primair, 2, 3 en onder 7 impliciet primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

TOELICHTING OP DE VRIJSPRAAK

Feit 1 Gewoonteheling

Uit vaste jurisprudentie blijkt dat voor het oordeel dat sprake is van gewoonteheling doorslaggevend is de continuïteit in de herhaling van samenhangende op zich zelf staande handelingen.

Anders dan de officier van justitie kennelijk heeft willen betogen zien de eerste 3 genoemde bedragen in feit 1 ([naam touroperator]) niet op een reeks op zichzelf staande helingshandelingen, maar gaat het hier om bedragen die onderdeel uitmaken van een groter van misdrijf afkomstig bedrag van 5 miljoen gulden (door verdachte in een tas in contanten gebracht naar Air Holland) en daarvan zijn afgesplitst. (2.5 miljoen is naar [persoon 2] gebracht terwijl 2.5 miljoen gulden in delen naar [naam touroperator] gegaan.)

Van gewoonteheling is derhalve geen sprake.

Feit 1 bedrag 400.000 gulden

Ten aanzien van het onder het vierde gedachtestreepje genoemde bedrag van NLG 400.000,= is onvoldoende komen vast te staan welke de herkomst is van dit op 1 november 2001 door [naam touroperator] naar Air Holland overgemaakte bedrag, zodat van dit onderdeel vrijspraak dient te volgen.

Feit 2 Contante Borg

Uit het verhandelde op de terechtzitting is niet dan wel onvoldoende gebleken van betrokkenheid van verdachte bij de zaak ten laste gelegd onder de naam Contante Borg, zodat voor deze zaak vrijspraak dient te volgen.

Feit 3 Valsheid in geschrift

Aan verdachte wordt ten laste gelegd (medeplegen van) valsheid in geschrift in de periode 01 mei 2001 tot 5 juni 2001 met betrekking tot:

a. een geldleningovereenkomst tussen [medeverdachte 11] als directeur van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam touroperator] (verder [naam touroperator]) en verdachte als bestuurder van de [naam administratiekantoor] (verder [AK]) en/of

b. een (Franstalige ) investeringsovereenkomst (convention d’investissment) tussen verdachte als directeur van de vennootschap [vennootschap Luxemburg] en [medeverdachte 11] als directeur van [naam touroperator].

Uit de tekst van deze overeenkomsten in het strafdossier blijkt dat de investeringsovereenkomst is gedateerd 15 mei 2001 en de geldleningovereenkomst ongedateerd is.

Weliswaar meldt laatstgenoemde overeenkomst de datum 15 mei 2001 als start van de looptijd van 5 jaar en als datum waarop een bedrag van 493.000 gulden contant is ontvangen door verdachte, maar deze omstandigheden zijn op zich, bij gebreke van bewijsmiddelen die dit ondersteunen, onvoldoende om te concluderen dat de overeenkomst is gesloten op 15 mei 2001.

Aannemelijker is namelijk dat de overeenkomst is gesloten na de ten laste gelegde periode.

Zo blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting en het strafdossier dat [naam touroperator] op 30 en 31 mei 2001 € 500.000,= resectievelijk € 434.450,50 overmaakt naar [vennootschap Luxemburg] onder vermelding “deposit aircraft Air Holland”. Als grondslag voor deze betaling kan de hiervoor bedoelde investeringsovereenkomst worden gezien. Beide bedragen zijn op 8 juni 2001 teruggeboekt met de mededeling “account is closed”.

[naam touroperator] maakt vervolgens direct daarop, op 9 juni 2001, door middel van een telefonische overboeking het terug ontvangen bedrag over aan [AK] onder vermelding van “conform afspraak en overeenkomst”.

Toen de investeringsovereenkomst door de terugboeking feitelijk niet doorging ontstond er aanleiding een andere overeenkomst op te stellen, die als grondslag kon dienen voor de betaling van [naam touroperator] aan [AK] op 9 juni 2001. Die aanleiding doet zich voor op het moment dat duidelijk is dat het bedrag teruggeboekt wordt op de rekening van [naam touroperator], in casu op 8 juni 2001; van een eerder moment waarop dit duidelijk wordt blijkt niet.

Derhalve moet worden aangenomen dat de geldleningovereenkomst op z’n vroegst is gesloten op 8 juni 2001.

Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat een eventuele valsheid in geschrift met betrekking tot de geldleningovereenkomst in de ten laste gelegde periode heeft plaatsgevonden. Verdachte dient van dit onderdeel reeds hierom te worden vrijgesproken.

Ook dient vrijspraak te volgen van de verweten valsheid in geschrift met betrekking tot de investeringsovereenkomst nu niet dan wel onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn waaruit de intrinsieke valsheid van die overeenkomst volgt.

Gelet op het vorenstaande behoeft het onder 3 ten laste gelegde voor het overige geen bespreking en beslissing meer.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet subsidiair, 4 primair impliciet subsidiair, 5 primair, 6 primair en onder 7 impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 mei 2001 tot en met 1 november 2001 te Amsterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een geldbedrag, bestaande uit:

- NLG 2.500.000,-- en/of

- NLG 493.000,-- en/of

- NLG 440.742,-- en/of

heeft voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij en/of zijn medeverdachte(n) ten tijde van het voorhanden krijgen van dat geldbedrag wist(en), dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op een tijdstip in de periode van 1 juni 2001 tot en met 30 augustus 2001 te Klarenbeek en/of Apeldoorn en/of Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en in Londen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (een) geldbedrag, te weten

- NLG 4.844.820,-- (ontvangen op bankrekening van [naam drukkerij] BV, overgemaakt door [naam bank 2], - in opdracht van [medeverdachte 7] -, op of omstreeks 26 juli 2001),

heeft voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij en/of zijn medeverdachte(n) ten tijde van het voorhanden krijgen van dat geldbedrag wist(en), dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

5.

hij op tijdstippen in de periode van 21 augustus 2001 tot en met 13 december 2001 te Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en in Luxemburg, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een gewoonte heeft gemaakt van het plegen van opzetheling, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn medeverdachte(n) (telkens) krachtens die gewoonte geldbedragen, te weten:

- DM 2.850.730,-- en

- NLG 2.255.250-- en

- NLG 4.338.700,-- en

- DM 67.500,-- en

- CHF 674.010,--- en

- NLG 1.200.000,-- en

- £ 60.010,-- en

- NLG 1.734.280,-- en

- DM 152.010,-- en

- NLG 2.042.000,--- en

- DM 926.800,-- en

- $ 1.687.750,-- en

- DM 157.000,-- en

- $ 770.000,--,

voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij en/of zijn medeverdachte(n) ten tijde van het voorhanden krijgen van die geldbedragen (telkens) wist(en), dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

6.

hij op tijdstippen in de periode van 14 december 2001 tot en met 15 april 2002 te Rotterdam en/of Oude Meer (gemeente Haarlemmermeer), althans in Nederland, en in Luxemburg,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, (telkens) een voorwerp, te weten geldbedrag(en):

- NLG 548.550,-- (omgerekend € 248.921,--) en

- £ 289.860,-- en

- SCP 140,-- en

- € 150.000,-- en

- € 438.000,-- en

- £ 198.390,-- en

- £ 185.070,-- en

- $ 210.000,-- ,

voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen

terwijl hij en/of zijn medeverdachte(n) (telkens) wist(en) dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf,

hebbende hij, verdachte, en/of zijn medeverdachte(n), van voornoemde handelwijze een gewoonte gemaakt;

7.

hij op tijdstippen in de periode van 19 maart 2001 tot en met april 2002 te Rotterdam en/of elders in Nederland en in Engeland en in Luxemburg heeft deelgenomen, aan een organisatie, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven,

welke organisatie bestond uit een groep samenwerkende personen, bestaande naast verdachte uit [medeverdachte 6] [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], de misdrijven waren:

- het plegen van (gewoonte- en/of opzet- en/of schuld-)witwassen;

- (gewoonte) heling.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet (ook) daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

TOELICHTING OP EN BEWIJSOVERWEGINGEN BIJ DE BEWEZENVERKLARING

Criminele herkomst

Aan verdachte is - onder meer - tenlastegelegd dat hij in de periode van 1 mei 2001 tot en met 15 april 2002 een (groot) aantal geldbedragen heeft witgewassen. In de tenlastelegging is dit voor de periode tot 14 december 2001 omschreven als (gewoonte)heling, subsidiair schuldheling. Voor de periode nadien is dit in de tenlastelegging omschreven als (gewoonte)witwassen, subsidiair schuldwitwassen. Deze “knip” wordt veroorzaakt door de inwerkingtreding van de witwasbepalingen in titel XXXa van het Wetboek van Strafrecht op 14 december 2001.

De delictsomschrijvingen gebaseerd op de artikelen 420bis en 420quater van het Wetboek van Strafrecht (witwasbepalingen) bevatten het bestanddeel “afkomstig uit enig misdrijf”. Om tot een bewezenverklaring van dit bestanddeel te komen behoeft volgens vaste jurisprudentie (Hoge Raad 27 september 2005, NJ 2006, 473 en Hoge Raad 28 september 2004, LJN: AP2124) uit de bewijsmiddelen niet te kunnen worden afgeleid dat de desbetreffende geldbedragen afkomstig zijn uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.

Een kleine drie maanden na voorlaatstgenoemd arrest heeft de Hoge Raad (20 december 2005, LJN: AU3951) zich (nogmaals) uitgelaten over een bewezenverklaring van de criminele herkomst van geldbedragen in witwaszaken. Dit keer in een zaak met feiten van voor 14 december 2001 die derhalve gebaseerd waren op de delictsomschrijving van opzetheling in artikel 416 van het Wetboek van Strafrecht. In dezelfde lijn als hiervoor omschreven achtte de Hoge Raad in dit arrest een bewezenverklaring van het bestanddeel van de delictsomschrijving van heling “door misdrijf verkregen goed” welke in geen enkel opzicht verwijst naar door wie, wanneer en waar een misdrijf concreet zou zijn begaan, toereikend gemotiveerd.

Hieruit volgt dat voor bewezenverklaring van “witwasfeiten” op welke delictsomschrijving deze feiten dan ook zijn toegesneden is vereist dat vast komt te staan dat de geldbedragen een criminele herkomst hebben, maar dat daarbij - kort gezegd - niet van een nauwkeurig aangeduid misdrijf behoeft te blijken.

Gelet op de aangehaalde jurisprudentie alsmede op de verwantschap, gelijke strekking en soortgelijke achtergrond, van de witwasbepalingen enerzijds en de helingsbepalingen (in witwaszaken) anderzijds, zoals één en ander ook blijkt uit de wetsgeschiedenis van titel XXXa van het Wetboek van Strafrecht (Kamerstukken II 1999-2000, 22 159, nr. 3), is aan genoemd vereiste voldaan indien uit de bewijsmiddelen kan volgen dat het in de gegeven omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de geldbedragen een criminele herkomst hebben.

Namens verdachte is aangevoerd dat door het openbaar ministerie niet is aangetoond dat van cambio’s als herkomst van het in het geding zijnde geld geen sprake kan zijn.

Deze stelling wordt gepasseerd als onvoldoende onderbouwd.

Gegeven de veelheid van feiten en omstandigheden, zoals hierna weergegeven, had het op de weg gelegen van verdachte, die op zich de geldstromen niet heeft betwist, om ten tijde van de ten laste gelegde periode bestaande, controleerbare gegevens te verschaffen met betrekking tot de herkomst van de gelden en de investeerder die de gelden ter beschikking stelde.

De verdediging kan zich, ter disculpatie, in dit kader niet beroepen op een onderzoek van professor Unger uit oktober 2005, nu niet is gesteld of anderszins is gebleken dat door verdachte destijds - ten tijde van de ten laste gelegde periode - onderzoek is gedaan naar omstandigheden die in genoemd onderzoek zijn onderzocht.

Uit het onderzoek op de terechtzitting blijkt van de navolgende feiten en omstandigheden, op grond waarvan de rechtbank tot het oordeel komt dat het niet anders kan zijn dan dat de in het geding zijnde geldbedragen een criminele herkomst hebben.

- Het te investeren vermogen betrof - in diverse valuta’s - vele tientallen miljoenen guldens contant geld veelal in kleine coupures;

- Waarvoor de daadwerkelijke investeerder - anders dan andere investeerders c.q. geldschieters betrokken bij Air Holland - geen enkele zekerheid heeft verkregen of afspraken heeft gemaakt over terugbetaling;

- De vele tientallen miljoenen guldens vanuit Nederland - na ontvangst van de investeerder - op een ongebruikelijke en risicovolle wijze in sport- en plastic tassen met de auto (verstopt onder de achterbank) naar het buitenland zijn gebracht en daar (onder meer in de parkeergarage van een hotel) zijn overgedragen aan buitenlandse tussenpersonen;

- De tussenpersonen voor hun geringe diensten (in relatie tot de grote hoeveelheid geld) hoge percentages provisie ontvingen, in sommige gevallen oplopend tot miljoenen guldens;

- Die tientallen miljoenen guldens contant geld veelal binnen enkele dagen - na storting bij wisselkantoren en/of buitenlandse banken - met gebruikmaking van rechtspersonen gevestigd op de Britse Maagdeneilanden, in Luxemburg en Engeland, door de tussenpersonen via (buitenlandse) bankrekeningen (giraal) op de bankrekening(en) van Nederlandse rechtsperso(o)n(en) terug kwamen;

- De herkomst en omvang van het vermogen van de daadwerkelijke investeerder (de begunstigde) op geen enkele wijze uit enig register dan wel andere openbare bron (met bescheiden) te controleren viel;

- de (daadwerkelijke) investeerder ook overigens geen enkele in het normale zakelijke verkeer gebruikelijke houvast bood die een legale herkomst (en reguliere opbouw) van een dergelijk omvangrijk vermogen zou kunnen verklaren;

- Over de herkomst van het zeer aanzienlijke vermogen van de daadwerkelijke investeerder daarentegen wisselende verhalen de ronde deden (te weten cambio’s, dan wel juwelen- en goudhandel, im- en export handel, drankwinkels in Suriname, onroerend goedprojecten in Suriname en horeca);

- Een verdachte onder bedreiging van een pistool verzocht is zijn medewerking te verlenen aan het transport van 5 miljoen gulden naar Air Holland;

- De investeerder nadat in Engeland door de Engelse autoriteiten een bedrag van ruim 6 miljoen gulden in beslag was genomen, anders dan gebruikelijk bij zo’n groot bedrag geen enkele poging ondernomen heeft om zijn geld (direct weer) terug te krijgen;

- Verdachten in woord en geschrift in gecodeerde taal over het geld spraken, waarbij soms zelfs de opdracht werd gegeven de tekst (van een e-mail) na lezing te vernietigen.

Wetenschap

Uit het voorgaande volgt dat de geldbedragen een criminele herkomst hebben. Voor een bewezenverklaring is voorts van belang dat vast komt te staan dat verdachte wist, de aanmerkelijk kans aanvaardde, ofwel redelijkerwijs moest vermoeden dat de (afzonderlijke) geldbedragen deze criminele herkomst hadden. In het algemeen en voor de afzonderlijke feiten wordt hieromtrent het volgende overwogen.

Uit het onderzoek op de zitting is het navolgende gebleken.

Algemeen

Verdachte heeft de latere investeerder van contant geld in Air Holland, [medeverdachte 3], voor het eerst ontmoet medio 1997. In 1998 is verdachte door [medeverdachte 3] gevraagd de boekhouding (waaronder de aangiftes) van [medeverdachte 3]’s bedrijf [naam bedrijf 4] te doen. Een bedrijf dat ondanks zijn miljoenenomzet, verlies leed en waarmee [medeverdachte 3] later is gestopt. Medio maart 2001 komt [medeverdachte 3] opeens op kantoor bij verdachte met de mededeling dat hij wil investeren in de luchtvaart, reizen en horeca. Hij had geld verdiend met de verkoop van zijn aandeel in wisselkantoren (cambio’s). Het geld had hij contant. Hoewel verdachte jarenlang de boekhouding voor [medeverdachte 3] heeft gedaan wist hij hier niets van. Hij weet ook niet hoeveel geld [medeverdachte 3] verdiend zou hebben met de verkoop van zijn aandeel in de cambio’s. [medeverdachte 3] heeft dat niet aan zijn boekhouder willen vertellen. Ook dat [medeverdachte 3] het geld echt contant heeft en niet contant op een bank, zoals gebruikelijk, verbaasde verdachte. Verdachte heeft in al deze - voor hem als boekhouder van [medeverdachte 3] nieuwe - omstandigheden geen aanleiding gezien daarover nadere informatie in te winnen. Kort daarop komt [medeverdachte 3] met enkele anderen wederom op het kantoor van verdachte. Nu met het verzoek of verdachte 5 miljoen gulden contant geld naar Air Holland kan brengen. Ter ondersteuning van het verzoek hield de broer van [medeverdachte 3] een pistool gericht op verdachte met de opmerking dat hij mee moest werken. Verdachte verklaart daarover ter terechtzitting dat het niet gebruikelijk is om dat bij een bespreking te doen. Ook het feit dat verdachte medeverdachte [medeverdachte 6] voor de ontvangst van het contante geld een ontvangstbewijs zou moeten laten tekenen op naam gesteld van een buitenlandse vennootschap, weerhoudt verdachte er niet van aan het verzoek van [medeverdachte 3] te voldoen. In de daaropvolgende periode van een jaar heeft verdachte vervolgens nog vele tientallen miljoenen contant geld voor [medeverdachte 3] vervoerd en via buitenlandse vennootschappen ontvangen op bankrekeningen van rechtspersonen waarvoor hij in opdracht van [medeverdachte 3] met de directie belast was.

Feit 1 [naam touroperator]

Verdachte heeft op verzoek van [medeverdachte 3] op 30 april 2001 een bedrag van 5 miljoen gulden contant geld van hem in ontvangst genomen en naar Air Holland vervoerd. Kort daarvoor was verdachte door de broer van [medeverdachte 3] nog met een pistool bedreigd teneinde het verzoek af te dwingen. Het geld was verpakt in een sporttas en bestond uit diverse coupures. Met betrekking tot de herkomst van het contante geld is verdachte afgegaan op de verklaring van [medeverdachte 3] dat het de opbrengst uit de verkoop van zijn aandeel in cambio’s betrof. Verdachte als jarenlange boekhouder van [medeverdachte 3] slechts bekend met verliesgevende bedrijfsactiviteiten van [medeverdachte 3] heeft deze opgave over de herkomst van de 5 miljoen gulden voor lief genomen.

Feit 4 Verenigd Koninkrijk

Op de bankrekening van een bedrijf van medeverdachte [medeverdachte 4] ([naam drukkerij]) is een bedrag van 4.8 miljoen ontvangen, afkomstig van een buitenlandse vennootschap gevestigd op de Maagdeneilanden. Kort voor de ontvangst van dit bedrag had verdachte, onder meer in zijn hoedanigheid van boekhouder van [naam drukkerij]zich samen met medeverdachte Gruijthijsen bemoeid met de geldleningovereenkomst gesloten tussen [naam drukkerij]en de buitenlandse vennootschap CENN. Verdachte was met medeverdachte [medeverdachte 4] mee naar Londen gevlogen teneinde de besprekingen te voeren met de directeur van de buitenlandse vennootschap ([medeverdachte 7]) en aanwezig te zijn bij de ondertekening. Verdachte was ervan op de hoogte dat [medeverdachte 7] de contactpersoon was waar medeverdachte [medeverdachte 6] het geld van [medeverdachte 3] naar toe had gebracht. [medeverdachte 3] had hem daarvoor verteld dat zijn (contante) geld via de Maagdeneilanden naar Nederland moest worden overgeboekt.

Feit 5 en 6 Luxemburg

Nadat [medeverdachte 7] in Engeland was aangehouden heeft verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 6] in diverse transporten vele tientallen miljoenen guldens (in diverse valuta’s) contant geld verpakt in plastic tassen voor [medeverdachte 3], na ontvangst van hem, naar Luxemburg vervoerd. Daar werd het, al dan niet in de parkeergarage van Hotel Royal in Luxemburg-stad, overhandigd aan tussenpersonen. Die tussenpersonen stortten het geld na aftrek van een provisie (van 5 % in het geval van een van hen) op een bankrekening van een buitenlandse vennootschap, die het geld vervolgens overmaakte naar Nederland, soms op de bankrekening van een bedrijf waarvoor verdachte voor [medeverdachte 3] de directie voerde. Het contante geld was daarmee giraal gemaakt. Voor zijn werkzaamheden declareerde verdachte maandelijks 20.000 gulden aan [medeverdachte 3]. Ter terechtzitting verklaart verdachte over deze werkwijze dat het, gezien al de tussenstappen, stortingen en overboekingen, een dure vorm van investeren is.

Gelet op deze omstandigheden en hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de criminele herkomst van het geld, heeft verdachte door aldus te handelen (telkens) willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het betreffende geld van misdrijf afkomstig was.

Criminele organisatie

Uit het onderzoek op de terechtzitting is onvoldoende gebleken dat verdachte (mede) leiding heeft gegeven aan - kort gezegd - een criminele organisatie, zoals ten laste is gelegd.

Wel is gebleken dat hij heeft deelgenomen aan een dergelijke organisatie.

Verdachte heeft immers in de periode van 19 maart 2001 tot en met april 2002 samen met anderen een intensief samenwerkingsverband gevormd dat was gericht op het witwassen van vele miljoenen.

Aannemelijk is dat dit samenwerkingsverband heeft geduurd gedurende de periode dat de bewezen verklaarde feiten hebben plaats gevonden.

De door de officier van justitie in zijn requisitoir genoemde omstandigheden, die zijns inziens wijzen op een voortduren van de criminele organisatie tot in 2004, zijn eerder te zien als incidenten dan als onderdeel van een gestructureerd samenwerkingsverband.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1 primair impliciet subsidiair.

Medeplegen van opzetheling.

4 primair impliciet subsidiair.

Medeplegen van opzetheling.

5 primair.

Medeplegen van een gewoonte maken van opzetheling.

6 primair.

Medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

7 impliciet subsidiair.

Deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar samen met anderen, in een georganiseerd verband, schuldig gemaakt aan het witwassen van vele tientallen miljoenen guldens en daarvan - op enig moment - een gewoonte gemaakt. Verdachte heeft als boekhouder van [medeverdachte 3], de investeerder van crimineel geld in Air Holland, gedurende die tijd vele tientallen miljoenen guldens contant geld voor [medeverdachte 3] vervoerd in binnen- en buitenland en actief meegewerkt aan het opzetten van constructies waardoor [medeverdachte 3] werd afgeschermd en het chartale geld giraal kon worden gemaakt.

Verdachte heeft er door zijn handelen aan bijgedragen dat opbrengsten van misdrijven aan het zicht worden onttrokken en daaraan een schijnbaar legale herkomst wordt verschaft. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten vergemakkelijkt, bevorderd en in stand gehouden. Daarnaast vormt het witwassen een bedreiging van de legale economie en een aantasting van de integriteit van het financiële en economische verkeer.

Als boekhouder leverde verdachte aldus een wezenlijke bijdrage aan de criminele organisatie. Door zijn handelen (als boekhouder) heeft hij voorts zijn beroepsgroep hiermee in een kwaad daglicht gesteld. Ook dit wordt hem aangerekend.

Op de feiten als bewezen verklaard kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van geruime duur.

Uit het onderzoek op de terechtzitting blijkt dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld.

Een deel van de voorgenomen gevangenisstraf zal voorwaardelijk worden opgelegd als stimulans voor verdachte om zich in de toekomst niet opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten.

Alles afwegende wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 47, 57, 416, 417, 420bis, en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2, 3, 4 primair impliciet primair en onder 7 impliciet primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair impliciet subsidiair, 4 primair impliciet subsidiair, 5 primair, 6 primair en onder 7 impliciet subsidiair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

- stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

- verklaart de verdachte strafbaar;

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de tijd van 28 (achtentwintig) maanden

- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

- stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. Bezuijen, voorzitter,

en mrs. Reekum en Janssen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Bernard, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 december 2006.