Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ4143

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-09-2006
Datum publicatie
12-12-2006
Zaaknummer
677904
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een verzorgingshuis vordert van erfgenamen betaling van kosten van o.a. de huur van een rolstoelbus. De erfgenamen bestwisten de vordering en voeren o.a. aan dat zij nog geen erfgenamen zijn, omdat zij de erfenis nog niet (benificiair) hebben aanvaard. Verder voeren zij aan dat niet zij, maar hun moeder had moeten worden aangesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VONNIS VAN DE RECHTBANK ROTTERDAM

sector kanton

in de zaak van:

de stichting

STICHTING HERVORMD DIAKONALE GEZONDHEIDSZORG

GOEREE-OVERFLAKKEE,

gevestigd te Sommelsdijk,

eiseres,

gemachtigde: Maas-Delta deurwaarders te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te [woonplaats],

verschenen in persoon,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. M.A. de Wit (DAS Rechtsbijstand te Amsterdam)

en

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. D.E. Roomer (Stichting Rechtsbijstand te Tilburg),

gedaagden.

Partijen worden hierna aangeduid als de Stichting, respectievelijk de kinderen [erflater]. Waar gedaagden afzonderlijk worden aangeduid, zullen zij worden aangeduid als

[gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] c.q. [gedaagde sub 3].

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- inleidende exploten van dagvaarding van 19, 21 en 25 oktober 2005;

- conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde sub 1];

- conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde sub 2], met producties;

- conclusie van antwoord van de zijde van [gedaagde sub 3], met één productie;

- conclusie van repliek;

- conclusie van dupliek van de zijde van [gedaagde sub 1];

- conclusie van dupliek van de zijde van [gedaagde sub 2], met één productie;

- conclusie van dupliek van de zijde van [gedaagde sub 3].

2. De feiten

2.1. De Stichting exploiteert (o.m.) een verzorgingshuis te Sommelsdijk, De Goede Ree. Tot zijn overlijden op 19 mei 2002 is [erflater] in dit verzorgingshuis verzorgd. Ten tijde van zijn overlijden was [erflater] gehuwd met [echtgenote]. [erflater] – hierna ook aan te duiden als de vader – heeft drie kinderen achtergelaten.

2.2. Bij testament van 4 maart 1983 heeft wijlen [erflater] over zijn nalatenschap beschikt.

In dit testament is onder meer opgenomen:

Ik legateer aan mijn echtgenote, mevrouw [echtgenote], zulks ter voldoening aan mijn verzorgingsplicht jegens haar, het levenslang zakelijk recht van vruchtgebruik van mijn gehele nalatenschap,

zulks onder vrijstelling van de verplichting tot zekerheidstelling en onder toekenning aan de vruchtgebruikster van het volledige beheer van de nalatenschap voor wat betreft het innen van vorderingen, het beschikken over bank- en girotegoeden en het vervreemden van niet-registergoederen, het voldoen van tot de nalatenschap behorende schulden en het beleggen of herbeleggen van vrijkomende geldmiddelen.

Dit vruchtgebruik zal ingaan per de dag van mijn overlijden en eindigen per de dag van overlijden van de vruchtgebruikster.

De vruchtgebruikster zal verplicht zijn om binnen een jaar na mijn overlijden een boedelbeschrijving van mijn nalatenschap te doen opmaken, bij notariële akte.

Onder de last van gemeld legaat van vruchtgebruik benoem ik tot erfgenamen mijner nalatenschap: mijn kinderen, ieder voor een gelijk deel.

2.3. De kinderen [erflater] hebben nog geen keuze gemaakt tussen het (beneficiair) aanvaarden van de nalatenschap en het verwerpen ervan.

3. Het geschil

3.1. De Stichting vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de kinderen [erflater] zal veroordelen tot betaling van € 1.876,13, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 1.462,47 vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening, met veroordeling van de kinderen [erflater] in de kosten van de procedure.

Aan haar vordering heeft de Stichting ten grondslag gelegd dat zij een vordering van

€ 1.462,47 op wijlen [erflater] heeft, die nog niet voldaan is. De vordering heeft betrekking op het gebruik van een rolstoelbus en op logeertarief in het verzorgingshuis De Goede Ree.

Naast deze hoofdsom vordert de Stichting rente tot datum dagvaarding (€ 89,98) en buitengerechtelijke kosten (€ 323,68 inclusief BTW).

3.2. De kinderen [erflater] betwisten de vordering van de Stichting gemotiveerd en concluderen tot afwijzing van die vordering. [gedaagde sub 2] heeft gevorderd om de ten laste van de Stichting uit te spreken kostenveroordeling bij voorraad uitvoerbaar te verklaren.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. De kinderen van [erflater] stellen alle drie dat zij (nog) geen erfgenaam zijn in de nalatenschap van wijlen hun vader omdat zij nog geen keuze hebben gemaakt tussen (beneficiaire) aanvaarding en verwerping van de nalatenschap van wijlen hun vader.

In deze stelling kunnen zij niet gevolgd worden: [erflater] heeft zijn (drie) kinderen bij testament tot erfgenaam benoemd en daarmee zijn zij sinds zijn overlijden erfgenaam van zijn nalatenschap. Daarvoor is geen nadere rechtshandeling (in de vorm van aanvaarding of verwerping van de nalatenschap) noodzakelijk. Uitsluitend de erfgenamen kunnen immers een nalatenschap aanvaarden of verwerpen.

4.2. Een kwestie van andere orde is de vraag of de kinderen van [erflater] aangesproken kunnen worden voor een schuld van de nalatenschap, die na het overlijden van de erflater is blijven bestaan.

4.3. De kinderen van [erflater] beantwoorden deze vraag allen ontkennend. In dit verband verwijzen zij alle drie naar het testament van hun vader, waarin is opgenomen dat de vruchtgebruikster het volledig beheer van de nalatenschap heeft voor wat betreft ‘… het voldoen van de schulden van de nalatenschap’. Zij menen dat om deze reden de weduwe gedagvaard had moeten worden en niet zij.

De weduwe is als vruchtgebruikster echter geen erfgenaam van de nalatenschap en heeft dan ook de schuld van de Stichting niet geërfd; als schuldenares is zij dan ook in rechte niet aan te spreken. Wel kan zij als vruchtgebruikster van de nalatenschap in rechte betrokken worden, maar in dat geval blijft overeind dat zij de schuld niet uit eigen vermogen behoeft te voldoen, doch dat die voldoening slechts behoeven te worden voldaan uit de tot het vruchtgebruik behorende goederen.

4.4. De kinderen van [erflater] voeren in dit verband ook nog aan dat zij niet gehouden zijn tot voldoening van de schuld van wijlen hun vader omdat zij niet over gelden van de nalatenschap kunnen beschikken, gelet op de testamentaire making aangaande het vruchtgebruik.

Ook in deze stelling kunnen de kinderen [erflater] niet gevolgd worden. Doordat de kinderen de enig erfgenamen in de nalatenschap van hun vader zijn, zijn zij – zolang zij de erfenis niet hebben verworpen – de hoofdgerechtigden in die nalatenschap, zij het dat zij gebonden zijn aan de beperkingen die vruchtgebruik nu eenmaal met zich brengt.

4.5. Dit alles wil echter niet zeggen dat er geen haken en ogen aan de vordering van de Stichting kleven.

In dit verband is niet echt van belang dat de vader is overleden vóór 1 januari 2003, de datum waarop het huidige erfrecht in werking trad.

Hoewel het onder het oude recht betwist was of de schulden van de nalatenschap zonder meer op de erfgenamen overgingen dan wel of voor de overgang van die schulden van de erflater op de erfgenamen de erfgenamen de nalatenschap dienden te aanvaarden, is aan deze onzekerheid met het huidige recht een einde gemaakt: de erfgenamen van de overledene worden van rechtswege schuldenaar van de schulden van de erflater die niet met zijn dood zijn tenietgegaan (artikel 4:182 lid 2 BW). Ingevolge het bepaalde in artikel 135 Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek geldt dit ook voor de erfgenamen die vóór 1 januari 2003 in een nalatenschap zijn opgekomen en vóór die datum nog niet tot aanvaarding van de nalatenschap waren overgegaan.

4.6. De problemen zitten echter in een heel andere hoek.

4.6.a. Om te beginnen geldt dat bij ‘deelbare prestaties’ - waarvan in dit geval sprake is -, ieder van de erfgenamen in beginsel slechts verbonden is voor een deel, evenredig aan zijn erfdeel. Feiten en/of omstandigheden, die een uitzondering op dit beginsel zouden rechtvaardigen, zijn gesteld noch gebleken, zodat het ervoor gehouden moet worden dat de kinderen [erflater] niet verder aangesproken kunnen worden dan voor ieders deel in de nalatenschap.

Dit betekent dat, zolang de nalatenschap niet door een van de erfgenamen is verworpen, ieder van de drie kinderen slechts voor 1/3 van de schuld verbonden is.

In de vraag om een specificatie van de vordering leest de kantonrechter een betwisting van de hoogte van de vordering. Het ligt dus nog op de weg van de Stichting om haar vordering alsnog te specificeren.

4.6.b. Uitgaande van de veronderstelling dat te zijner tijd de kinderen van [erflater] kunnen worden veroordeeld tot betaling van 1/3 van de openstaande schuld, dan rijst een volgend probleem. Zolang een erfgenaam een nalatenschap niet zuiver heeft aanvaard, is deze erfgenaam niet gehouden tot betaling van een schuld uit de nalatenschap uit zijn eigen vermogen. In het voorliggende geval betekent dit dat, ook met een veroordelend vonnis in de hand, er tegen de kinderen van [erflater] geen executiemaatregelen kunnen worden getroffen zolang zij de nalatenschap van hun vader niet zuiver hebben aanvaard.

Uiteraard staat het hen in dit geval wel vrij om tot betaling over te gaan, in welk geval zij van de vruchtgebruikster kunnen verlangen dat deze de schuld voldoet. Doch ook de vruchtgebruikster is niet gehouden om de schuld uit eigen middelen te voldoen. De kinderen van [erflater] kunnen in dit geval slechts van de vruchtgebruikster verlangen dat deze door hen betaalde schuld voldoet uit de tot het vruchtgebruik behorende goederen (zie artikel 3:222 lid 1 BW).

4.7. Wanneer het tot een veroordeling van de kinderen [erflater] komt, kan het niet anders dan dat de boven weergegeven beperkingen in dat vonnis worden opgenomen.

4.8. De zaak zal naar de openbare rolzitting worden verwezen voor het in het geding brengen van een specificatie van de vordering. De kinderen van [erflater] krijgen dan nog de gelegenheid om op die specificatie te reageren.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- verwijst de zaak naar de openbare rolzitting van 26 oktober 2006 te 10.00 uur

voor uitlaten aan de zijde van de Stichting met het hierboven weergegeven doel;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.C.W.M. Dekkers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting.