Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ3434

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
30-11-2006
Zaaknummer
714496
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser vordert van gedaagde een schadevergoeding. Eiser had gedaagde -een advocaat- eerder ingeschakeld als gemachtigde in een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen eiser en diens werkgever. Gedaagde was destijds als gemachtigde niet ter zitting verschenen en had geen verweerschrift ten behoeve van eiser ingediend. De arbeidsovereenkomst is door de kantonrechter ontbinding, waarbij aan eiser geen vergoeding werd toegekend, omdat het verwijt aan zijn kant lag. Eiser vordert in deze procedure vergoeding van de dientengevolge geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 34

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector kanton

VONNIS

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser bij exploot van dagvaarding van 24 maart 2006,

gemachtigde: P. Krebbers te Rotterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.A.K. Rahman te Rotterdam.

1. Het verloop van de procedure

Eiser heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te veroordelen aan eiser te betalen € 4.863,00 met rente en kosten zoals in de dagvaarding omschreven.

Tegen gedaagde is verstek verleend.

Gedaagde heeft het tegen hem verleende verstek tijdig gezuiverd en alsnog een conclusie van antwoord genomen.

Eiser heeft van repliek gediend.

Gedaagde heeft uitstel voor het nemen van een conclusie van dupliek verkregen, doch heeft daarna, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd.

Vervolgens heeft de kantonrechter de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

De aan het geschil ten grondslag liggende feiten kunnen, voor zover erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken, alsook voor zover blijkende uit de overgelegde en in zoverre niet betwiste producties, voor zover thans van belang, als volgt worden samengevat:

- Eiser heeft zich gewend tot gedaagde met het verzoek om hem als advocaat bij te staan in een door de werkgever van eiser op 11 oktober 2002 ingediend verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst;

- Gedaagde heeft de opdracht van eiser geaccepteerd en een toevoeging aangevraagd en verkregen bij de Raad voor de Rechtsbijstand;

- Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is behandeld door de kantonrechter te Delft op 5 november 2002. Eiser is ter zitting aanwezig geweest;

- Gedaagde is ter zitting van 5 november 2002 niet aanwezig geweest. Gedaagde heeft geen verweerschrift ingediend;

- De arbeidsovereenkomst is door de kantonrechter te Delft ontbonden op 14 november 2002 wegens een verandering van omstandigheden die het gevolg is van aan [eiser] te verwijten gedragingen. Er is geen vergoeding toegekend;

- Op 18 december 2002 heeft UWV GAK beslist dat aan eiser geen WW-uitkering kan worden verstrekt omdat hij verwijtbaar werkloos is geworden. Op 28 januari 2003 heeft eiser bezwaar doen maken tegen deze beslissing. Op 5 juni 2003 is het bezwaar gegrond verklaard en is aan eiser met ingang van 18 november 2002 een

WW-uitkering toegekend.

- Op 7 februari 2005 heeft de Raad van Discipline in het ressort ’s-Gravenhage een klacht van eiser gegrond verklaard en de maatregel van berisping opgelegd aan gedaagde. De Raad van Discipline oordeelt dat gedaagde niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt door geen verweerschrift in te dienen en onvoldoende maatregelen te nemen om eiser ter zitting te kunnen bijstaan. Voorts heeft de Raad van Discipline geoordeeld dat gedaagde niet heeft gehandeld zoals het een behoorlijk advocaat betaamt door de beschikking van de kantonrechter eerst op 2 december 2002 aan eiser toe te zenden. Het Hof van Discipline heeft de beslissing van de Raad van Discipline op 22 augustus 2005 bekrachtigd.

3. Het geschil en de stellingen van partijen

3.1 Eiser heeft, naast de hiervoor beschreven vaststaande feiten en voor zover thans van belang, het volgende aan zijn vordering ten grondslag gelegd.

Gedaagde is ernstig tekortgeschoten in de nakoming van zijn opdracht doordat iedere vorm van belangenbehartiging is uitgebleven. Daardoor heeft eiser schade geleden. Gedaagde had diverse mogelijkheden om verweer te voeren. Wanneer hij dat had gedaan, is aannemelijk dat de kantonrechter de gewijzigde omstandigheden in de arbeidsrelatie niet aan eiser had verweten, waardoor een ontbindingsvergoeding zou zijn toegekend. Dat de ontbindingsprocedure anders had kunnen lopen wanneer verweer zou zijn gevoerd, blijkt onder meer uit de bezwaarprocedure in het kader van de WW-uitkering.

3.2 Gedaagde heeft tegen de vordering van eiser het navolgende verweer gevoerd.

De dagvaarding is nietig omdat niet gedaagde, de heer [gedaagde] te [woonplaats], maar

mr. [gedaagde] h.o.d.n. Karkache Advocaten te Rotterdam eiser korte tijd heeft geadviseerd. De gedagvaarde persoon en de plaats van betekening zijn onjuist.

Eiser is door de broer van gedaagde als klant aangebracht en hij was steeds aanwezig bij besprekingen. Eiser had tijdens de gesprekken geen stukken van het kantongerecht bij zich. De heer Rahman heeft na het gesprek nog gezegd dat het hem bevreemdt dat klanten altijd met losse brieven komen en wij de rest maar dienen op te lossen.

Na de zitting heeft gedaagde eiser niet gesproken omdat gedaagde die middag bij zijn vrouw in het ziekenhuis was. Eiser legde steeds onbetrouwbare en leugenachtige verklaringen af.

Door niet te zeggen wanneer de zitting was, kon gedaagde onmogelijk ter zitting verschijnen. Het verweer zou worden ingediend na ontvangst van stukken van het kantongerecht. Eiser had over deze stukken kunnen beschikken, maar heeft dat steeds ontkend. Op de dag van de zitting was gedaagde de gehele dag afwezig en hij is niet gebeld door eiser.

De beschikking is met eiser op kantoor van gedaagde besproken voordat de beschikking aan hem werd toegezonden.

Eiser lijdt geen schade, omdat hij uiteindelijk een WW-uitkering heeft ontvangen.

De relatie tussen eiser en zijn werkgever was zodanig gebrouilleerd dat een ontbindingsvergoeding niet op zijn plaats zou zijn geweest. De ontbinding is aan eiser te wijten. Het is bepaald niet aannemelijk dat de kantonrechter een vergoeding zou hebben toegekend. De tuchtrechtelijke uitspraken vestigen geen aansprakelijkheid. Het onrechtmatig handelen moet komen vast te staan en bovendien dient sprake te zijn van een causaal verband tussen het handelen en de schade.

3.3 Voor de verdere stellingen van partijen wordt verwezen naar de gewisselde processtukken, die als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en voor zover nodig zullen die stellingen worden besproken in het kader van de beoordeling van de vordering.

4. De beoordeling van de vordering

4.1 Ten aanzien van het door gedaagde gedane beroep op nietigheid van de door eiser uitgebrachte dagvaarding is de kantonrechter, gelet op het bepaalde in artikel 122 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), van oordeel dat door gedaagde geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden zijn gesteld en onderbouwd waaruit blijkt dat hij daardoor op onredelijke wijze in zijn belangen is geschaad.

De kantonrechter stelt vast dat de dagvaarding in persoon aan gedaagde is betekend en dat in de dagvaarding bovendien is vermeld dat gedaagde in zijn hoedanigheid van advocaat en bovendien op zijn kantooradres wordt gedagvaard. Derhalve zal de kantonrechter dit onderdeel van het verweer als onvoldoende gemotiveerd passeren.

4.2 Gedaagde stelt zich op het standpunt dat eiser hem niet goed heeft geïnformeerd over de ontvangst van stukken met betrekking tot de ontbindingsprocedure, waardoor het aan eiser te wijten is dat geen verweerschrift is ingediend en dat gedaagde niet ter zitting is verschenen. Dit door gedaagde bij antwoord opgeworpen verweer is door eiser bij repliek gemotiveerd bestreden, en vervolgens door gedaagde, hoewel daartoe behoorlijk in de gelegenheid gesteld, onweersproken gelaten.

De kantonrechter oordeelt dat, zelfs wanneer gedaagde het gelijk aan zijn zijde heeft, dit hem niet kan disculperen. Van een advocaat die een opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand accepteert, mag redelijkerwijs worden verwacht dat hij, wetende dat een ontbindingsverzoek is ingediend, maatregelen neemt om ervoor zorg te dragen dat hij tijdig op de hoogte is van de datum van de te houden zitting. Wanneer de rechtzoekende deze informatie niet kan of wil verstrekken, behoort het tot de verantwoordelijkheid van een advocaat om vervolgens zelf te onderzoeken wanneer de zitting gehouden wordt en ervoor zorg te dragen dat hij op de zitting aanwezig is dan wel zich er tijdig van verzekert dat een uitstel wordt verleend. Door dit na te laten heeft gedaagde de aan hem verleende en door hem geaccepteerde opdracht niet naar behoren uitgevoerd en dit levert een tekortkomen aan de zijde van gedaagde op dat aan hem moet worden toegerekend.

Voor zover gedaagde verweer voert met betrekking tot onrechtmatige daad, kan dit verweer onbesproken blijven, nu de vordering niet op onrechtmatige daad, maar op toerekenbaar tekortkomen in de nakoming van de overeenkomst van opdracht is gegrond.

De verweren die betrekking hebben op het verzenden van de beschikking van de kantonrechter, de aanwezigheid van gedaagde op de dag van de zitting en de vraag of eiser ter zitting van de kantonrechter een aanhouding heeft gevraagd, hebben geen invloed op het hiervoor gegeven oordeel, zodat deze weren verder onbesproken blijven.

4.3 De hoogte van de door eiser gevorderde schadevergoeding, waarvan de hoogte gebaseerd is op een neutrale ontbindingsvergoeding conform de kantonrechterformule, is door eiser behoorlijk gemotiveerd. Gelet op de aard van de in deze procedure vaststaande tekortkoming van gedaagde jegens eiser is de kantonrechter van oordeel dat het op de weg van gedaagde zou hebben gelegen om aan de hand van de door eiser in het geding gebrachte stukken en eventueel verdere door gedaagde in het geding te brengen stukken, voldoende feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen waaruit zou blijken dat indien gedaagde zijn verplichtingen ingevolge de onderhavige overeenkomst van opdracht wel juist zou zijn nagekomen, een dergelijke vergoeding in redelijkheid bovenmatig te achten zou zijn.

De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde dit verweer onvoldoende gemotiveerd heeft gevoerd, zodat daaraan thans zal worden voorbijgegaan. De door eiser gevorderde schadevergoeding komt de kantonrechter niet onredelijk of bovenmatig voor, en zal dan ook worden toegewezen.

4.4 Als de in het ongelijk gestelde partij zal gedaagde worden verwezen in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt gedaagde om aan eiser tegen kwijting te betalen € 4.863,00 (vierduizend achthonderddrieenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf 3 januari 2006 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiser vastgesteld op € 280,87 aan verschotten en op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. van Die en uitgesproken ter openbare terechtzitting.