Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2006:AZ3042

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
27-11-2006
Zaaknummer
242269 / HA ZA 05-2013
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op ontbreken van procesbevoegdheid. Wederpartij natuurlijk persoon noch rechtspersoon. In de wet en rechtspraak geformuleerde uirzonderingen van toepassing? Wederpartij aan te merken als openbare maatschap in de zin van artikel 7A:1655 BW? Beroep op artikel 51 lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 585

Uitspraak

R E C H T B A N K R O T T E R D A M

sector civiel recht

Zaak-/rolnummer: 242269 / HA ZA 05-2013

Uitspraak: 18 oktober 2006

VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:

[eiser], handelende onder de naam Netwerkwijs,

wonende te [woonplaats],

eiser,

procureur mr. S.D. van Harmelen,

- tegen -

het regionaal openbaar lichaam ROM RIJNMOND,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde,

procureur mr. J.C. Moree,

advocaat mr. M.C. van Meppelen Scheppink.

Partijen worden hierna aangeduid als "[eiser]" respectievelijk "ROM Rijnmond".

Het verloop van het geding blijkt uit het griffiedossier. De rechtbank heeft daarvan kennis genomen.

1. De vaststaande feiten

1.1 [eiser] drijft onder de handelsnaam Netwerkwijs een adviesbureau voor ruimtelijke ordening en milieu, organisatie en communicatie.

1.2 Op 28 april 1998 hebben De Staat der Nederlanden, het provinciaal bestuur van Zuid-Holland, de Stadsregio Rotterdam, de gemeentebesturen van Rotterdam en een aantal omringende gemeenten, het bestuur van de Stichting Europoort Botlek Belangen, het bestuur van de Kamer van Koophandel Rotterdam en het bestuur van de SVZ Havenondernemers-vereniging Rotterdam (hierna: de convenantpartners) een beleidsconvenant ondertekend, met als doel - kort samengevat - het tot stand laten komen van projecten en andere initiatieven gericht op de ontwikkeling van een verantwoord evenwicht tussen de versterking van de mainport Rotterdam en de verbetering van de leefomgeving.

1.3 Het beleidsconvenant bestaat onder meer uit de volgende artikelen:

Artikel 2.

Missie en doelstellingen

Partijen streven naar een verantwoord evenwicht tussen de versterking van de mainport Rotterdam en de verbetering van de leefomgeving. Zij streven naar het tot stand laten komen van projecten en andere initiatieven die op die ontwikkeling zijn gericht en zullen zich inspannen voor de verwezenlijking daarvan.

Partijen hanteren voor het projectgebied als hoofddoelstelling: Het bevorderen van de verdere ontwikkeling van de mainport in samenhang met de verbetering van de leefbaarheid in het projectgebied. Als sub-doelstellingen zijn geformuleerd:

A het scheppen van ruimte voor de mainport

B het verbeteren van de bereikbaarheid van de mainport

C het zoveel mogelijk terugdringen van de nadelige milieu-effecten die met de mainport samenhangen

D het bevorderen van een met de mainport samenhangend zuinig en efficiënt gebruik van energie en grondstoffen

E het bevorderen van de ruimtelijke kwaliteit

Artikel 5.

In de financiële meerjarenraming Bijlage B zijn de financiële consequenties van de projecten weergegeven. Aangegeven is welke uitgaven reeds zijn gedekt (vet gedrukt). Partijen bevestigen dat deze bedragen tijdig beschikbaar zullen worden gesteld, onder het voorbehoud dat de voor elke partij geldende budgettaire kaders dat mogelijk maken.

Voor alle overige noodzakelijke uitgaven geldt dat partijen zich, met inachtneming van de door hen geldende budgettaire kaders en regels, zullen inspannen om tijdig afdoende financiële voorzieningen te treffen.

Artikel 11.

Voor de bewaking en de verdere besluitvorming over de uitvoering van de projecten (zie artikel 4) stellen partijen de uitvoeringsorganisatie ROM-Rijnmond in. Deze uitvoeringsorganisatie kent als hoogste orgaan een bestuurlijk overleg met een dagelijks bestuur en bestaat voorts uit een programmadirecteur, een programmabureau en een Overleg- en Coördinatiegroep ROM-Rijnmond (OCR).

Artikel 12 – Bestuurlijk Overleg

Taken van het Bestuurlijk Overleg

Het Bestuurlijk Overleg heeft als taak toezicht te houden op de uitvoering van het Plan van Aanpak en het beleidsconvenant door met name:

. (…);

. Aanvullende financiële afspraken te maken die in het belang zijn van de uitvoering van het Plan van Aanpak en het beleidsconvenant.

Artikel 17

Partijen zullen de kosten van de uitvoeringsorganisatie ROM-Rijnmond (onder meer de kosten van de monitoring) gezamenlijk dragen. Over de verdeling van deze kosten zal jaarlijks een besluit worden genomen op basis van de begroting. De programmadirecteur legt jaarlijks aan het dagelijks bestuur van het Bestuurlijk Overleg een begroting en een jaarrekening voor.

1.4 [eiser] heeft in opdracht van ROM Rijnmond in 2003 80 uur aan werkzaamheden verricht terzake van projectbegeleiding van het Pegasustraject. De in verband hiermee door [eiser] aan ROM Rijnmond verzonden declaraties zijn aan hem betaald.

2. Het geschil

2.1 De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad ROM Rijnmond te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 11.900,-- (inclusief BTW), vermeerderd met rente ten bedrage van € 540,30 en met buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 904,--.

2.2 [eiser] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat hij in 2004 werkzaamheden heeft verricht in opdracht van ROM Rijnmond. Voor de in 2004 verrichte werkzaamheden heeft [eiser] op 6 oktober 2004 een declaratie aan ROM Rijnmond verstuurd ten bedrage van € 4.000,-- exclusief BTW, en op 15 november 2004 een einddeclaratie ten bedrage van € 6.000,-- exclusief BTW. ROM Rijnmond heeft nagelaten deze declaraties te betalen.

2.3 ROM Rijnmond heeft de vordering van [eiser] gemotiveerd betwist.

3. De beoordeling

3.1 [eiser] heeft aanvankelijk gesteld dat ROM Rijnmond een publiekrechtelijke rechtspersoon is op grond van artikel 8 Wet Gemeenschappelijke Regelingen en artikel 8 van de Kaderwet bestuur in verandering. Tussen partijen is echter inmiddels komen vast te staan dat aan ROM Rijnmond geen gemeenschappelijke regeling ten grondslag ligt. Ter beantwoording ligt derhalve allereerst de vraag voor of ROM Rijnmond als zodanig in rechte kan worden betrokken.

ROM Rijnmond heeft zich voor alle weren beroepen op het ontbreken van de bevoegdheid van ROM Rijnmond om als procespartij op te treden. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat ROM Rijnmond noch een natuurlijk persoon noch een rechtspersoon is, maar slechts een uitvoeringsorganisatie belast met de bewaking van en de verdere besluitvorming over de uitvoering van een aantal projecten, die de convenantpartners in het kader van het beleidsconvenant zijn overeengekomen. ROM Rijnmond heeft voorts aangevoerd dat zij niet in eigen naam rechtshandelingen verricht, maar slechts namens de convenantpartners en ten laste van hen. ROM Rijnmond stelt voorts niet over een eigen afgescheiden vermogen te beschikken.

[eiser] heeft de stellingen van ROM Rijnmond op dit punt gemotiveerd betwist. De rechtbank overweegt het volgende.

3.2 Voorwaarde voor het verrichten van processuele handelingen is het bezit van procesbevoegdheid. Procesbevoegdheid komt in beginsel slechts toe aan natuurlijke personen en rechtspersonen. Op deze hoofdregel bestaat een aantal in de wet en in de rechtspraak geformuleerde uitzonderingen. Zo kunnen de vennootschap onder firma en de commanditaire vennootschap in rechte optreden, aangezien beide beschikken over een afgescheiden vermogen. Een andere uitzondering wordt aangenomen indien het toekennen van procesbevoegdheid aan een entiteit noodzakelijk is teneinde het recht op een effectieve toegang tot de rechter te effectueren.

3.3 [eiser] heeft aangevoerd dat aan ROM Rijnmond procesbevoegdheid toekomt, omdat sprake is van een uitzondering op de hierboven weergegeven hoofdregel. [eiser] heeft daartoe gesteld dat ROM Rijnmond beschikt over een eigen afgescheiden vermogen, hetgeen moet worden afgeleid uit de inhoud van de artikelen 2, 12 en 17 van het beleidsconvenant en uit de omstandigheid dat ROM Rijnmond gebruik maakt van een eigen girorekening.

Anders dan [eiser] komt de rechtbank tot het oordeel dat ROM Rijnmond niet de beschikking heeft over een eigen afgescheiden vermogen. Artikel 17 van het beleidsconvenant bepaalt immers dat partijen gezamenlijk de kosten van ROM Rijnmond dragen, en dat daartoe jaarlijks een begroting wordt gemaakt. Hieruit volgt dat de kosten niet door ROM Rijnmond zelf worden gedragen. Overigens blijkt ook uit de door [eiser] als productie 2 bij dagvaarding in het geding gebrachte brief van ROM Rijnmond dat de door [eiser] in 2003 verrichte werkzaamheden werden vergoed uit een externe bron, en niet vanuit enig eigen vermogen van ROM Rijnmond. In deze brief schrijft J. Laan, directeur ROM Rijnmond, immers aan [eiser]: “De vergoeding voor jouw inzet zal door ons moeten worden gedekt uit het door Eurocities voor dit doel beschikbare gestelde personele budget (en de onderliggende subsidiebijdrage vanuit de Europese Commissie).”. Of ROM Rijnmond voor uitbetaling van dit bedrag aan [eiser] heeft zorggedragen doet daar niet aan af en kan derhalve in het midden blijven.

3.4 Daarnaast voert [eiser] aan dat ROM Rijnmond beschikt over een eigen kantoor en een postadres, als entiteit en in eigen naam naar buiten treedt en deelneemt aan het rechtsverkeer, en in eigen naam rechtshandelingen aangaat. De rechtbank oordeelt dat al deze door [eiser] geschetste omstandigheden, indien juist, onvoldoende zijn om te komen tot de beslissing dat ROM Rijnmond moet worden aangemerkt als een entiteit met procesbevoegdheid. Dit oordeel van de rechtbank wordt niet anders door de omstandigheid dat ROM Rijnmond in de onderhavige procedure is verschenen, nu ROM Rijnmond nadrukkelijk heeft aangegeven met het verschijnen in de procedure niet te erkennen procesbevoegd te zijn.

3.5 [eiser] heeft voorts aangevoerd dat sprake is van een uitzondering op de hoofdregel, omdat [eiser] ingeval aan ROM Rijnmond geen procesbevoegdheid zou toekomen, de 23 convenantpartners afzonderlijk zou moeten dagvaarden, waardoor een onaanvaardbaar gebrek aan rechtsbescherming zou optreden, alsmede strijd met een doelmatige procesvoering.

3.6 Ook deze stelling van [eiser] faalt. Anders dan in het door de Hoge Raad bij arrest van 3 december 1993 behandelde geschil (HR 3 december 1993, NJ 1994, 375), is in het onderhavige geval geen sprake van het afsnijden van de weg naar de burgerlijke rechter voor [eiser], indien wordt aangenomen dat aan ROM Rijnmond geen procesbevoegdheid toekomt. [eiser] beschikt immers over de mogelijkheid de convenantpartners zelf in rechte te betrekken. Hoewel dit van [eiser] een extra inspanning zal vergen, is deze inspanning niet zodanig dat daarmee een onaanvaardbaar gebrek aan rechtsbescherming zal optreden, of dat deze inspanning in de weg zou staan aan een doelmatige procesvoering.

3.7 [eiser] heeft subsidiair aangevoerd dat een uitzondering op de hoofdregel te gelden heeft, nu ROM Rijnmond moet worden aangemerkt als een openbare maatschap, die namens haar vennoten in rechte kan worden betrokken.

3.8 Voor het bestaan van een openbare maatschap in de zin van artikel 7A:1655 BW is onder meer vereist dat de samenwerking als oogmerk heeft vermogensrechtelijk voordeel te behalen alsmede dit voordeel onder elkaar te verdelen. Zoals ROM Rijnmond terecht betoogt is daarvan in dit geval geen sprake. Het doel van ROM Rijnmond is immers, als omschreven in artikel 2 van het beleidsconvenant, het bevorderen van de verdere ontwikkeling van de mainport in samenhang met de verbetering van de leefbaarheid in het projectgebied. Uit het vervolg van het beleidsconvenant en uit de als bijlage A aangehechte projectomschrijvingen volgt dat het daarbij gaat om verbetering van infrastructurele voorzieningen, verbetering van het woon- en leefmilieu, optimaliseren van de beschikbare ruimte en het uitbreiden van natuur- en recreatiegebied. De doelstelling van ROM Rijnmond is derhalve niet zozeer het behalen van vermogensrechtelijk, maar met name van een ideëel voordeel en voldoet daarmee niet aan het vereiste voor een openbare maatschap.

Dit leidt tot de conclusie dat ROM Rijnmond niet als maatschap kan worden aangemerkt. Het terzake door [eiser] gevoerde betoog treft derhalve geen doel.

3.9 [eiser] heeft tevens aangevoerd dat in de tenaamstelling van de dagvaarding op “ROM Rijnmond” alle 23 convenantpartners gelezen dienen te worden. De rechtbank begrijpt deze stelling van [eiser] aldus dat [eiser] een beroep doet op het bepaalde in artikel 51 lid 2 Rv, op grond waarvan een exploot ten laste van de gezamenlijke vennoten van een maatschap die op een voor derden duidelijk kenbare wijze onder een bepaalde naam aan het rechtsverkeer deelneemt, op naam van de maatschap kan worden gesteld. Deze stelling gaat echter reeds daarom niet op nu - zoals hiervoor is overwogen - ROM Rijnmond niet als een maatschap kan worden aangemerkt.

Voorzover [eiser] op andere gronden wil betogen dat in de vermelding van ROM Rijnmond in de dagvaarding de 23 convenantpartners moeten worden gelezen is deze stelling onvoldoende onderbouwd, en ziet de rechtbank geen grond om af te wijken van het uitgangspunt als vervat in artikel 45 lid 2 Rv. dat een exploot de naam dient te vermelden van degene voor wie het is bestemd, in dit geval de 23 convenantpartners.

3.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat van een uitzondering op de hoofdregel dat slechts aan natuurlijke personen en rechtspersonen procesbevoegdheid toekomt in het onderhavige geval geen sprake is, en ROM Rijnmond derhalve niet als procespartij door [eiser] kan worden gedagvaard. Dit brengt mee dat [eiser] in zijn vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard, en dat de rechtbank aan een bespreking van het inhoudelijke geschil niet toekomt.

3.11 [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4. De beslissing

De rechtbank,

verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van ROM Rijnmond bepaald op € 295,-- aan vast recht en op € 1.130,-- aan salaris voor de procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog.

Uitgesproken ter openbare terechtzitting.

548/1581